+ Meer informatie

lIl. De Deugden Gods (I.)

5 minuten leestijd

Gods verborgen en geopenbaarde wil.

Al wat geschiedt, grote en kleine dingen, natuurlijk en geestelijk, in hemel en op aarde, het is alles aan Gods wil onderworpen. Geen haar valt van ons hoofd en geen musje van het dak, zonder de wil des Vaders. Hij doet ook met het heir des hemels en met de inwoners der aarde naar Zijn souverein welbehagen. In één woord: Gods wil is de eerste oorzaak van al wat bestaat en geschiedt en eeuwig zijn zal. Maar — zo vraagt men — hoe is het dan toch mogelijk, dat er in de wereld zoveel gebeurt, wat lijnrecht tegen Gods heilige wil indruist ? ?

Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten we ons houden aan een onderscheiding, welke alreeds door onze Godzalige voorvaderen gemaakt werd en ook geheel op de leer der Heilige Schrift berust. Zij spraken van een verborgen en geopenbaarde wil Gods. Zij lazen immers, net als wij, in Deut. 29 : 9: De ve r-b o r g e n e dingen zijn voor de Heere, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen. tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer Wet."

In Zijn Woord en Wet heeft-God Zijn geopenbaarde wil neergelegd. Daarin leert Hij de mens, wat Hij wil, dat deze doen zal. Die geopenbaarde wil berust geheel op Gods rechtvaardigheid en heiligheid. God verlangt van de mens al, wat recht, heilig en goed is. De mens, die tegen deze geopenbaarde wil ingaat, bezondigt zich tegen Hem; maakt zich schuldig aan Wetsovertreding en is daarom strafbaar in het gericht Gods. Maar — vraagt ge — wat is nu de verborgen wil des Heeren? Heeft God dan soms twee willen? En kan Hij met de ene wil iets anders bedoelen, dan met de ander? Neen, zo staat het niet! Nimmer mogen we in de Heere God twee tegenstrijdige willen veronderstellen. Hij is immers niet gedeeld, noch met Zichzelf in tegenspraak.

Niettemin is het waar, dat er in de verborgen wil des

Heeren dingen zijn opgenomen, die met zijn geopenbaarde wil in strijd schijnen te zijn. Hoe dat mogelijk is? Het antwoord op deze vraag moeten we zoeken in de schepping des mensen naar Gods beeld. Omdat de Heere een willend Wezen is, die kiest en verwerpt, keurt en overlegt, iets wenst en iets anders niet wenst, daarom is ook deze trek in de mens ingeschapen. Een beelddrager Gods toont juist daarin beelddrager te zijn, dat hij een wil heeft, die overeenstemt met de wil Gods. Zolang de mens nog niet geschapen was, ontbrak aan de schepping het meesterstuk nog. Want God wilde Zijn schepping voltooien door er een redelijk, zedelijk wezen in te plaatsen, dat niet uit instinct of uit zielloosheid en willoosheid, maar met volkomen vrije wil en" wens, uit liefde tot Zijn Schepper God dienen zou. Had de Heere een mens geschapen, die geen eigen vrije wil had, maar die, evenals de dieren instinctief handelde, dan zou het dienen van God door de mens geen betekenis gehad hebben, dan zou er de vrijwilligheid, de liefde, de spontaneïteit aan ontbroken hebben. Maar dit was juist de bedoeling van God met de schepping des mensen, dat er een wezen op aarde zou verschijnen, dat geheel uit vrije liefde, uit eigen aandrift Zijn Schepper wilde dienen en loven. In de vrijwilligheid van het dienen komt immers juist de waarde te voorschijn. Als ge aan uw kind verbiedt om een lekkernij uit de pi'ovisie kast te nemen, en ge draait tegelijk de deur op slot, zodat uw kleine niet in de kast kan komen, clan is zijn gehoorzaamheid van geen betekenis; maar als ge hem verbiedt en ge laat toch de kast open, dan eerst blijkt het, dat het zijn vrije wil was om uw gebod te gehoorzamen. Welnu, dit is maar een zwak beeld van 's mensen verhouding tot God, maar 't geeft toch enigszins weer, wat de schepping naar Gods beeld betekent. Adam moest de zonde laten, niet omdat God hem de weg tot de zonde versperde, maar hij moest ze laten uit eigen vrije beweging. Dan eerst zou zijn gehoorzaamheid aan God en afkeer van de zonde waarde hebben voor God. Wellicht, dat ge nu iets verstaat van de schepping' van de mens naar Gods beeld en dat deze noodzakelijk meebracht, dat de mens naar vrije verkiezing moest kunnen handelen. Niet wat Gods besluit, maar wat Gods bevel zeide, daaraan had Adam zich te houden. En dat Adam de zonde en de Satan toeviel, o zeker, de Heere had zulks heel goed kunnen verhinderen, maar dan alleen als Hij de mens als een stok of een blok, als een redeloos schepsel gemaakt had; maar God kon dat niet doen, nu Hij de mens als beelddrager had gesteld, die een vrije beschikking over zijn wil had. Wat de gevolgtrekkingen van dit geschapen-zijn-naar-Gods-beeld nog meer zijn, in verband met Gods verborgen en geopenbaarde wil, komt in een volgend artikel nader aan de orde. Er liggen op dit terrein nog meer moeilijkheden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.