+ Meer informatie

IK HOOR HET WEL, MAAR HET RAAKT ME NIET

10 minuten leestijd

Dinsdagavond. Catechisatie. Een groepje van veertien jongeren in de leeftijd vanaf 16 jaar. Leuke jongelui. Positief ingesteld. Wie in onze omgeving die instelling mist, komt allang niet meer.

’Even een gesprekje buiten het boek om, jongens. Ik heb jullie hulp nodig. Moet een stukje schrijven. Voor dominees en ouderlingen, ’t Gaat over een lastige vraag. Dat Woord van God, hè….. Al die preken. De bijbel thuis aan tafel. Laatst zei iemand tegen me: ”Meneer, ik hoor het wel, maar het raakt me niet!” Herken je het? Wie van jullie heeft nou wel eens tijdens een preek, dat ie zegt: ”Kijk, dié is raak. Dat is voor mij?” Of dat je een warm gevoel van binnen krijgt?’

Spanning. Geen vingers. Eén van de veertien zie ik aarzelen. Doe ik het of doe ik het niet…? Niet dus. ’Herkennen jullie het probleem…?’ Drie vingers. ’Ik heb er niets aan.’ ’Het gaat volkomen langs me heen.’ De laatste, met zichtbare schaamte: ’Ik zou best anders willen , maar het zegt me niets!’

Twee dagen later. Enquêtewerk. In de wijk waar we druk evangeliseren. Ik bel aan. Mag binnenkomen. Jawel. Bij één op de drie of vier ben je welkom om eens vrijblijvend over het geloof te praten. Moeilijk natuurlijk voor een christelijk-gereformeerde dominee. Vrijblijvend…! Maar je móet wat. Als ik zit, stel ik mijn vragen. ’Geloven in God… maakt dat iets los bij u?’ Korte pauze. Dan het antwoord. Met een tegenvraag. ’Mij zegt het niets meer. Is God wel reëel voor u?’ Opnieuw een pauze. Ik spreek mijzelf toe. Nu niet ’de dominee’ zijn! Wees jezelf. Geen vrome bla-bla. Ik begin te praten. Vertel iets van wat ik als jongen van zestien van God ervaren heb. Hoe die ervaring zich in de loop van de tijd ontwikkeld heeft. Nadenkend over God sluipt soms de twijfel bij me binnen. God en de Golfoorlog. God en het psychiatrisch ziekenhuis… Het wordt een góed gesprek. Er wordt geluisterd. Vergis ik me of is er ook iets van respect?

’Je moet het Woord aan het woord durven laten’, heb ik tijdens mijn theologische opleiding geleerd. ’Alleen maar dóórgeven. Dan doet het Woord de rest. Gods Woord keert nooit leeg tot Hem terug.’ Zo ben ik opgevoed. En alleen op basis van dàt credo houd ik het vol om dominee te zijn. Ik ervaar dat ook. Dat de Heilige Geest niet afhankelijk is van mijn preekjes en mijn stukjes in het kerkblad. Hij gaat gewoon zijn gang. Dat zet ik dus voorop. Bij alles wat ik zeg en schrijf en doe. Daar bid ik om. ’Here, maak mijn stem, mijn tekstverwerker een instrument in uw hand…’ En dat zet ik ook achteraan bij al mijn werk. Daar eindig ik mee. Zodat ik hopelijk niet overspannen raak. Ik ben niet meer dan een dominee. Sola scriptura.

Maar nu dat stuk daar tussenin. Die preek waar ik verantwoordelijk voor ben. Die catechisaties. Dat huisbezoek. Op de een of andere manier staan ze niet los van mijn persoon. De Geest doet het. Helemaal. Maar ik moet preken, schrijven, catechiseren. Alsof het van mij afhangt…!

Voor wie preek ik eigenlijk? Voor mensen die hunkeren naar ervaring. Een ontmoeting met Christus zelf. Het leven in 1991 dreigt steeds meer ”genadeloos” te worden. Een leven zonder ziel. We zijn overladen. We eten onze buik vol. En toch… We voelen ons zo leeg en overbodig. Hopen op meer tussen hemel en aarde. Houvast. Geborgenheid. Een schouder. Diepte. Kwaliteit. GOD.

Tja… Is God er wel? Ook in deze tijd? In mijn boodschap willen de mensen iets ontdekken van de realiteit van Christus’ liefde. Dat Hij er gisteren was is bekend. Maar is Hij er ook vandaag? Achter de kassa in de supermarkt? In de collegezaal? Zal Hij er ook morgen zijn? Met Zijn zorg? Met Zijn genade? Voor mij…?

Ik verbeeld me niets. Story en Privé, Veronica en de TROS weten meer over de mensen voor wie ik preek, dan vijftien dominees bij elkaar. Daarom lees ik die bladen en kijk ik naar de televisie. Belangstellend. Want achter de New Kids on the Block, Anita Meyer en dokter Jan van der Woude zie ik de mensen, die (hopelijk) ook naar mijn preken luisteren…..

In het brengen van mijn boodschap moet ik eerlijk zijn. Geen godsdienstig verbalisme. Moderne mensen hebben dat snel door. Prikken daar doorheen. Glitter en glamour op de t.v. mag. In de evangelisatieverkondiging is het taboe. Wil het Woord de mensen raken, dan zal het authentiek moeten zijn. Doorleefd. Existentieel. Eet Martine Bijl ook zèlf de doperwtjes van Hak? Dat doet er weinig toe! Maar in mijn boodschap willen de mensen merken: die dominee heeft ook zelf gegeten van het levende brood, dat hij aanprijst!

Het evangelie is de waarheid, maar niet alle waarheid is ook evangelie. Dogmatisme is uit den boze. Voordat ik preek, terwijl ik preek en nadat ik gepreekt heb, moet ik luisteren. Naar het Woord. Naar de mensen. Permanente openheid voor de Ander en voor de ander. Wat betreft de ander met een kleine letter: ik probeer in mijn preken naast de mensen te zitten. Op huiskamertoon met hen te praten. Hun vragen bespreekbaar te maken. Zo alleen kan er sprake zijn van erkenning en herkenning. Voor mij is dat een van de mooiste trekken in de gesprekken van Jezus met de mensen. Met Nicodemus. Met de Samaritaanse vrouw. Dat Hij luistert. Respecteert. Aanvaardt. En vooral: door de juiste vragen te stellen laat zien: Ik weet wie je bent!

Ik vermijd scherpe confrontaties waarin afwijzing doorklinkt. Ik móet spreken over zonde. Om het oordeel kan ik niet heen. Maar ik probeer zó te spreken, dat respect voor en aanvaarding van de zondaar daarin doorklinken. Analyses van de tijdgeest, moderne ongeloof…? Brrr… Alsof ik zelf niet ook door die hond gebeten ben! Bij velen wekt het tegenzin. Die dominees altijd. Ik probeer nadruk te leggen op het positieve. De moderne tijd heeft ook zoveel goede trekken. Als Alexander in Handelingen 19 Paulus in bescherming neemt tegenover de Efeziërs, zegt hij: ’Want gij hebt deze mannen opgebracht, zonder dat zij tempelrovers zijn of onze godin lasteren’ (Hand. 19, 37). In een stad vol weerzinwekkende afgoderij heeft Paulus niet slècht over de godin Artemis gesproken. Hij heeft alleen góed over de Here Jezus gesproken!

Ik moet kort zijn in mijn formuleringen. Geen lange zinnen. Geen breed uitgesponnen gedachten. Dat betekent niet altijd, dat ik ook kort moet preken! Een korte preek kan best langdradig zijn. Als ik de kern niet raak. Als ik niet tot het hart van de mensen kom. Behalve kort moet ik vooral beeldend zijn. Een voortdurende zorg is: hoe kan ik zeggen wat ik zeggen moet op zo’n wijze, dat het overkomt en blijft hangen? Ik probeer iets te leren van de moderne reclame. Kijk veel naar billboards en advertenties.

Heel belangrijk is persoonlijke ontmoeting. De mensen willen niet alleen weten wat ik zèg, maar vooral wie ik bèn. Sta ik voor wat ik zeg? Ben ik op een manier ook zèlf een stukje ’vleesgeworden Woord’? Mijn ervaring in prediking en pastoraat is: je moet met de mensen eerst iets meegemaakt hebben om werkelijk hun vertrouwen te winnen, tot hun hart te kunnen spreken. Je kunt er in je preken iets aan doen door concreet te zijn. Door je te verplaatsen in de gedachten van een jongen, die morgenochtend rijexamen doet; een vrouw, die opziet tegen de week omdat haar man een zakenreis gaat maken; een oudere die naar het ziekenhuis moet om de pennen uit haar heup te laten verwijderen.

Succes verzekerd? Welnee. Dat is een van de grote spanningen in het leven van een ambtsdrager. Je hebt gedaan wat je kon. Al je gaven ingezet om het Woord tot voor de deur van het mensenhart te brengen. Je meende de stem van Christus zelf te horen: ’Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop!’ Nu zal toch die deur wel opengaan…! Maar op de klop wordt niet gereageerd. Niemand komt naar buiten om Hem binnen te laten. ’Ik hoor het wel, maar het raakt me niet…’

Ook dáárover praat ik met de mensen. Op de preekstoel. Op de catechisatie. Bij ze thuis. Ze waarderen het, dat de dominee zich kwetsbaar op durft te stellen. Ik stel niet het Woord discutabel. Als brenger van het Woord stel ik alleen mezèlf discutabel. ’Ligt het aan mij, dat je er zo weinig aan hebt? Kan het ook anders? Help me, alsjeblieft!’

Als dat geen resultaat oplevert, moet ik verder praten. ’Mag ik zo vrij zijn? Kan het ook aan ú liggen? Hoe komt u op zondag in de kerk? Hebt u gebeden voor de dominee? God gevraagd om een zegen? Hoe luistert u: bevooroordeeld, kritisch? Of met het verlangen om iets mee te krijgen?’ Soms confronteer ik mensen met zichzelf. Zet een leeg koffiekopje omgekeerd op het schoteltje. Zo doen wij nog wel eens tegenover God. Ik heb al gedronken… God wil zijn zegen aan mij kwijt. Maar kan ik die zegen ooit ontvangen als ik mijzelf daarvoor niet openstel? ’Dan zult gij mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij vraagt met uw ganse hart’ (Jer. 29, 13).

Een stapje verder. Wilt u eigenlijk wel geraakt worden? Godsdienst? Prima. Kerkgang? Akkoord. Maar vrijblijvend. Geen bekering. Niet zelden blokkeert een zondige levenswijze de weg waarlangs God zijn zegen schenkt. In het gesprek moet dat aan de oppervlakte komen. Op schuldbelijdenis moet worden aangedrongen. Sámen om vergeving vragen kan het begin zijn van een nieuwe ontvankelijkheid voor het Woord van God.

Alleen zonde? Vast niet. In de gelijdenis van de zaaier vertelt Jezus over de beslommeringen van het alledaagse leven, die zo gauw het Woord verstikken. Wat zijn we druk. Allemaal. Stellen we onze prioriteiten zuiver? Avondstudie. Carrière. ’Martha, Martha…’ (Luk. 10, 41). En dan het zaad, dat op steenachtige plaatsen valt. Strijden om in te gaan… Mag christen zijn ook iets kosten?

De moeilijkste trap in het gesprek. Je ontmoet ze steeds vaker. Het raakt ze ècht niet. Zijn ze afgestemd op een andere golflengte? Missen ze de antenne om de geluiden uit die andere wereld op te vangen? Je komt ze niet alleen tegen in het evangelisatiewerk. Ook in de kerk. Zelfs de elementaire begrippen uit het evangelie lijken bij hen niets los te maken. God? Wie of wat is dat? Verloren zonen? In veel gevallen zijn het kinderen en kleinkinderen van verloren zonen! De herinnering aan het Vaderhuis is weggezakt. Dat we bezig zijn met het verkwisten van Zijn bezit wordt niet erkend. Het gesprek met deze mensen brengt me steeds weer in verlegenheid. Waar moet ik beginnen? Waarop sluit ik aan? In de praktijk krijg je dikwijls nog de beste ingang bij hen die zijn vastgelopen. Slachtoffers van een godloze cultuur. ’Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig’, zegt Jezus, ’maar zij, die ziek zijn’ (Lukas 5, 31). Dat merk je. Met deze mensen probeer ik te spreken vanuit een sterk pastorale bewogenheid. Niet beschuldigend. Niet betweterig. Maar dienend, solidair. Moet de mens-zonder-God als de verloren zoon eerst honger en gebrek gaan lijden voordat er in zijn hart weer ruimte komt voor God? Soms denk ik het!

Als het hoe dan ook niet lukt…? Je woorden ketsen af. Je daden maken niets los. ’Ik hoor het wel, maar het raakt me niet…’ Dan keer ik terug naar mijn uitgangspunt. Ik ben geweest, die ik zijn moest. Niet minder, maar ook niet meer. Dienaar van het goddelijk Woord. God staat zelf in voor wat zijn Woord uitwerkt. Dat Woord zal niet leeg tot Hem terugkeren, maar het zal doen wat Hem behaagt en dat volbrengen, waartoe Hij het zendt (Jesaja 55, 11). Ik hoop niet, dat het verharding uitwerkt in het leven van de mensen tot wie ik dat Woord moest brengen. Daar bid ik om. Maar daarna laat ik het los. Het geheim van mijn ambtswerk ligt in één klein woordje: vanzelf. Het zaad van het evangelie komt op en groeit zonder dat de mensen, die het gezaaid heeft, zelf weet hoe. ’De grond brengt vanzelf vrucht voort…’ (Markus 4, 27.28).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.