+ Meer informatie

GEWIJDE GESCHIEDENIS N.T.

4 minuten leestijd

(Luc. 10 : 25—37.)

De barmhartige Samaritaan.

I. aanleiding tot deze gelijkenis,

II. toelichting op deze gelijkenis,

III. doel van deze gelijkenis.

I.

De aanleiding tot het uitspreken van deze gelijkenis is gelegen in een gesprek, dat de Heere Jezus met een Wetgeleerde had.

Deze Wetgeleerde had de vraag gesteld: „Wat doende zal ik het eeuwige leven beërven".

De rijke jongeling heeft later dezelfde vraag gesteld. Deze jongeling deed echter de vraag uit geheel andere motieven.

Hij was werkelijk begerig te weten te komen, hoe hij het eeuwige leven kon verkrijgen, terwijl van deze Wetgeleerde staat opgetekend, dat hij deze vraag deed, om Jezus te verzoeken. •

De Heere laat hem zelf het antwoord geven door de vraag te stellen: „Wat is in de Wet geschreven, hoe leest gij? "

Zijn antwoord bevat de gehele hoofdsom der Wet. God lief te hebben boven alles en de naaste als zichzelve.

Het komt echter niet alleen aan op het neten, maar vooral op het doen.

Vandaar dat de Heere zegt: „Doe dat en gij zult leven".

Dit antwoord maakt de Wetgeleerde onrustig.

Mogelijk zal de Heere hem een antwoord geven waardoor hij zijn geweten het zwijgen kan opleggen.

Daarom komt hij met een andere vraag: „En wie is mijn naaste? "

De Heere geeft hem geen rechtstreeks antwoord.

Hij zal het antwoord laten geven door de hoofdpersoon van de gelijkenis, die hij gaat vertellen, n.1. door een Samaritaan.

Zo duidelijk zal het antwoord zijn, dat de Wetgeleerde er door beschaamd zal worden.

II.

In de gelijkenis stelt de Heere een Joods man voor, die van Jeruzalem naar Jericho reist. Jeruzalem lag hoog, en Jericho laag.

Men ging op die zeven uren lange weg steeds naar beneden.

Omdat die weg zo onveilig was werd er weinig gebruik van gemaakt.

Men maakte liever een gr^te omweg' en ging dan over Bethlehem naar Jericho.

Die man wordt door struikrovers overvallen.

Ze beroven hem van alles en laten hem meer dood dan levend langs de weg liggen.

Wie zou niet met deernis vervuld worden als hij zulk een ellendige, die door bloedverlies moet sterven, ziet liggen ?

Er zijn ook godsdienstige mensen die schier net zo hard zijn als rovers.

Mensen van wie men toch zou mogen verwachten dat zij het gebod van naastenliefde in de practijk zullen brengen.

We lezen: „Bij geval kwam daar een priester voorbij." Dat wil zeggen: door een samenloop van omstandigheden.

Voor God is er niets toevallig.

Hij bestiert alles.

Zijn Voorzienigheid gaat over alle dingen.

De priester ging echter voorbij, niet omdat hij die eillendige niet gezien had, maar omdat hij niet in moeite wilde komen en helaas geen deernis gevoelde met het lot van anderen.

Nu komt er een Leviet.

Maar deze is nog hardvochtiger.

Hij komt naderbij en ziet de beklagenswaardige man, maar denkt er niet aan hem te helpen.

Nu verschijnt een Samaritaan op het toneel.

Van hem heeft hij niets te verwachten.

De Joden kunnen de Samaritanen, en de Samaritanen kunnen de Joden niet verdragen.

En toch, deze Samaritaan, komt naderbij, giet wijn en olie in de wonden, verbindt ze, neemt de man op en legt hem op zijn ezel, loopt er zelf naast en laat hem verder op zijn kosten in de herberg verplegen.

In bijzonderheden schetst de Heere Jezus het liefdewerk van de Samaritaan.

III.

Het dool, waarmede de Heere deze gelijkenis heeft uitgesproken, blijkt duidelijk uit de vraag die Hij thans aan de Wetgeleerde doet.

De Wetgeleerde moet zelf het antwoord geven.

De Heere vraagt: „Wie van deze drie dunkt U de naaste geweest te zijn desgenen, die onder de moordenaars gevallen was? "

De Wetgeleerde had gevraagd: „Wie is mijn naaste? " Hier is op die vraag een duidelijk antwoord.

Neen, die Wetgeleerde wil die gehate naam niet noemen, maar zegt toch: „Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft."

De Heere gebiedt hem insgelijks te doen.

Wij worden opgewekt om barmhartigheid te doen, niet alleen aan degenen die vele uren van ons verwijderd zijn, maar vooral aan degenen die God op onze Weg brengt, met wie Hij ons in contact brengt.

Van nature woont in ons hart het Kaïns' beginsel ook, al zijn we vrome lieden: „ben ik mijns broeders hoeder? "

Ware barmhartigheid kunnen we bewijzen, als ons barmhartigheid geschied is en wij door genade gemeenschap mogen hebben met Hem, die als de medelijdende en Barmhartige Hogepriester altijd leeft om voor Zijn ellendig volk te bidden.

Nooddruftigen zal Hij verschonen,

Aan armen uit gena,

Zijn hulpe ter verlossing tonen Hij slaat hun zielen ga.

Bronnen:

Dë.chsel.

Matthew Henry.

Stock Renkema.

Knap Gelijkenissen.

Sillevis Smit.

1. Mag men om naastenliefde te beoefenen zichzelf in gevaar begeven?

2. Van wie zijn wij de naasten?

3. Zijn de vloekpsalmen niet in strijd met de naastenliefde ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.