+ Meer informatie

Petrus ook

5 minuten leestijd

en Petrus. (Mare. 16 : 7)

Het klinkt ons waarschijnlijk wat zonderling in de oren als hier zo geheel bijzonder en zeer afzonderlijk tussen gevoegd wordt: , , en Petrus." Maar, dat is naar onze bevatting toch vanzelfsprekend dat ook hèm geboodschapt zou worden dat de Heere was opgestaan? Had de engel niet gezegd aan de vrouwen dat ze zouden heengaan en Zijn discipelen aanzeggen dat Hij was opgestaan? Is Petrus daar dan niet bij inbegrepen? Hij was toch ook discipel, ja nog wel een, die steeds een zeer bijzondere plaats ingenomen had in de kring der jongeren? Had hij niet de schone belijdenis afgelegd, dat de Christus was de Zoon des levenden Gods? Had hij niet mede een toegang ontvangen tot de berg der verheerlijking? Gunde ook hèm niet de Heere een plaats dieper in de hof dan de andere discipelen? Inderdaad, Petrus had een zeer bijzondere plaats van de Heere onder de discipelen, maar hij had ook in ander opzicht zich onderscheiden te midden van de jongeren. Hij had zeer hoog van de toren geblazen, dat hij beter was dan al de anderen. Zij zouden geërgerd worden, doch hem zou dat niet gebeuren. Instede van de Heere te verloochenen, zou hij gewis met Hem sterven.

En wat zal ik zeggen in verband met dit woord van de zaal van Kajafas en hetgeen Petrus daar misdeed in de verloochening van zijn Heere en Zaligmaker, in het zichzelf met eede vervloeken. Ik las bij een schrijver dat zulk een zonde alleen maar door Gods volk kan worden gedaan omdat zij Hem hebben ler-en kennen, maar de wereld kent Hem niet.

O Petrus! die ogen van de Getrouwe en waarachtig Getuige in die zaal. O Petrus, dat naar buiten gaan en bitterlijk wenen. Neen, dat was geen vrucht van Petrus, maar van de eeuwig getrouwe genade des Heeren die hem in beide Zijne handpalmen gegraveerd had.

Hoe lang hij geweend heeft vermeldt de schrift ons niet en wat er in hem is omgegaan ook niet, maar één zaak staat onherroepelijk vast dat hij vast bleef in de handpalmen des Heeren, want de Heere kende zijn leed en berouw, zijn harteleed, dat zo diep, zo intens, zo oprecht was, want het was vrucht van de genade des opgestane Middelaars. De Heere weet wat Hij in het hart van Petrus gewrocht heeft en nu ziet Hij hem ergens wenende en nu moet deze Petrus een extra boodschap hebben dat Hij leeft. Hij is als Overwinnaar van de dood uit het graf verrezen en dat moet Petrus weten. Hij is zijn Heere wel ontrouw geworden, maarde Heere is hem niet ontrouw geworden en in al zijn zieleleed en zondesmart moet dat aan Petrus gezegd worden. Spoedig, vlug en met zekerheid. O wonder van genade en goddelijke trouw.

Deze Petrus is een van de Vader beminde, een door Christus gekochte en door de Heilige Geest verzegelde en als vrucht van die onbegrijpelijke liefde des Drieënigen Gods mag hij het straks aan Tiberias' zee belijden aan de Heere: „Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U lief heb."

Waar zitten de Petrussen in zak en as, in rouw en droefenis, met verborgen en openbare zonden die ze thuis gekregen hebben? O, laat U de boodschap geworden dat Hij leeft en dat onze ontrouw, de trouw des Heeren nooit te niet kan doen. Hij kan Zichzelf niet verloochenen. Deze boodschap van goddelijke trouw aan Zijn lieve kinderen moet hun gebracht worden, die het eigendom zijn van Hem die de Zijnen liefheeft ten einde. Zou ons hart onder zulk een liefde niet vernederd worden. Neen, o neen, nooit is de innerlijke vernedering voorwaarde tot de genade, maar steeds vrucht er van en nooit zal Gods lieve volk kunnen uitgewonderd komen over zoveel liefde en zoveel trouw. Hij was het die al de zonden Zijns volks uitdelgde. Niet één bleef er over. Dat hebben Gods knechten te prediken aan des Heeren gunstgenoten. De toepassing is een werk Gods, doch wij hebben dat van Zions hoogten te prediken naar Jesaja 40 : 1.

O, mijn jonge en oude vrienden, nog vreemdelingen van de genade, het is nog niet te laat. Het is nog de dag der zaligheid, de welaangename tijd. Het moge U uitdrijven tot de troon der genade om dit grote geluk deelachtig te mogen worden. Ge kunt alles in de wereld hebben dat U naar uw mening gelukkig maken kan, maar het is slechts schijn. Er is een meerder en beter, een onverliesbaar goed. De Heere geve U daar deel aan. Gods gunstgenoten mogen verwaardigd worden in dit wonder zich te verliezen en Petrus, zo weerklinke het in uw hart, gebogen onder de last van zonde en schuld, naar onze gedachten nergens zo erg en zo zwaar. Wellicht hebt ge uzelf al geschrapt van de rollen waarop de namen van de gezaligden voorkomen vanwege uw zonde „en toch ook voor Petrus." De eeuwigheid zal er voor nodig zijn om daarvoor Zijn Naam eeuwig te erkennen.

Loutre goedheid, liefdekoorden, Waarheid zijn des Heeren paan, Hun die Zijn verbond en w r oorden, Als hun schatten gadeslaan. Wil mij Uwen Naam ter eer, Al mijn euveldaan vergeven. Ik heb tegen U o Heer, Zwaar en menigmaal misdreven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.