+ Meer informatie

HOE KUNNEN WIJ ONZE IDENTITEIT BEWAREN IN EEN MULTIRELIGIEUZE SAMENLEVING?

13 minuten leestijd

In alle bescheidenheid waag ik een poging een antwoord te formuleren op deze vraag, die mij door de redactie van Ambtelijk Contact is voorgelegd.

De Nederlandse samenleving: een multireligieuze samenleving

Sinds de tweede helft van de 17e eeuw zijn we van een door de christelijke religie gekenmerkte samenleving terechtgekomen in een samenleving, die haar normen en waarden niet meer aan deze religie ontleent.

Dat is het gevolg van de doorwerking van een proces, dat ingezet is met de Verlichting, die de rede, het menselijk denken, als enige norm aanvaardt (de mens is maat van alle dingen). Hoewel er nog wel (steeds minder wordende) christelijke invloeden merkbaar zijn, is de christelijke religie niet meer de godsdienst, die het gezicht van de Nederlandse samenleving bepaalt.

In de periode na de Tweede Wereldoorlog is de doorwerking van dit proces in een geweldige versnelling gekomen. De gevolgen daarvan komen we nu overal tegen.1 Steeds meer Nederlanders geven nu te kennen dat ze geen band (meer) hebben met enige religie. Velen van hen hebben nog wel enige religieuze inslag, maar de religie (in welke vorm dan ook) speelt bij de meesten geen of slechts een geringe rol voor de zingeving van hun bestaan. Dat laatste geldt ook voor velen, die zich nog wel christenen noemen en beslist niet on-kerkelijk zijn.2

In onze samenleving vinden we sinds de Tweede Wereldoorlog naast het slinkend aantal aanhangers van de van oudsher bekende stromingen in het christendom (RK, Prot.) en een groter wordend aantal onkerkelijken, een groeiend aantal aanhangers van niet-christelijke religies zoals de islam, het hindoeïsme, het boeddhisme. Ze zijn òf als gastarbeiders ingehaald, òf als vluchtelingen, asielzoekers toegelaten.

Vroeger kenden we die religies alleen uit verhalen van zendelingen en uit reisbeschrijvingen. Maar nu vinden we islamieten, boeddhisten en hindoeïsten naast onze deur, komen we ze tegen in de supermarkt, op ons werk en presenteren ze zich in de media. Onze kinderen zitten met kinderen van andere religies in de klas.

In onze samenleving overheerst dus niet één religie die als vanzelfsprekend haar stempel daarop zet, maar zijn ‘multi’ d.w.z. vele religies te vinden, Omdat de aanhangers van elk van deze een minderheid in de samenleving vormen, is geen van deze religies in staat het karakter van de samenleving te bepalen.

Er gaat wel invloed van de aanwezigheid van deze religies uit op onze samenleving.3 Sterk merkbaar is deze invloed in het onderwijs. In veel lesmateriaal, geschreven voor de basis-en middelbare scholen voor het vak godsdienst en/of maatschappijleer, wordt vanuit een zgn. objectief standpunt kennis aangereikt over de verschillende godsdiensten en culturen.

Van een waarde-oordeel met betrekking tot de verschillende godsdiensten en culturen onthoudt men zich. Meestentijds vinden we daarin wel een oproep tot tolerantie (verdraagzaamheid) en in veel gevallen ook van een tendens tot relativering van de eigen geloofstraditie. Alle godsdiensten zijn toch gelijk? Het gaat in alle religies toch om die éne God? Deze gedachten worden ook vaak verspreid door de moderne media (pers, radio, televisie). Ook de voorstanders van de ‘heilsdialoog’4 hangen deze gedachten aan Dit alles leidt, naast andere oorzaken, tot individualisme en subjectivisme, leder moet het maar voor zichzelf weten en afgaan op eigen ervaringen.

Samenvattend: in onze multireligieuze samenleving komen we in aanraking met aanhangers van verschillende godsdiensten, is er geen sprake van een beslissende invloed van welke godsdienst ook op de samenleving, klinkt de roep tot tolerantie, wordt gepleit voor relativering van het eigen godsdienstig standpunt, viert individualisme en subjectivisme hoogtij.

Onze eigen identiteit

Wat wordt daarmee bedoeld? Als het gaat om een persoon, wordt daarmee bedoeld het geheel van bijzondere kenmerken die iemand heeft, waaraan hij te herkennen valt. Op een identiteits- of legitimatiekaart (b.v. een paspoort) komen voor: een pasfoto, gegevens omtrent de nationaliteit, geslacht, de kleur van de ogen en van het haar en de handtekening van de betreffende persoon. Op de vraag: ‘Wie bent u?’ kan de vrager aan de hand van de identiteitskaart zien of degene aan wie hij dat vraagt, inderdaad is wie hij zegt te zijn.

Het is niet de bedoeling dat het om onze persoonlijke identiteit zal gaan in deze bijdrage. Mij is gevraagd te schrijven over het bewaren van de identiteit van onze kerken in een multireligieuze samenleving. Als kerken staan we midden in deze samenleving. De vraag is dus (om het beeld van het paspoort te gebruiken): Hoe ziet ons kerkelijk ‘paspoort’ eruit?

Wij zeggen dat we te herkennen zijn aan onze trouw aan de Schrift en de daarop gegronde belijdenis. Daaraan willen we als kerk van Christus getoetst en herkend worden als het gaat om de vraag: ‘Wie bent u?5.

Ons paspoort ligt dus op tafel: trouw aan de Schrift en de belijdenis.

Bewaren

Het bewaren van onze identiteit is van levensbelang. Voor ons zelf en voor anderen. Maar wat is bewaren?6

‘Bewaren’ komt vele malen voor in de Schrift. In het Oude Testament is herhaaldelijk sprake van: het bewaren van Gods wet, van zijn inzettingen, van Gods verbond, van zijn bevelen, Het Nieuwe Testament spreekt over: het bewaren van Jezus’ geboden, van Jezus’ woorden, van het woord Gods, van hetgeen u is toevertrouwd. Bewaren is naar de Schrift: er zo van vervuld zijn dat het leven van elke dag daardoor wordt bepaald. Van dat bewaren hangt onze zaligheid af. ‘Zalig, die het woord Gods horen en het bewaren’ zegt de Here Jezus (Luc. 18:25).

Hoe bewaren we onze identiteit in een multireligieuze samenleving?

Deze vraag, anders geformuleerd, luidt: Wat betekent ’trouw aan Schrift en belijdenis’ met het oog op de situatie van de samenleving, waarin we ons als kerk bevinden? Wat moet het ‘gezicht’ van onze kerken bepalen zodat we inderdaad als kerk van Christus voor anderen herkenbaar zijn?

Graag zou ik, gezien het bovenstaande, enkele dingen naar voren willen brengen, die m.i. hiervoor van belang zijn.

1. We kunnen niet volstaan met de verklaring, dat we het gezag van Gods Woord volstrekt aanvaarden en de daarop gegronde belijdenisgeschriften zonder enige terughoudendheid onderschrijven. Natuurlijk: ook dat moet, willen we christelijke, naar Gods woord gereformeerde kerken zijn en blijven. Maar als het daarbij blijft, dreigt levensgroot het gevaar van een dode orthodoxie. Het moet ook blijken uit ons leven als kerken, uit de wijze waarop wij omgaan met elkander en met anderen, uit de wijze waarop we ons opstellen in onze samenleving.

2. Het heeft geen zin het verleden te verheerlijken of terug te verlangen naar de situatie van voor Wereldoorlog II, of naar een situatie uit nog verder van ons afliggend verleden. Nog afgezien van het antwoord op de vraag of vroeger alles wel zo ideaal was als weieens gedacht en beweerd wordt, als kerken mogen we naar de toekomst uitzien. Een toekomst die gewaarborgd is door de opstanding van onze Here Jezus Christus. We mogen met ons gezicht naar die toekomst gericht staan. We hebben hoop voor de kerk en voor de wereld niet op grond van een terugkeer van of naar het verleden, maar op grond van de belofte van de wederkomst van de Here Jezus Christus.

3. Eén van de opgaven waarvoor we staan, is dan ook te laten blijken dat deze hoop een factor van betekenis is voor ons kerk-zijn vandaag. Dat geldt voor het beleid van de kerkeraden, de classes, de particuliere synoden en de generale synode. Dat geldt niet minder voor de ambtelijke toerusting van de leden van onze gemeenten. Het gaat erom dat ouderen en jongeren in de situatie van vandaag weten rekenschap te geven van de hoop die in hen is (vgl. I Petrus 3:15). In prediking, pastoraat en catechese zal de christelijke toekomstverwachting een duidelijke plaats dienen in te nemen. Niet als een vlucht uit de soms benauwende dagelijkse werkelijkheid (‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw…’), maar als bron van kracht om in het heden standvastig, volhardend en overvloedig te zijn in het werk des Heren (I Cor. 15:58).

4. Met het oog op de individuallistische en subjectivistische instelling van onze samenleving zijn m.i. twee dingen van belang.

A. We zullen ervoor moeten waken dat individualisme en subjectivisme ook in de kerken voet krijgen. De persoonlijke geloofsbeleving, de bevinding, die uit de Geest en naar het Woord van God is, kunnen en mogen we niet missen. Maar we zullen de geesten wel moeten onderscheiden. Persoonlijke geloofsbeleving, bevinding, is niet hetzelfde als het leven bij persoonlijke opvattingen en religieuze ervaringen. Alles waarbij het individu, het vrome ik, in het middelpunt komt te staan, waarbij de religieuze ervaring grond wordt voor het geloof, zullen we beslist moeten afwijzen. Als kerken zullen we ons hierin ook duidelijk moeten onderscheiden van allerlei bewegingen en sekten van onze tijd, die door zulk subjectivisme gekenmerkt worden en die aan de religieuze ervaring een beslissende rol toekennen.

B. We zullen als kerken moeten tonen wat echte gemeenschap naar Gods Woord is. In het aanvaarden van, in het meeleven en meelijden met, in de (diaconale) zorg voor allen die, binnen en buiten onze landsgrenzen, met ons hetzelfde in hun paspoort hebben staan: trouw aan Schrift en belijdenis. Aan de éénheid van de kerk, de gemeenschap der heiligen, zal, naar de eis van Gods Woord, daadwerkelijk gestalte gegeven moeten worden.

5. Wat betreft de relativering van het eigen godsdienstig standpunt, die bij velen opgeld doet, zullen we ervoor moeten waken, dat wij zelf en onze jeugd daarmee geïnfecteerd worden. Het is niet waar, dat alle godsdiensten gelijk zijn, dat het in alle godsdiensten gaat om die éne God, evenmin als dat zou gelden van alles, wat zich als kerk aandient. De Schepper van hemel en aarde, de God van Abraham, Izaäk en Jakob, de God van Israël, de Vader van onze Here Jezus Christus is volstrekt uniek. Buiten Jezus Christus om is er geen ware, zaligmakende kennis van God. Als we die geloofsovertuiging niet hebben, zijn we geen kerk van Christus, hebben we geen boodschap aan anderen in onze samenleving.

6. Wat aangaat de tolerantie, waarvoor gepleit wordt, zullen wij nooit minder tolerant kunnen en mogen zijn dan wie anders ook. Maar niet op grond van het indifferentisme (= de onverschilligheid ten aanzien van welke godsdienst men belijdt) dat in onze samenleving ten grondslag ligt aan de tolerantie. Maar op grond van de liefde en het geduld van God, die aller Schepper en Onderhouder is. Hij wil dat allen behouden worden en is daarom lankmoedig over ons, opdat allen zich bekeren en tot de kennis van de waarheid komen (I Tim. 2:4, II Petr. 3:9).

7. Dat betekent concreet:

A. Dat we meer dan ooit, gezien de secularisatie en de aanwezigheid van vele aanhangers van niet-schristelijke godsdiensten ernaar zullen staan missionaire kerken te zijn, d.w.z. kerken, die beseffen gezonden te zijn om het Evangelie van Jezus Christus met woord en daad uit te dragen in de eerste plaats in de eigen directe omgeving. Onze zending in het buitenland wordt ongeloofwaardig als we de zending in ons eigen land verwaarlozen. De zendingsvelden liggen niet meer alleen ver buiten de grenzen van ons land. Ons eigen land is zendingsveld geworden. De evangelisatie, in de nieuwtestamentische zin van: de verkondiging van het Evangelie van Jezus Christus aan hen die Hem niet kennen, zal grote, zo niet de eerste prioriteit moeten hebben.

B. We dienen duidelijk gestalte te geven aan de ons geboden liefde tot de naaste, met name met betrekking tot de vreemdelingen, die God in onze poorten heeft gebracht. Van discriminatie van, liefdeloosheid jegens, verachting en haat van de vreemdelingen in onze poorten zal bij ons nooit sprake mogen zijn. Integendeel: in hun bijzondere noden zullen wij hun voor zover het in ons vermogen ligt, bijstand bieden.

Slotopmerking

Hoe bewaren we onze identiteit in een multireligieuze samenleving?

Ik heb slechts enkele dingen genoemd, die aangevuld zouden kunnen en nader ingevuld moeten worden. Ik ben me ervan bewust feitelijk niets nieuws naar voren gebracht te hebben. Maar één ding zou ik hier nog aan toe willen voegen: laten we er van doordrongen zijn dat het bewaren van onze identiteit alleen plaats kan vinden in een hartelijk en standvastig vertrouwen op de Here God, die zelf zijn kerk bewaart.

Noten

1. Enkele trefwoorden voor dit proces zijn: rationalisme, evolutionisme, secularisatie, mondigheid, deconfessionalisering en ontzuiling, indifferentisme, marginalisering van normen en waarden.

Kenmerkend voor dit proces is de heilsverwachting, gebaseerd op de ontwikkeling van de maatschappij, de wetenschap en de techniek. Deze heilsverwachting is voor velen uitgelopen op wanhoop en angst voor de toekomst.

2. Meer dan de helft (51%) van onze bevolking gaf in 1979 aan dat het gezin het uitein delijke doel is dat hun leven bepaalt. Slechts door 8% werden Godsdienst en kerk als zodanig genoemd. (Zie: ‘Opnieuw: God in Nederland’, 1979, Onderzoek naar godsdienstigheid in Nederland).

3. Dat is merkbaar in de huidige wetgeving, die enerzijds de vrijheid van godsdienst waarborgt, anderzijds de discriminatie op godsdienstige gronden verbiedt. Het is ook merkbaar aan de vele moskeeën, die we in de steden tegenkomen. Het is eveneens merkbaar aan oosterse markten, die hier en daar ontstaan zijn, waarvan die in Beverwijk wel de bekendste is.

4. Onder ‘heilsdialoog’ wordt verstaan het gesprek tussen aanhangers van de verschillende godsdiensten, dat ervan uitgaat dat God zich in de verschillende godsdiensten openbaart. Het unieke van de openbaring van God in Christus en het gezag van de Bijbel als het Woord van God tot ons, worden daarbij gerelativeerd. Ook in de geschriften van de andere godsdiensten zou openbaring van God te vinden zijn, evenals in de ervaringen van allerlei religieuze mensen.

5. De vraag naar de identiteit van de kerk is geen nieuwe vraag, geen vraag die vandaag voor het eerst gesteld wordt. In de loop van de geschiedenis is de kerk steeds weer voor die vraag gesteld. En in wezen was het antwoord telkens weer: ‘Hier is mijn paspoort, zie maar of het klopt. Toets mij maar aan de Schrift en aan mijn belijdenis.’

Kijken we naar het ‘paspoort’ dat bij die verschillende gelegenheden overgelegd werd, dan zien we dat daarin iets blijvends is en iets dat steeds weer bijgesteld moest worden, naarmate de kerk ‘ouder’ werd, voortging in de tijd. Om zo te zeggen: de foto op het paspoort moest door een nieuwere, minder lang geleden gemaakte, vervangen. De ander persoonsgegevens bleven uiteraard ongewijzigd.

Het blijvende is: het beroep op de Schrift; het veranderende is: de bijstelling, de nadere concretisering van de belijdenis. Waar van de Schrift werd afgeweken of naast het beroep op de Schrift ook de traditie een beslissende rol ging spelen (Rome!) deed zich de noodzaak voor juist op die afwijkende punten de belijdenis bij te stellen, te concretiseren. Zo zijn in de loop van de geschiedenis na de Apostolische Geloofsbelijdenis, de belijdenissen van Nicea-Constantinopel en Athanasius en de belijdenisgeschriften van de Reformatie ontstaan, waarvan wij met name de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus als uitdrukking van ons geloof aanvaarden. In onze Nederlanse situatie kwamen daar de Leerregels van Dordt bij als nadere concretisering van het belijden van de Goddelijke verkiezing en verwerping in het conflict met de Remonstranten over het genadig karakter van de genade van God.

6. Iets kan bewaard worden door het zorgvuldig op te bergen en zo voor beschadiging, verloren gaan te behoeden.

Pas als degene die het in bewaring gegevene opvraagt, wordt het tevoorschijn gehaald en aan de rechtmatige eigenaar teruggegeven. Zo deed de man met het ene talent (Matth. 25:18vv.). Om zulk bewaren (conserveren), zonder er iets mee te doen, mag het ons niet gaan!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.