+ Meer informatie

Kerkregering XI

11 minuten leestijd

Enkelvoudige candidaatstelling bij het beroepen van een predikant

In verschillende gemeenten past men tegenwoordig de enkelvoudige candidaatstelling bij het beroepen van een predikant toe. Soms ontvang ik daarover vragen een enkele maal van een kerkeraad maar meestal van gemeenteleden. Mijn antwoord komt dan onveranderlijk hierop neer: a er is geen formeel-kerkrechtelijk bezwaar tegen deze methode, b het is wel tegen de geest van de gereformeerde kerkregering zodat ik deze methode niet kan aanbevelen maar haar moet afraden. Het is mij echter gebleken dat men wel eens, om het maar zacht te zeggen, wat vreemd met deze adviezen of meningsuitingen omspringt, dat men ze niet begrijpt of soms misschien onvolledig doorgeeft als er over deze dingen gesproken wordt, en dat daardoor dan weer min of meer ernstige spanningen en wrijvingen ontstaan. Daarom lijkt het gewenst in drie artikelen een en ander nog eens duidelijk te zeggen en toe te lichten.

Wat het formeel-kerkrechtelijke betreft zijn we spoedig klaar. In geen enkel artikel van de Kerkorde wordt het stellen van bijv. een dubbelgetal bij het beroepen van een predikant voorgeschreven. Noch in artikel 4, waarin het gaat over het beroepen van iemand, die nog tot de dienst des Woords en der sacramenten moet worden toegelaten, dus een candidaat, noch in artikel 5, dat handelt over de beroeping van iemand die reeds als predikant werkzaam is, wordt het stellen van een meervoudige candidatenlijst voorgeschreven of het beroepen bij enkelvoudige candidaatstelling verboden. Formeel kerkrechtelijk gezien is een kerkeraad bij enkelvoudige candidaatstelling niet in overtreding. Maar daarmee zijn we toch niet klaar.

Want waar gaat het in dit verband om? Om niets meer of minder dan het recht der gemeente. De gemeente heeft het recht van verkiezing. Dit is een Schriftuurlijk beginsel. In de Oude Kerk werd dit beginsel toegepast. Onder de Roomse hiërarchie ging dit beginsel teloor. Maar de Reformatie heeft dit beginsel weer hersteld. Wel oefent de gemeente dit recht uit onder leiding van het door Christus ingestelde ambt, zoals reeds bij de vervulling van de Apostel-vacature blijkt, Hand. 1, maar het is en blijft het recht der gemeente. Niemand heeft het recht van God gekregen om aan Zijn gemeente zijn eigen wil op te leggen of haar zijn keuze op te dringen, want niemand mag heerschappij voeren over het erfdeel des Heren, 1 Petr. 5 : 3. Dit wordt in dit verband niet gezegd tot buitenstaanders maar juist tot ambtsdragers, tot de ouderlingen. Met volkomen instemming citeer ik hier prof. dr H. Bouwman, die in zijn Geref. Kerkercht, I, 377 zegt: „Hieruit (nl. uit wat hij in de vorige bladzijden betoogd heeft, H.), blijkt, dat de verkiezing is het recht der gemeente, maar met dien verstande, dat de gemeente niet is eene groep van losse individuen, niet eene vereeniging, die door den wil van menschen tot stand komt, maar een organisme, een stichting van Christus, die als haar heer en hoofd haar regeert en verzorgt. Daarom mag ook geen willekeur heerschen in de gemeente, maar moeten ambtsdragers en leden in alles handelen naar den wil van Christus. Eerst wanneer al de delen van het organisch geheel der gemeente, alle naar eigen plaats en roeping, samenwerken in harmonisch verband, wordt de orde, door Christus gesteld, gehandhaafd. Bij de verkiezing moet het recht van de leden der gemeente en tevens de leidende macht der opzieners niet worden aangetast. De opzieners zijn krachtens hun ambt verantwoordelijk, dat de gemeente leeft naar de orde, door Christus gesteld, en moeten daarom zorgen, dat bekwame en geschikte mannen voor het ambt gekozen en in den dienst gesteld worden. Maar de opzieners zijn geen heerschers, die over de gemeente als over onderdanen macht uitoefenen, want er is maar één Heer in de gemeente, namelijk Christus, die zijn volk heeft vrijgekocht en geroepen om als profeten, priesters en koningen hun Verlosser te eeren, en de opzieners zijn dienaren van Christus, om zijne gemeente te leiden naar zijn woord … Keuze van de gemeente en leiding door het ambt behooren samen te gaan.” Tot zover Bouwman.

Het is voor ons doel niet nodig een historisch overzicht van de toepassing van dit recht in de reformatorische kerken te geven. Genoeg zij op te merken dat er altoos machten waren, zowel binnen als buiten de kerk, die inbreuk op dit recht der gemeente poogden te maken, maar tevens dient er op gewezen dat de kerken zelf dit recht verdedigden en zoveel mogelijk in praktijk zochten te brengen.

Het is misschien goed even het volgende naar voren te brengen.

In de eerste plaats wil ik dan herinneren aan wat het Convent van Wezel, 1568, dat mee de constituering van het verband der gereformeerde kerken in ons land voorbereidde, uitsprak. In Hoofdstuk II, § 4, van de Wezelse artikelen wordt gezegd dat een dubbelgetal van personen aan het volk, d.i. aan de gemeente, moet worden bekend gemaakt, „waarvan vervolgens het halve deel dooide stemming der afzonderlijke gemeenteledeen gekozen” zal worden, waarbij met nadruk dit motief wordt vermeld: „opdat aan de ouderlingen niet meer macht en vrijheid dan billijk is tegenover het volk toegestaan worde.” Hier wordt dus aan de gemeente de verkiezing gegeven, zij het dan ook onder leiding van het ambt.

In de tweede plaats wijs ik op wat Voetius, 1589-1676, de grootmeester van het gereformeerde kerkrecht, hierover zegt in zijn Politica Ecclesiastica. Hij zegt dat het van het begin der reformatie in verschillende kerken in ons land gewoon was en nu nog is dat de leden der gemeente uit drie of vier genomineerden kiezen, Tom. I, p. 555. Uit deze mededelingen van Voetius blijkt dus dat het op vele plaatsen gewoonte was geworden het tweetal tot een drie- of viertal uit te breiden. Dat betekent dus dat men het recht der gemeente om te kiezen erkende en in praktijk bracht.

Later is men van deze regel meer en meer afgegaan. Alles raakte in verval, ook de toepassing van het gereformeerde kerkrecht. De kerken der Afscheiding in de vorige eeuw zijn echter weer tot de goede oude regel teruggekeerd. En zo is het in onze kerken na 1892 ook altijd geweest.

In de laatste jaren is nu op enkele plaatsen de enkelvoudige candidaatstelling gekomen. Maar daarmede wordt naar mijn overtuiging in wezen weer tekort gedaan aan het recht der gemeente om te kiezen. Meestal wordt bepaald dat iemand dan pas als gekozen door de gemeente wordt aangemerkt indien bijv. 75 % of 80 % van de aanwezige stemgerechtigde leden er voor is dat hij beroepen wordt. Haalt iemand dit percentage niet dan gaat de beroeping bij enkelvoudige candidaatstelling niet door.

Maar de vraag is waarom men geen genoegen neemt met de eenvoudige meerderheid, dus laten we zeggen 51 %? Het ligt m.i. in de lijn der ontwikkeling dat men daartoe langzamerhand komt. Is men eenmaal de weg der enkelvoudige candidaatstelling opgegaan dan is het logisch dat men tenslotte genoegen neemt met 51 %. Men werpe niet tegen dat een „beroep bij acclamatie” (acclamatie betekent zoveel als met algemene stemmen), toch ook een enkelvoudige candidaatstelling is. Formeel moge er enige overeenkomst zijn, zakelijk is er groot verschil omdat vanouds in onze kerken de regel gold dat zulk een beroep geen voortgang kon vinden indien er één of twee leden op tegen waren. In dat geval trok de kerkeraad zijn voorstel in om later met een tweetal te komen. En meer dan eens is het voorgekomen dat de andere candidaat op het tweetal toch meer, soms veel meer, stemmen kreeg dan die ene of die twee die tegen het beroepen van de eerst door de kerkeraad voorgestelde candidaat waren. Dit kan ook gemakkelijk gebeuren bij enkelvoudige cardidaatstelling zoals thans hier en daar gebruikelijk. Verschillende leden die toestemmen de voorgestelde candidaat bij enkelvoudige candidaatstelling te beroepen kiezen misschien een ander als hun keuze gegeven wordt. Bovendien moet een kerkeraad er voor waken niet de indruk te wekken een bepaald persoon aan de gemeente te willen opdringen. De kerkeraad moet in alles het recht der gemeente erkennen. Wel heeft de kerkeraad leiding te geven maar de kerkeraad mag aan het recht der gemeente niet tornen. Nu ben ik er mij wel van bewust dat de kerkeraden, die enkelvoudige candidaatstelling invoeren, dit niet doen om het recht der gemeente te bekorten maar uit zgn. praktische overwegingen. Men redeneert dan ongeveer als volgt: Als wij een tweetal stellen en de uit dat tweetal gekozen en beroepene bedankt, dan kunnen wij moeilijk de persoon, die afviel, weer op een tweetal plaatsen. Mocht hij dan gekozen worden dan zal hij zulk een beroep niet zo heel ernstig (kunnen) opnemen — hij zal zich gepasseerd voelen omdat hij niet bij de eerste verkiezing gekozen is en zo zal een dergelijk beroep op een teleurstelling uitlopen. En de conclusie van de kerkeraad is: bij het stellen van een tweetal zijn wij twee kwijt als de eerste bedankt.

Deze redenering is m.i. verkeerd. Zij is naar mijn overtuiging een stukje wereld-gelijkvormigheid, d.i. denken volgens het schema van de wereld, want zij miskent het zeer bijzondere karakter van de kerk en het kerkelijk leven, of anders gezegd, zij miskent ten diepste de leiding van de Heilige Geest in het beroepingswerk, zowel in het beroepen als in het nemen van een beslissing inzake een uitgebracht beroep. Een predikant, die voor de tweede maal op een tweetal staande, beroepen wordt en zich dan gegriefd of gepasseerd gevoelt, omdat hij niet de eerste keer gekozen werd, laat daarin zijn zondige, hoogmoedige natuur spreken en is dus op z’n zachtst uitgedrukt „niet op zijn plaats”. En mogen de kerkeraden van de veronderstelling uitgaan dat het zo met onze predikanten gesteld is? Wie of wat geeft hun daartoe het recht? Moeten de kerkeraden niet veeleer uitgaan van de gedachte dat elke predikant onzer kerken elk beroep ernstig en biddend overweegt, ook al is dat beroep pas uitgebracht nadat hij voor de tweede maal op het tweetal was geplaatst? En mochten sommige kerkeraden toch zulk een mentaliteit bij een predikant opmerken, dan hebben zij hem broederlijk onder het oog te brengen dat zijn instelling niet naar Gods Woord, niet naar de Geest van Christus is. En zou een predikant om die (verkeerde) reden dan toch bedanken, welnu … dan kan zo’n gemeente alleen maar dankbaar zijn dat hij niet komt!

In het dagblad Trouw van 22 febr. 1965 trof ik een stukje aan onder de titel „Veel narigheid in het beroepingswerk door een funeste legende”. Het blad haalt een stukje aan van ds M. Groenenberg, ned. herv. pred. te Utrecht, in Hervormd Utrecht. Ds Groenenberg heeft het ook over deze zaak Hij schrijft: „Men heeft een aantal predikanten gehoord, laten we zeggen: vier. (Ds G. bedoelt hier het horen door een hoorcommissie). Men heeft op een van de vier tenslotte een beroep uitgebracht. Als deze ene bedankt, meent men, dat men nu niet één van de andere drie kan nemen. Men denkt, dat die andere drie zich gediscrimineerd zullen voelen en met hoongelach een beroep zullen ontvangen: ja, nu zijn wij goed genoeg! tweede keus, enz., enz. Maar ook deze veronderstellingen kloppen niet. In de eerste plaats zijn dominees niet zulke overgevoelige wezens. In de tweede plaats weten ze heus wel, hoe het in het beroepingswerk ligt en dat de keuze van de één nog niet de verwerping van de ander inhoudt. Het is geen verschil van honderd procent, maar soms van enkele procenten … Soms verschilt het oordeel zo weinig, dat men net zo goed de een als de ander had kunnen beroepen”. Ds Groenenberg maakt nog meer behartigenswaardige opmerkingen, maar die laten we nu rusten.

Op één bezwaar tegen enkelvoudige candidaatstelling wil ik nog wijzen. Naar ik meen geschiedt het voorstel daartoe in een vergadering van de kerkeraad met de stemgerechtigde leden der gemeente waarbij dan de mondelinge instemming van de leden wordt gevraagd. Dit kan funest werken in een gemeente en is m.i. geheel onjuist. De leden, misschien zijn het er maar weinig misschien zijn het er veel, die zich tegen het voorstel van de kerkeraad kanten, worden dan heel gemakkelijk als opposanten, als lastige leden, of iets dergelijks gezien en door velen misschien zo gebrandmerkt. Dat is fout. En de kerkeraad kan zulks voorkomen door het recht der gemeente en dus ook het recht van ieder lid der gemeente om te kiezen te erkennen. Ik wil nu besluiten met een citaat van dr F. L. Bos, een citaat waarmee ik het van harte eens ben. Het luidt: „De kerkeraad stelle... indien enigszins mogelijk een meervoudig tal op van zijns inziens geschikte personen, en biede aan de gemeente gelegenheid om daaruit een keuze te doen. Deze regeling … handhaaft de volle verantwoordelijkheid van de kerkeraad, terwijl zij ook aan de schriftuurlijke invloed der gemeente recht laat wedervaren”. De Orde der kerk, ’s-Gravenhage, 1950, blz. 20.

Apeldoorn.


Ambtelijk contact in de vakantie

Het eerstvolgende nummer van Ambtelijk Contact zal het septembernummer zijn. In augustus komt er, zoals gebruikelijk, geen blad uit. Met ingang van september hopen wij de nummers weer geregeld en in het begin van de maand te doen verschijnen. Het rhythme was er, onder andere als gevolg van de verhuizing van de redactie-secretaris, de laatste tijd wat uit. Ons excuus daarvoor aan de lezers; na de vakanties zal dit euvel weer zijn hersteld.

De redactieraad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.