+ Meer informatie

Onze leejtijd

4 minuten leestijd

RONDKIJK

Over de ouder wordende mens heb ik naar ik meen, al eens meer geschreven. Het is een opmerkelijk verschijnsel, dat in onze eeuw de mensen ouder worden. Er is minder kindersterfte dan vroeger en er valt een bereiking van een hogere leeftijd te constateren. De toename van de medische wetenschap, waardoor men ingrijpende ziekten beter weet te bestrijden, is o.i. daar niet vreemd aan en mogelijk ook de toepassing van meerdere hygiëne. De „pensioensgerechtigde leeftijd", waarbij men bij het 60ste of 65ste jaar niet meer behoeft te werken, helpt er mischien ook aan mede. De ouder wordende mens wordt dan niet tot op hoge leeftijd afgesloofd.

Sedert de eerste eeuwen van het menselijk bestaan zijn zes trappen waar te nemen, waarin onze leeftijdsgrens verkort wordt. We zullen ze hier opnoemen.

I. Vóór de zondvloed werd de mens meer dan 900 jaar oud. (Geen duizend, omdat daarin een volmaaktheid zou liggen). De hoogst bereikte ouderdom was iets meer dan 960, zoals ons beschreven is van Jered en Methusalem in Genesis 5.

II. Na de zondvloed nam de Heere een derde deel van de ouderdom af; Sem, de zoon van Noach, leefde „maar" 600 jaar. II. In de eerste geslachten na de zondvloed werd de menselijke levenstijd tot op de volle helft verminderd. Want Arpafad, Sol ah en Heber, werden maar 438 of 464 jaar oud, dus de helft minder dan hun voorvaderen.

IV. Deze helft is na de torenbouw van Babel nog eens in tweeën gedeeld, waarmee de leeftijd is verkort tot op een vierde deel van de ouderdom der eerste mensen. Peleg, die omtrent die tijd geboren werd, werd 239 jaar oud, wat het vierde deel van de jaren van Jered en Methusalem was. V. Nadien is het menselijk leven nog meer afgenomen en gekomen op het achtste deel van de eerste leeftijden. Van Mozes lezen we, dat hij 120 jaar oud werd (het achtste deel van 960).

VI. Tenslotte is de leeftijdsgrens van de mens gekomen op het 12e deel van de levensjaren der eerste mensen. Zo wij sterk zijn, worden we 80 jaar. Ps. 90. De leeftijd, die dus toen tot de jongelingsschap behoorde, behoort nu tot hoge ouderdom.

Ik ga er nu niet op in waarom de Heere dit alzo gesteld heeft, Hij heeft er Zijn wijze bedoelingen mee en er ligt veel lering in. Men poogt de levenstijd van de mens op te voeren, en het kan niet worden ontkend, dat er — in doorsnee — enige jaren zijn bijgekomen. Het Schriftwoord blijft echter van kracht: Het is de mens gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel. En dat „eenmaal" is binnen de cirkel van 100 jaar. Wat maakt een paar jaren uit op de nimmer eindigende eeuwigheid? Hoe ouder we worden, hoe verantwoordelijker, hoe méér tijd de Heere ons geeft, dat we nog tot Hem bekeerd kunnen worden. Daarin zullen we ons niet verontschuldigen kunnen.

De meeste mensen willen graag oud worden. Let maar eens op, wanneer ge oude mensen vraagt, hoe oud ben jeï dan zeggen ze b.v. in mijn 82ste of 83ste. Ze zijn het nog niet, maar ze noemen het jaar reeds, dat ze op hun geboortedag denken te halen. Maar er zijn ook anderen — hoewel weinig — die liever niet zo oud willen worden. Die hun lijd wel willen uitdienen, maar die de wereld en de zonde moe zijn.

Enige jaren geleden had uw rondkijker een gesprek met ouderling Take te Leiden, die ver boven de 90 jaar oud was. Om een praatje met hem te beginnen zei ik: „wat ziet U er nog goed uit, U kunt wel honderd jaar worden!" Wat deed die vraag de; oude man zeer. Hij begon te schreien. „Wens me dat niet toe, goede vriend, antwoordde hij, dan moet ik nog zo lang in dit Mesech blijven. Ontbinden en met Christus te zijn was hem verre het beste. Hij heeft zijn wens verkregen, hij is geen honderd geworden.

Dat volk is niet levensmoe maar ze zuchten wel eens met Datheen: „o Heer, wanneer komt die dag, dat ik toch bij U zal wezen en zien Uw aanschijn geprezen."

„Weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest" sprak Jacob tot Farao „en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingsschappen." Hoe hoge ouderdom die „vaderen" ook bereikten, ze waren vreemdelingen hier. En van dat vreemdelingsschap zullen we wat moeten leren kennen. Al vroeg, want er worden maar weinig mensen op hoge leeftijd tot God bekeerd. Het is een zegen te achten als we oud mogen worden, maar groter zegen, als we het allergrootste en eeuwig goed mogen bezitten. Dan komt het er niet opaan hoe oud we worden. Eind goed, is dan al goed.

Rondkijker.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.