+ Meer informatie

‘GA IN DE BINNENKAMER…’

10 minuten leestijd

De ‘binnenkant’ van het leven van een ambtsdrager

De redactie heeft mij gevraagd een artikel te schrijven over—wat je zou kunnen noemen—de ‘binnenkant’ van het leven van een ambtsdrager. Dan gaat het om allerlei vragen, zoals: hoe ga je om met je verkiezing en benoeming, hoe verwerk je moeiten en kritiek, hoe bereid je je voor op een bezoek etc. etc? Het zal duidelijk zijn, dat het dan niet om kleinigheden gaat, of om wat als vanzelfsprekend verondersteld mag worden. We leven in een tijd, waarin we—ik zinspeel op een woord van Jezus—de wereld lijken te hebben gewonnen, maar stellig schade hebben geleden aan onze ziel. Ik overdrijf helaas niet als ik stel dat er sprake is van ernstige verwaarlozing van het innerlijk. Dat heeft stellig te maken met het gegeven dat Nederland één van de landen met de hoogste werkdruk is. Wie in de gemeente zijn oor te luisteren legt, merkt daar onvermijdelijk het nodige van. Wanneer je als kerkenraad je bezighoudt met kandidaatstelling komt het allemaal onontwijkbaar op je af. Wie heeft er nog tijd voor werk in de kerk? Hoevelen zijn niet uitgeblust, of ‘burn out’ zoals dat vandaag heet?

Om nogmaals naar een woord van Jezus te verwijzen—de kinderen van deze wereld hebben de dingen vaak eerder door dan wij in de kerk. We zien om ons heen mensen op zoek naar hun binnenkant, door bijvoorbeeld vormen van meditatie uit te proberen of aandacht te geven aan de ervaring. De reclame speelt op die ontwikkeling in, door een appèl te doen op de behoefte aan rust: ‘Ja, ik ben wel die en die bekende figuur, maar nu even niet!’. Dat doen de reclamemakers, omdat ze denken dat dàt aansluit bij hoe de mensen zich voelen. Nu, als die behoefte aan rust en tot jezelf komen om ons heen gesignaleerd wordt, zal dat ook in de kerk het geval zijn.

De binnenkamer

Niettemin—als we dat in de kerk onder ogen zien, doen we dat—als het goed is—op een eigen manier, namelijk door eerst grondig te luisteren. Ik heb hierboven twee keer gezinspeeld op enkele woorden van Jezus, zoals die ons in de Evangeliën overgeleverd zijn. Dat mag, als je maar beseft dat een dergelijk gebruik—als illustratieve verwijzing—gevaren in zich bergt. Omdat het woorden van Christus, van God, zijn, komt het er op aan ze goed te horen en op ons in te laten werken. Dan alleen komen we er achter wat de zeggingskracht van die woorden is.

Daarom ga ik in dit artikel over de ‘binnenkamer’ eerst luisteren naar wat Jezus er in de Bergrede over heeft gezegd. Hij spreekt erover in een verband, waar Hij een tegenstelling maakt met de buitenkant van het leven met God. In Mattheüs 6 heeft Hij het steeds weer over een ‘je aan de mensen vertonen’. We zeggen het vandaag anders, maar de werkelijkheid kennen we allemaal. Het accent ligt op de vraag hoe je overkomt. Er is ontegenzeggelijk een druk—van binnen, vanuit jezelf, en van buiten af, uit de samenleving—om ‘echt’te zijn, om over ervaringen te spreken, om iets uit te stralen. In de politiek neemt het ‘mannetjes maken’ grote vormen aan. De dictatuur van de opiniepeilingen maakt het heel moeilijk om gewoon jezelf te zijn, vooral als je je al heel lang door die opiniepeilingen hebt laten bepalen. In de kerk ervaren we iets van diezelfde druk, als er gesproken wordt over ‘aanstekelijk christen zijn’ of iets van dien aard. Voor een goed begrip: ik besef heel goed, dat het in de wereld van vandaag, waarin het christen zijn minder vanzelfsprekend is dan ooit, heel belangrijk is, dat er iets van ons uitgaat. Het is, denk ik, wáár dat dat meestal de eerste manier is waarop mensen met Christus in aanraking komen. Het is dus heel belangrijk, dat we zoutend zout zijn, zoals Jezus in het voorafgaande hoofdstuk—Mattheüs 5—heeft gezegd!

Maar mij gaat het nu om de vraag hóe. Jezus laat in Mattheüs 6 merken, dat Hij de druk onderkent, die ongemerkt op mensen wordt uitgeoefend, om naar buiten een bepaald beeld te vertonen. Daarin ziet Jezus, zo leid ik af uit Mattheüs 6, grote gevaren. Vooral: een verwaarlozing of zelfs een misvatting van de ‘binnenkant’. Voor we het weten zijn we min of meer tevreden met onszelf, en geldt van ons het indringende woord van Christus: ‘ze hebben hun loon reeds’. We hebben het hier en nu—want we leven van wat we horen van de mensen en wat we in hun ogen menen te lezen. Een fatale vergissing!

Als Jezus in dit hoofdstuk de nadruk legt op wat zich ‘in het verborgene’ afspeelt, tussen God en ons, is een belangrijke spits daarvan dat het eigenlijke, het beslissende van ons leven niet aan de ‘buitenkant’ zit, in wat we doen, in hoe de mensen ons zien, in hoe we overkomen. Nee, het gaat om de radicaliteit van Mattheüs 5: Gods geboden zó horen, dat er maar één weg overblijft, dat is ‘volmaakt te zijn, zoals onze hemelse Vader volmaakt is’. Daarmee legt Christus er niet de zweep overheen, maar roept Hij ons op tot uiterste concentratie, tot—denk aan de woorden van Psalm 86 -de ‘vereniging van ons hart om Gods Naam te vrezen’. Het gaat erom dat we ons in laatste instantie laten bepalen door wat mensen zeggen en denken, maar dat we ons buigen voor het oordeel in het Woord van de HERE. De ‘volmaaktheid’, waar Jezus op doelt, is niet de perfectie van een geslaagd mens, maar het je toevertrouwen aan God en zijn Woord. Vanuit Mattheüs 5 was al helder, dat Gods gebod ons geen enkele mogelijkheid laat om onszelf rijk te rekenen, ons te verkneukelen over onze hoogstaande levensstijl. Integendeel—niemand gaat vrijuit, als Christus de geboden uitlegt naar de bedoeling van zijn Vader. In de ‘binnenkamer’, waar Jezus over spreekt, hebben we meer dan genoeg aan onszelf. Daar is iets van een besef van Gods gericht, waarin we ons niet aan anderen kunnen spiegelen—zacht spiegelen -, maar waar ons bedoelen openligt voor Gods ogen.

Dit is echter niet alles. Als Jezus zijn leerlingen in Mattheüs 6 leert bidden, gaat het om zijn Koninkrijk, dat is: zijn regering, en het gebed loopt uit op de lofverheffing, waarin de zekerheid van de komst van het Koninkrijk wordt beleden. Góds Koninkrijk. Niet onze koninkrijkjes. In de binnenkamer leren we, dat er maar één grond voor hoop is: dat God in Christus ons genadig is, ons ertoe brengt zijn Koninkrijk en de gerechtigheid ervan te zoeken, en dat Hij regeert. Regeert—op een wijze, die wij niet in de vingers krijgen, maar waaraan we ons helemaal kunnen toevertrouwen.

Regeert—door ons, en ondanks ons.

Het gaat er beslissend om, dat in ons persoonlijk leven en dan ook in het geheel van de kerk—dat is: van de mensen die bidden dat dat Koninkrijk ook tot hèn komt—dat Koninkrijk bovenaan staat. Waar deze gedachten geen levende werkelijkheid zijn, waar deze binnenkamer gesloten blijft, heeft dat onherroepelijk zijn gevolgen. We verraden onszelf in de manier waarop we reageren en handelen. We horen en zien mensen activiteiten ontplooien en zich in de kerk gedragen op een manier die verraadt dat de binnenkamer in hun leven een schromelijk verwaarloosd terrein vormt. Of erger: dat niet Christus daar door zijn Geest regeert, maar—met of zonder vroom sausje—de mens zoals we die van huis uit zijn.

En wat eruit naar buiten komt

Tegen de achtergrond van het bovenstaande is de praktische invulling niet moeilijk aan te geven. Dan gaat het inderdaad om een geestelijk omgaan met de kandidaatstelling, verkiezing en benoeming tot ambtsdrager. Dat sluit nuchterheid niet uit. Maar waar deze dingen een kwestie worden van ‘zin hebben’ of ‘andere prioriteiten de voorkeur geven’ of welke houding dan ook, die niet bepaald wordt door de roepstem van Christus, heeft dat gevolgen voor het werk in de gemeente. Als je je inzet neemt bij jouw wensen, ideeën, ambities of wat dan ook kan er geen goede, God welgevallige beslissing uit voortkomen, en ook als we toch ‘ja’zeggen, zal dat het werk als ambtsdrager op een verkeerde manier bepalen. De wensen van bepaalde mensen of groepen in de gemeente, de geestelijke goedkeuring van bepaalde gemeenteleden, het succes van de plannen voor een andere vormgeving van de gemeente, de belangen van een stroming in het kerkelijk leven of noem maar op vormen dan de ‘ijkpunten’van je bezig-zijn. Maar dat alles mag pas de tweede of soms ook zoveelste plaats hebben. Mijn ambtsbediening wil gedragen worden door een levende gehoorzaamheid aan Christus Zelf. Dat maakt me—ik doel op Luthers omschrijving van het wezen van de christelijke vrijheid—tot ‘niemands onderdaan’ en tegelijk ‘tot aller dienaar’. Ik ben alleen van Christus, kijk daarom niemand naar de ogen, en ben van harte gewillig en bereid Christus in zijn gemeente en daarbuiten te dienen.

Dat wil ook bepalend zijn voor ons zicht op de gemeente. Als we vanuit de ‘binnenkamer’ het Koninkrijk van Christus zoeken, is de gemeente niet een ‘maakbare samenleving’, of een verzameling lastpakken, maar de gemeente van Christus. Dan werken wij ‘met vreze en beven’, omdat we weten dat God Zelf bezig is, dat Christus als Goede Herder zijn gemeente vergadert, beschermt en onderhoudt. Dan staat het werk dat Hij doet door Woord en Geest centraal, en gaan we niet op bezoek om mensen naar ‘onze hand te zetten’, maar om dienstbaar te zijn aan Christus’ komen tot de gemeente, door ons heen. Het huisbezoek is de ruimte, waar we naar die ander luisteren, waar het erom gaat dat er belangeloze en oprechte aandacht is voor een mens, in de breedte van de verbanden van diens leven en in de diepte van diens zijn voor het aangezicht van God. Wie op bezoek nooit verrassingen opdoet, doet het vermoedelijk niet goed. God is bezig, de kerk is de smidse van de Geest, en er vallen beslissingen, ook eeuwige beslissingen, in de levens van mensen.

Een laatste punt dat van groot belang is als het gaat om het verband tussen ons werk en de ‘binnenkamer’, is de manier waarop we omgaan met specifieke moeiten en kritiek, waarmee we in het werk als ambtsdrager te maken kunnen krijgen. Hoe reageren we op teleurstellingen en bezwaren, op kritiek op ons functioneren? Niets menselijks is een christen vreemd, dus geraaktheid en de neiging om in de tegenaanval te gaan en zelfs hard terug te slaan ligt zomaar bovenaan. In Mattheüs 5 heeft Christus een andere weg gewezen. Als iemand—een Romein kon dat in die tijd rechtens doen—je dwingt een mijl met hem mee te gaan, en de nodige bagage voor hem te dragen, hoewel je helemaal niet van plan was die kant op te gaan, dan kun je dat in stil protest doen, met blikken die kunnen doden. Zó gaat het vaak. Hoe we werkelijk zijn, komt tot uiting als de dwang—ook de dwang in de vorm van sociale controle—wegvalt. Jezus wijst een andere weg: twéé mijl meegaan. Misschien brengt het die ander tot de vraag waarom wij niet volgens het schema van deze wereld reageren. Misschien schept het de ruimte voor een getuigenis in daad en woord van het Koninkrijk van God, dat mij uittilt boven mijzelf en in dienst neemt van Christus. Zo’n handelwijze—die leren we alleen in de ‘binnenkamer’. Daar komt het er op aan—zoals de Heidelbergse Catechismus het uitdrukt—‘alle dagen van ons leven te rusten van mijn boze werken en God door zijn Geest in mij te láten werken…’. Dit is de diepste kern van de rust en van de binnenkant van ons leven. Volstrekt onontbeerlijk dus - voor onszelf en voor ons werk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.