+ Meer informatie

DE DISCUSSIE

8 minuten leestijd

De voorzitter van de conferentie vroeg mij in enkele hoofdpunten de discussie van de middagvergadering weer te geven. Hij gaf mij verlof om eventueel aan het eind daarvan een persoonlijke impressie van de bespreking te geven.

Er waren heel wat schriftelijke vragen, die vóór het begin van de middagvergadering door de voorzitter konden worden ingezien.

Niettemin werd begonnen met een ronde mondelinge vragen. Dat gaf direct ai een levendig karakter aan de bijeenkomst. Nadat deze beantwoord waren, werden de schriftelijk ingediende vragen in de bespreking betrokken.

De aanwezigen, vragenstellers of niet, kregen de gelegenheid om tussentijds nader bescheid te vragen dan wel tegenwerpingen te maken. De voorzitter kweet zich uitstekend van zijn taak, ook in dat opzicht dat hij zelf als man midden uit de praktijk van ons kerkelijk leven sommige antwoorden wat aan de kritische toetsing van de praktijk onderwierp; of op zijn minst daarmee vergeleek. Dat voorkwam de indruk van vraagen antwoordspel.

Ik noem nu enkele hoofdpunten. Tegen ds. Den Butter werd in verschillende bewoordingen als bezwaar ingebracht dat hij tijdloos, zwart-wit of in een scheiding van ziel en lichaam zou hebben gesproken. Zijn antwoord daarop was, dat dit geenszins zijn bedoeling was geweest. Hij was van de laatst genoemde tegenstelling zeker geen voorstander. Wel wilde hij een bepaalde volgorde vast houden. Het geestelijke gaat voorop, het lichamelijke komt daarachteraan.

Ds. Den Hertog werd vooral ondervraagd over zijn uitspraak, dat de wet niet gehandhaafd, maar wel gepredikt moet worden. Het bleek dat hij wil voorkomen dat er allerlei regels als vast overgeleverd worden doorgevoerd, terwijl men de mens daarachter niet ziet. Hij wees tuchtoefening niet af, maar, als ik het goed begrepen heb, wees die vooral aan de prediking toe. In het Woord en in de prediking daarvan moet zij geschieden. Dit leverde hem de kritische vraag op, waarom hij wel in het eerste en tweede stuk van de Catechismus onderscheidend wilde preken, maar waarom niet in het derde stuk. Een dergelijke scheiding lag niet in zijn bedoeling. Hij hield staande dat handhaven van de wet gemakkelijk leidt tot hoogmoed en tot wetticisme. Men houdt vast aan een uitleg die in andere tijden niet meer geldt, terwijl men tegelijk te weinig doet; men beperkt zich dan tot een minimum. Men legt zich al te zeer vast. Men moet de mens in het oog hebben. Het gaat erom in de prediking te zoeken naar de weg.

Ds. Den Butter werd gevraagd of hij wel voldoende oog heeft voor de beloften van God. Hij benadrukte immers zo sterk dat ook de verbondskinderen, net als de heidenen, in zichzelf verdorven zijn en wedergeboren moeten worden. Zijn antwoord bevatte een verwijzing naar de onderscheiding van prof. Kremer over de relatie tot Adam en die tot Abraham. De Abrahamsrelatie doet die tot Adam niet te niet. Wel moeten de beloften voluit verkondigd worden.

Aan ds. Den Hertog werd gevraagd of hij niet objectief bezig was geweest en of christologisch preken wel een goede uitdrukking was. Hij bleef het voor de laatste term opnemen en benadrukte dat God het eigenlijke werk doet; dit ook tegenover het bezwaar dat hij zou menen dat alle gemeenteleden reeds wedergeboren zijn.

Een spannend moment ontstond toen ds. Nieuwenhuijze herinnerde aan de tegenstelling tussen ds. Joffers en Brummelkamp in de afgescheiden kerken van de vorige eeuw. Toen heeft men elkaar aanvaard en vastgehouden. Dat moet nu ook gebeuren. Ds. Den Butter was van mening dat de huidige tegenstelling daar niet (meer) ligt. Op het punt van de beloften zijn we het wel eens, meende ik te mogen beluisteren. De vraag is nu veel meer of de radicale verdorvenheid van de mens en zijn onmacht ten goede en daarmee de absolute noodzaak van de wedergeboorte nog wel door allen beleden wordt. Hier greep ds. Boersma met een bewogen woord op de discussie in. Hij meende dat ieder zichzelf moet onderzoeken of hij dit wel tot zijn recht doet komen. Anders zou de kloof wel erg diep zijn in ons kerkelijke leven. Ds. Den Hertog werd gevraagd duidelijk te zeggen dat hij de verdorvenheid en de noodzaak van de wedergeboorte inderdaad leert en belijdt. Hij proefde iets van wantrouwen in deze vraag en had er moeite mee dat deze zo gesteld werd. Hij begint bij de mens van 1985 - met een verwijzing naar de aanpak van Helenius de Cock. God komt tot deze mens. Hij wees een beschrijving van de doodsstaat van de mens af, maar wilde in de prediking van het evangelie daaraan wel ten volle ruimte geven. Den Butter benadrukte dat de diepe verdorvenheid enerzijds door een arminiaanse en anderzijds door een barthiaanse prediking niet meer ten volle erkend wordt. Koole vroeg zich af of deze totale verlorenheid wel voldoende onderkend wordt. Er is verschil in de praktijk. Doch dat was er in de vorige eeuw, zelfs nog kort voor de vereniging in 1869 werden over en weer verwijten gedaan. Toch kwam het tot een hartelijke vereniging. We lopen wederzijds gevaar eenzijdig te worden. Er moet een wederzijds genezingsproces komen, zo merkte Boersma op.

Ds. Den Butter zei desgevraagd dat hij de nieuwe hermeneutiek om het liefdegebod bovenal te stellen niet nodig had. Ds. Den Hertog, door de voorzitter daartoe dringend uitgenodigd, zei dat deze kwestie ai besproken was bij de discussie over de prediking van de wet.

Ook het onderwerp bevinding kwam aan de orde. Den Hertog benadrukte de verbinding tussen bevinding en belofte, terwijl Den Butter meer, zoals werd opgemerkt, het geheel van de ervaringen van Gods volk eronder verstond. Tenslotte werd gevraagd, of de sprekers ieder hun mening wilden geven over het referaat van de ander. Dat deze vraag, die schriftelijk was binnengekomen, in de vergadering aan beide referenten kon worden voorgelegd, was een teken van de goede sfeer. Soms was er een hartelijke ontspannende lach, die deed weten dat er niets was van de krampachtigheid van een gevecht tussen twee partijen.

Den Hertog vond dat Den Butter bij de eeuwigheid begon en zo naar de tijd toeging. Hij zelf zocht zijn uitgangspunt in: hier sta ik, hier en nu. Het gaat erom dat het Woord nu tot mij komt om mij een weg verder te wijzen. We moeten ophouden elkaar etiketten op te plakken. We moeten samen verder. Wel vroeg hij zich af of wel helemaal boven water was gekomen waar de schoen wringt.

Den Butter stelde dat niet alles in het referaat van Den Hertog hem duidelijk was geworden. Tegenover het verwijt aan hemzelf van zwart-wit vond hij zijn medereferent soms wat grijs in zijn betoog. Het was een ja en een neen. In elk geval kon hij er niet mee uit de voeten, maar stelde wel dat er aanknopingspunten zijn voor verder gesprek. De brug is niet opgehaald, was zijn conclusie.

Deze bespreking heeft bij mij de indruk achtergelaten dat het goed is, ja noodzakelijk om met elkaar over deze ingrijpende dingen te spreken. Ik acht een conferentie als deze allerminst verspilde tijd. Ik zou me kunnen voorstellen dat er andere volgen. Ik zou dat op prijs stellen, zonder hiermee te zeggen dat elke conferentie zo’n verloop moet hebben.

Er was een voorzichtige, broederlijke benadering van elkaar. De voorzitter wees er soms terecht op dat de dingen toch wel scherper liggen dan ze in de discussie verwoord werden.

Twee vragen blijven mij bezighouden: Is het wel juist om te zeggen dat de een bij de eeuwigheid begint en de ander in de tijd? Ik kan me niet aan de indruk onttrekken - ik schrijf deze regels enkele dagen na de conferentie, nu ik wat afstand heb kunnen nemen - dat de een meer wil beginnen vanuit wat het Woord zegt en wat hij naar de belijdenis der kerk uit het Woord heeft gehoord. De ander zal dat gehoorde niet willen loochenen, maar begint niet met iets voorop te stellen. Hij begint met de mens die zijn weg door het Woord gewezen moet krijgen. Soms vraag ik me af: ligt hierachter niet de onderscheiding: het belijden en de belijdenis. Ik denk dat we ze beide nodig hebben. Doch dan kan men zich niet op één methode of vertrekpunt vast leggen.

Het andere punt dat mij bezighoudt, is de prediking van de wet. Ook hier proef ik een onderscheiding die niet terecht gemaakt wordt. Ik heb zelf in de discussie daarop gewezen. Hanteert men de wet niet wettisch als zij gepredikt wordt, en gebeurt dat wel wettisch als er consequenties uit getrokken worden? Of moet de prediking de mogelijkheid van een andere invulling van de wet open houden? Hangt dit probleem misschien toch met het eerstgenoemde samen?

In elk geval vond Den Hertog dat de hermeneutische vragen hier beslist worden. Ik denk dat hij gelijk heeft. Juist daarom is het zo belangrijk waar men begint.

Met deze overweging besluit ik de globale weergave van de bespreking.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.