+ Meer informatie

DE TOEKOMST VAN ONZE KERKEN

13 minuten leestijd

Hoe moeten we als Christelijke Gereformeerde Kerken de toekomst tegemoet? Die vraag roept een heleboel nevenvragen op. Wat is toekomst, waar en wanneer begint zij; zal er in de zin waarin we er in deze bedeling over spreken, nog wel sprake van toekomst zijn? Voor wie van ons zal er nog toekomst zijn; anders gezegd: hoeveel van die toekomst zullen wij, die op dit moment deel van de kerk mogen uitmaken, nog beleven? Toekomst, heeft een filosoof gezegd, is telkens weer het verleden door een andere deur binnengaan. Dat heeft iets in zich van wat ook in het boek Prediker over verleden en toekomst wordt gezegd. Wat geweest is zal er zijn…

Toch - en daarmee zou een poging tot antwoord kunnen beginnen - lijken wij te leven en zijn we Kerk in een fase van de wereldgeschiedenis, die sterk associaties oproept met wat Jezus Christus heeft gezegd over de Signalen van de eindtijd.

Voorzichtig met taxaties

We weten dat we met de taxaties van die Signalen in deze zin voorzichtig moeten zijn, dat ook vroegere tijden door verschrikkelijke en opmerkelijke dingen gekenmerkt zijn geweest. Honger heeft ook in het verleden miljoenen slachtoffers geëist; oorlogen zijn naar intensiteit en omvang in het verleden misschien vreselijker geweest, al mag men niet gering denken over wat er op kleinere schaal gebeurt, niet eens zo vreselijk ver bij ons vandaan. We hebben onze grote zorg over de ziekte aids (over niet al te lange tijd 40.000.000 mensen seropositief) en we zijn onthutst over de steeds sterker om zich heen grijpende ziekte kanker, die een duidelijk relatie lijkt te hebben met ons westerse milieu- en leefpatroon; maar we weten dat er tijden zijn geweest waarin de gesel van ziekten als pest en tyfus over de mensheid ging en miljoenen levens, al op zeer jonge leeftijd, opeiste. Vroeger waren het weer andere dingen die mensen beangstigden en in vrees deden leven. Er zijn ook in vroeger tijden omstandigheden en ontwikkelingen geweest, die mensen het gevoel gaven dat het met deze wereld op een einde moest lopen. Zelfs in de bijbeltijd was daarvan al sprake, in de eerste christengemeenten, die onder de druk van buitenaf de hoop en de gedachte hadden dat zij de verlossende terugkomst van Christus nog zouden meemaken.

Geen gemakkelijke keuze

Dat wil intussen niet zeggen dat wij in deze tijd niet alert zouden moeten zijn. Er zijn wel degelijk Signalen die ons lijken te bevestigen in het vermoeden dat wij het laatste hoofdstuk van de menselijke geschiedenis schrijven. Eén signaal moet ons al erg veel te zeggen hebben en dat is, dat de mens van een primitief natuurbestaan, aan het begin waarvan we blijkens de bijbelse boodschap ook al als God wilden zijn, zich heeft weten op te werken tot een niveau van leven, waarop hij zich bijna als God voelt, onder sterke afneming van het besef dat hij met zijn leven in alles op God is aangewezen. Deze geëmancipeerde mens, die het geheimenis van de omgang met God via het Woord, dat God door mensen aan mensen gaf, heeft verloren, weet niet meer goed of helemaal niet meer, hoe hij met het duizenden jaren geleden te boek gestelde Woord in een moderne wereld moet omgaan. En dat laatste manifesteert zich niet alleen buiten, maar ook in de kerk. Wie praat over ontkerkelijking, over afval van het geloof (immers ook een signaal van de eindtijd) moet niet allereerst denken aan ontbrekende of gebrekkige geloofsoverdracht door ouders op kinderen; ook niet aan hang van jongeren naar een werelds leven en een afkeer van wat muf en duf geloofsleven zou zijn. Ten diepste knaagt aan de wortel van de levens van veel mensen de Godsvraag, de vraag of God, zoals het christelijk geloof Hem belijdt, er werkelijk is en of wij werkelijk in alles tot deze God in een verhouding van persoonlijke verantwoordelijkheid staan. Er is twijfel of het Woord van God, die oude bijbel toch niet méér mensenwoord is dan waarvoor de orthodoxie het altijd heeft gehouden. Er is twijfel bij veel jonge mensen of men op dat punt in de kerk wel helemaal eerlijk met zichzelf en met elkaar omgaat en of niet veel christenen tussen orthodoxie en vrijzinnigheid zweven en met ambivalente gevoelens rondlopen. Wat is vandaag nu nog wel voluit en wat is niet meer helemaal waar? Misschien ook wij nog, maar zeker onze kinderen, zullen steeds sterker voor de vraag komen te staan of in een wereld als de onze de orthodoxe geloofsinventaris nog langer onverkort kan worden mee- en overgedragen. Het zal er steeds méér op aankomen een keuze te maken tussen eenvoudig en kinderlijk geloven op de wijze waarop het vrome voorgeslacht met de dingen omging, of geloven op een “eigentijdse” manier, waarbij het geloof steeds wordt bijgesteld op de produkten van de wetenschap en van het analytisch menselijk denken. Dat zal voor onze kinderen - en zij vormen de “toekomst” van onze kerken - geen gemakkelijke keuze zijn.

Verwondering over het ongelofelijke

Het zal voor hen die voor het eerste kiezen, erop aankomen te ontkomen aan de vanzelfsprekendheid waarmee in de kerk met wat we geloven wordt omgegaan. Die vanzelfsprekendheid hindert veel jonge mensen en doet hen twijfelen aan de waarde van het geloof. Toen Jezus bij zijn leven op aarde zich afvroeg of Hij bij zijn terugkomst nog geloof zou vinden op aarde, zal daarmee niet bedoeld zijn geweest of er aan het eind nog mensen zullen zijn, die een aantal rechtzinnigheden in theorie overeind hebben weten te houden, maar bedoeld zal zijn geweest een geloof, waarmee mensen in aanbidding van en verbazing en verwondering over het “ongelofelijke” van het Evangelie in alle sferen van hun bestaan, hoop en liefde uitstralen; als mensen aan wie de genade ten deel is gevallen door de Geest van Pinksteren te ontstijgen aan de doodse en dodelijke vanzelfsprekendheid waarmee in de kerk van Christus met de dingen van het geloof wordt omgegaan. Is er daarom zo weinig toekomstverwachting? Zou de afwezigheid dààrvan misschien het meest sprekende signaal van de eindtijd kunnen zijn?

Over de terugkomst van Jezus Christus, over de vemieuwing van hemel en aarde, wordt weinig of niet gesproken en maar zelden gepreekt. Er wordt ook weinig om gebeden. Maar juist als niemand het verwacht, beter gezegd als niemand het inwacht, zou het wel eens kunnen gebeuren. Ons spreken over de toekomst van onze kerken zal allereerst door de ernst van deze dingen moeten worden beheerst. Dat die ernst ons zo weinig beheerst, zou kunnen samenhangen met de verarming in de geloofsbeleving, waarover zoveel wordt geklaagd. Een verlevendiging daarvan is, als we aan de toekomst van onze kerken denken, onmiskenbaar een voorwaarde. Daaraan draagt niet alleen maar wel in belangrijke mate de prediking bij. Zij behoort dit althans te doen.

Heilige geestdrift

Is veel prediking vandaag niet te veel beschouwend en te weinig aansluitend bij, beter gezegd, te weinig toegespitst op de realiteit en de praktijk van het geestelijk leven van de luisterende gemeente? Zou het waar kunnen zijn dat veel prediking vandaag niet meer in staat is vanuit het Woord op overtuigende wijze aan te duiden wie God (voor ons) is en wie wij voor God zijn?

In dit verband zal onder beschouwende prediking moeten worden verstaan òf intellectualistische Verhandelingen over Gods Woord zonder toepasselijke spits naar het hart van de gemeente òf een uitstalling van schematische geloofswaarheden en geloofs-voorstellingen, zonder dat de gemeente heilzaam wordt opgeschrikt of verrassend getroost. Hoe komt het dat maar zo weinig prediking in staat is bij de gelovigen heilige geestdrift te wekken, zo men wil, de gemeente in (Schriftuurlijke) spirituele vervoering te brengen, zodat er via het geleide van de Heilige Geest onderling vonken overslaan?

Diepere beleving van de geloofsgeheimenissen

lemand heeft eens gezegd dat de eigenlijke liturgie begint als de kerk uitgaat, waarmee bedoeld werd dat het verkondigde Woord, als het goed is, zijn uitwerking zal vinden in het leven van de gelovigen van elke dag. Daarvan zal ook vandaag zeker nog sprake zijn, maar zou het ver naast de werkelijkheid zijn als wordt gesteld dat in veel gezinnen en in veel conversaties binnen de gemeente, de evaluate van en het vervolg op de zondagse prediking blijft steken in een kritische toetsing van vormgeving en presentatie en van de vaststelling van het soortelijk gewicht? De lof op het verkondigde Woord blijft dikwijls hangen in loftuitingen of misprijzende kritiek op de prediker, met voorbijgaan van het eigenlijke van de boodschap. Een diepere beleving van de geloofsgeheimenissen die in prediking en sacramenten naar voren komen, zal evenzeer een voorwaarde voor de toekomst van onze kerken zijn. Alleen in een rijkere beleving van die geheimenissen ligt ook de oplossing van de kerkelijke verdeeldheid. Terugdringing van die verdeeldheid is evenzeer een voorwaarde als we aan de toekomst van onze kerken denken.

Waarom en waardoor die vervreemding?

Mèt andere kerken op het gereformeerde erf verkeren ook wij in een situatie van groeps- en blokvorming die bij tijd en wijle een grimmig karakter dreigt aan te nemen. Het is niet de tegenstelling tussen waarheid en leugen die scheiding maakt. Schrift en belijdenis vormen nog altijd het gemeenschappelijk fundament, maar de vragen rond de invulling van de bijbelse boodschap in de prediking en de wijze waarop het Evangelie in het leven van elke dag toepassing vindt, scheppen tegenstellingen en veroorzaken verwijdering.

Het ene deel van de kerken meent bij het andere deel geringschatting van het geestelijk erfgoed der vaderen waar te nemen. Omgekeerd heerst de gedachte dat dit erfgoed in deze zin wordt verabsoluteerd, dat toetsing ervan vanuit de vragen waarvoor onze tijd ons plaatst, onmogelijk is omdat het onmiddellijk als een symptoom van verval of ketterij wordt aangemerkt. We leven binnen de kerken met “collectieven”, van waaruit de één niet meer tot de ander kan komen en die hun ontstaan voornamelijk danken aan verzelfstandiging en verabsolutering van bepaalde waarheden, met voorbijzien van de totale boodschap van de bijbel. Wat zijn we het in theorie dikwijls met elkaar eens. We voelen ons in ons zondaar zijn voor God en voor elkaar in alles gelijk, althans… We weten ons daarin allen aangewezen op Gods reddend handelen in Jezus Christus. We stemmen allen toe dat wij slechts in de weg van geloof en bekering, in de weg van de fundamentele vemieuwing van ons leven, deel aan het leven met Christus ontvangen. We weten allen - al blijkt dat in onze dagelijkse praktijk misschien maar al te weinig - dat zonder heiligmaking niemand God zal zien.

Over dit alles, dat toch het essentiële van het christelijk geloof vormt, zijn we het hartgrondig eens. Waarom dan toch die onderlinge geestelijke vervreemding? Wel, de ziekte van het kerkelijk leven, ook die van het onze, is dat de diepte en de rijkdom van deze dingen nog wel worden beleden, maar te weinig echt worden beleefd, te weinig een zodanig integrerend bestanddeel van ons leven zijn dat we, ieder vanuit eigen geestelijke belevingswereld, elkaar in de gemeente en in kerkelijke vergaderingen iets te vertellen hebben. Dààrom is er zoveel miskenning en misverstand en tekort aan onderling respect. Diepere bewustwording van het heil dat God ons schenkt, intensere viering van de geheimen die in dat heil verborgen zijn, méér onderlinge uitwisseling van wat wij in ons leven aan (vermaning) en vertroosting uit het Woord van God mogen ondervinden, dààrop komt het aan. En daaraan schort het. Veel kerkelijke bijeenkomsten, met bestuurlijke zowel als bezinnende onderwerpen op de agenda, blijven veelal steken in procedurele kwesties of theoretische beschouwingen. Een sfeer van viering, aanbidding, verwondering en gezamenlijke verootmoediging wordt er maar zelden aangetroffen. En als we zouden moeten constateren - en dat zullen we moeten - dat we onszelf en elkaar niet tot die hoogte kunnen opwerken, laten we dan samen bidden dat God ons geve, naar de rijkdom zijner heerlijkheid met kracht gesterkt te worden door zijn Geest in de inwendige mens, opdat Christus door het geloof in onze harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde, zullen wij dan, samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat wij vervuld worden tot alle volheid Gods.

Elkaar niet uitsluiten

Hoe nodig is het de Here te vragen door Zijn Woord en Geest in deze zin een mentaliteitsverandering te bewerken, dat we elkaar weer leren aanvaarden in de geest waarin de Schrift daarover spreekt. Dat houdt niet in dat principiële verschillen, als die er zouden zijn, moeten worden verdoezeld. Het aanvaarden van elkaar betekent evenmin dat we ons niet het sterkst verwant zouden mogen voelen aan die geestelijke tigging waarmee we door opvoeding, plaatselijk of regionaal godsdienstige cultuur en eigen geestelijke ervaring vergroeid raakten, maar het zal ons wel bewaren voor de geest van exclusivisme, die de ander per definitie uitsluit.

Eerlijke benadering van de dingen die ons scheiden en vriendelijke bejegening van elkaar sluiten elkaar binnen de gemeente van Christus niet uit.

In het achtste hoofdstuk van het boek Prediker staat te lezen: “De wijsheid van een mens doet zijn aangezicht lichten, zodat de hardheid daarvan verandert”. Aan wie vandaag rondkijkt in de kerk en aan wie de moed heeft om zelf voor de spiegel van Gods Woord te gaan staan, dringt zich het gebed op: Here, leert U ons vriendelijk te zijn en zachtmoedigheid te bewijzen aan alle mensen. Laat ons in deze boze en kille wereld elkaar in de gemeente van Uw lieve Zoon met van wijsheid lichtende aangezichten tegemoettreden en in een geest van ootmoed en bescheidenheid elkaar aanspreken op en elkaar toetsen aan de waarheid van Uw Woord. En dààraan alleen. “Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. Verdraagt elkander en vergeeft elkander, indien de één tegen de ander een grief heeft; gelijk ook de Here u vergeven heeft, doet ook gij evenzo. En doet bij dit alles de liefde aan, als de band der volmaaktheid. En de vrede van Christus, tot welke gij immers in één lichaam geroepen zijt, regere in uw harten” (Col. 3:12-15).

Ik wens de kerken, waarvan ik lid mag zijn, voor de toekomst deze gezindheid toe. Ik denk in dit verband ook aan de komende generale synode van Zierikzee, die menselijk gesproken voor de toekomst van onze kerken bepalend zal zijn. Mocht dààr maar eens iets zichtbaar en voelbaar zijn van deze gezindheid. Als die gezindheid hoofden en harten nu maar eens echt zou beheersen bij de beoordeling van en besluitvorming rond de zaken die daar over de tafel zullen gaan, dan hoeft niemand zich zorg te maken over de uitkomst. De eerste zorg mag en hoeft niet te zijn hoe de samenstelling van wat daar aan de tafels plaatsneemt er uitziet, wel hoe het er bij de broeders van binnen uitziet als de “scanner” van Colossenzen 3:12-15 over hen heengaat. Het zou goed zijn als alle afgevaardigden voor die tijd zich nog even aan dit onderzoek onderwierpen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.