+ Meer informatie

EEN RIJKE BEMOEDIGING OP DE PELGRIMSWEG

6 minuten leestijd

Zij gaan van kracht lot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.

Psalm 84 : 8.

We zijn weer een nieuw jaar ingegaan. Het is ons niet bekend, wat dit niei'we jaar ons zal brengen. Veel, zeer veel is er voor ons verborgen. Te midden van veel onzekerheid, is er deze zekerheid, dat ook dit jaar het jaar onzes Heeren is. God de Heere heeft ook dit jaar gesteld. En Hij maakt ook Zijn Woord waar in 1971. Welk een troostrijke gedachte ligt er in Psalm 84. Een troost voor de pelgrims naar Sion. Nu is het noodzakelijk na te gaan of wij behoren tot die pelgrims. Van nature zijn we niet op reis naar het Sion Gods. We gaan voort op de brede weg, die leidt naar het eeuwig verderf. Alleen herscheppende genade plaatst ons op de smalle weg ten leven. Laat er toch gestaan worden naar die rijke genade des Heeren. Het leven is kort en ook in het nieuwe jaar kunnen we uit het leven weggenomen worden. Wie door Gods genade treedt door de poort van wedergeboorte, komt op de weg, waarvan het einde is het eeuwige leven. Nu is die weg niet gemakkelijk. Die weg gaat door diepten en donkere levensnachten. Op die weg is er strijd en zijn de zielsverzoekingen vele, maar men komt niet om. Gods hulp en bijstand worden bemerkt. Zijn kracht wordt in zwakheid volbracht. En wat Hij beloofd heeft, maakt Hij waar. Wat de tekst zegt, wordt ook in 1971 ondervonden. Men gaat van kracht tot kracht steeds voort. Misschien rijst bij iemand nu de vraag; „maar ben ik dan wel op de goede weg? In plaats van sterker, wordt ik zwakker. In plaats van rijker, word ik armer. In plaats van reiner, word ik onreiner. In plaats van vooruitgang is er de achteruitgang. In plaats van meer tot bekering te komen zie ik almeer mijn onbekeerdheid, mijn onbekeerlijkheid. Dit alles nu geeft stof tot klagen. Zo ben ik het oude jaar beëindigd en ben ik het nieuwe jaar ingegaan”. Wat U in uw leven constateert, is vrucht van het ontdekkende werk van de Heilige Geest. De vrucht van dat werk is, dat we armer, ellendiger, onreiner worden. Onszelf als een krachteloze en machteloze leren kennen.

Wanneer nu de Heilige Geest in ons werkt, kunnen we ons bij deze situatie niet neerleggen. Er zijn werkzaamheden voor Gods aangezicht. Door de stuwende kracht des Geestes heffen we oog en hart smekend op naar omhoog. Omhoog tot God.

De God van ontferming en genade. We zijn gelijk aan de dichter van Psalm 123. „Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit. Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op de Heere, onze God, totdat Hij ons genadig zij”. In het leven van zulkeeii laat de Heere Zich niet onbetuigd. De rijke inlating des Heeren wordt ondervonden. Zijn genadekracht ontvangen. De kracht van Zijn Woord wordt verkregen. De kracht van Zijn liefde sterkt in het baka-dal, bewaart voor bezwijken. Zijn heil verkwikt, zodat men ook in het nieuwe laar verder kan gaan. De pelgrims naar Jeruzalem gingen van pleisterplaats tot pleisterplaats. Van de ene rustplaats naar de andere. Zo is het nu met de reizigers naar Sion. Zij gaan van rustplaats tot rustplaats. Rusten mag men in Gods Huis. Daar wordt hen een oase bereid. Onder de verkondiging van Gods Woord wordt men verkwikt. Men mag zich verlustigen in het enige volmaakte offer van de Borg Jezus Christus. Men wordt gesterkt door Zijn trouw.

Tijdens de viering van het avondmaal ruist het door de ziel: „Sta op en eet, want de weg zou voor u teveel zijn”.

Men gaat van kracht tot kracht. Nu is er een vertaling, die de tekst zó weergeeft: „Zij gaan van bende tot bende”. Deze vertaling is met gezocht. Er zit waarheid in. Immers eerst was de pelgrim alleen, maar hij ontmoet anderen. Het wordt tenslotte een stroom. Van alle kanten komen ze en voegen zich bij elkaar. Mtn gaat spreken over de wegen en zorgen des Heeren. Zij spreken elkaar moed in. Zij dragen elkanders lasten en vervullen alzo de wet van Christus. De broeders ziende en horende, scheppen zij moed. Door het zien op zichzelf al, kan men gesterkt worden. We lezen van Paulus, toen hij de broeders van Rome zag, dankte hij God en greep moed. Leest u nu een stukje van uw levensgeschiedenis? Dan geldt ook voor u: „een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion”.

De Heere vervult Zijn belofte. Een iegelijk van hen … Niet één zal er gemist worden. De kleinste niet, zelfs de onwaardigste niet. Allen verschijnen voor God in Sion. Verblijdend voor de pelgrims, maar beschamend voor de vijand. Hij stelt alles in het werk om hen moedeloos te maken. Hij gunt de vreugde van Sion niet. Menigmaal zegt hij „Jij komt er nooit!. Een ander wel, maar jij niet”.

Starend op zichzelf moet men ook belijden: „het zal nog een voor eeuwig omkomen zijn. Als ik er mag komen, zal het een wonder zijn”. Wie nu zichzelf heiwaardig weet en verklaart, komt niet in de hel maar in de hemel. Daar heeft de Borg Jezus Christus voor gezorgd. Hij kocht en betaalde met Zijn bloed. Hij mijnde en leidt nu door Zijn Geest tot het eeuwige leven. Al de namen zijn in Zijn handpalmen gegraveerd en hun muren zijn steeds voor Hem. Hij geeft Zijn schapen, ook de zwarte, de dwaaJziekc schapen, het eeuwige leven en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.

Vandaar: „een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion”. Eeuwig bij God. Blijdschap was er, wanneer het aardse Jeruzalem gezien werd en als men door de poorten de stad mocht binnengaan. Door de straten ging men naar de voorhoven van het heiligdom om daar te aanschouwen de vrije gunst, die eeuwig God bewoog. Daar-leefde men bij offer en altaar. Daar verscheen men om te klagen, maar ook om te vragen. Te bidden en te danken. Welgelukzalig zijn ze, die met hèt pelgrimskleed om de schouders en de pelgrimsstaf in de hand mogen opgaan tot Gods altaren. Welgelukzalig de mens in wiens hart de gebaande wegen zijn. Men komt zeker thuis en dat door Hem, door Hem alleen om het eeuwig welbehagen. Het einddoel van de reis wordt bereikt om voor eeuwig aan te heffen:

Gij zijt waardig — o Drieënige God — te ontvangen de lof en de aanbidding en de dankzegging tot in eeuwigheid.

Dat niemand onzer eenmaal in het hemelse koor ontbreke.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.