+ Meer informatie

Studenten-werk in Amsterdam

11 minuten leestijd

Terecht bestaat er in onze kerken een gloeiend besef van de noodzaak en de be-tekenis van een goede opvang en begelei-ding van de jongere generatie; het feit, dat veel kerken zijn overgegaan tot het be-noemen van een jeugdouderling mag van dit besef wel een bewijs zijn. Al naar gelang de plaatselijke situatie is, zal de jeugd-ouderling een „instructie” hebben als hand-wijzer voor het door hem te verrichten werk.

Ik vraag me af of in een dergelijke instruc-tie wel gedacht is aan die jongeren, die tot de groep der studerenden gerekend wor-den. Vaak is dit een vergeten groep in ons kerkelijk leven én — omgekeerd — is ons kerkelijk leven bij deze groep wel eens een gemakkelijk te vergeten zaak. Ik dacht dat dan ook juist hierin de reden ligt om graag te voldoen aan het verzoek van de redaktie u iets te vertellen over het studen-tenwerk in Amsterdam.

Geschiedenis

Tot 1962 was het de gewoonte dat de verschillende Amsterdamse kerken afzon-derlijk de pastorale begeleiding van stu-derenden verzorgden, althans voorzover die kerken studerenden in hun rayon hadden wonen èn voorzover het bekend was dat er studerenden woonden. Er blijken namelijk overwegend drie groepen studenten te zijn: spoor-studenten, die dagelijks heen en weer reizen tussen woon- en studeerplaats; studenten, die wèl in Amsterdam op kamers wonen, maar die kerkelijk blijven ingeschre-ven in hun „woon” plaats; èn studenten, wier attestatie of doopbewijs is toegezonden aan een van de kerken in hun studie-stad. Uiteraard richtte de pastorale verzorging zich met name op deze laatste categorie.

In 1962 nam het Centraal Consistorie het besluit deze verzorging voortaan „gecon-centreerd” te doen plaatsvinden; Dr. de Vuyst werd de eerste „studentenpredikant”. Vrij kort daarna werd een „contactcom-missie” benoemd, die tot taak had om zoveel als mogelijk was kontakten te leggen met in Amsterdam studerende jongeren en hen te wijzen op de voor hen bestemde ker-kelijke catechese. In deze commissie had ook een vrouw zitting; dit vanwege — aldus de vermelding in de betreffende notulen — ,.bezwaren van hospita’s dat een heer, ook al is het een predikant (!), bij een vrouwe-lijke student op bezoek komt” … Tot nu toe heeft altijd een dergelijke commissie be-staan.

Na het vertrek van Dr. de Vuyst werd om-gezien naar een andere geschikte figuur om dit werk te doen; kennelijk was die toen niet in Amsterdam voorradig óf de daar overgebleven predikanten waren al zó bezet, dat gezocht werd naar iemand van buiten de stad. Na 1966 is studenten-catechisatie gegeven door de di. H. P. Brandsma, K. Boersma, M. Boertien en sedert het seizoen 1970/71 door onderge-tekende.

Bedoeling

In de loop der jaren is een wijziging op-getreden in de bedoeling van het werk onder de studenten. Was er in de eerste tijd uitdrukkelijk sprake van „studenten-catechisatie” — er zijn gedeelten uit de geloofsleer besproken, terwijl in het verle-den ook een poging is gedaan de Heidel-bergse Catechismus te behandelen — waar-bij duidelijk werd getendeerd in de richting van het „onderwijzen om zo te komen tot het doen van openbare belijdenis des ge-loofs”, later is het karakter wat veranderd en tegenwoordig wordt gesproken van „ge-sprekskring”, of „diskussiegroep”. Wie een belijdeniscatechisatie wil volgen, wordt verwezen naar een dergelijke catechisatie van de gemeente in wier ressort de student(e) woont. M.i. is dit een juiste gang van zaken. Een belijdeniscatechisatie zal immers mede als bedoeling hebben dat de catechisant een plaats ontvangt in het ge-heel van de gemeente, waarvan hij/zij lid is. Het zou onjuist zijn om ook maar enigszins de gedachte te kweken, dat een stude-rende een „aparte” figuur is in het kerke-lijke leven en daarom ook een aparte catechisatie zou moeten hebben. Juist voor het daadwerkelijk betrokken-zijn op het ge-heel van de concrete gemeente is een inte-gratie van de student-belijdeniscatechisant in die gemeente van grote betekenis. Daarom: s.v.p. gèèn aparte studenten-catechisatie! Zeker niet, als het gaat om voorbereiding tot het doen van geloofsbe-lijdenis.

Persoonlijk zie ik de waarde van een stu-dentengesprekskring allereerst liggen in de mogelijkheid tot opvang van de studeren-den. Door het werk van de laatste twee jaren heb ik zeer duidelijk de indruk ge-kregen, dat je via die kring bezig moet zijn om een brug te bouwen tussen student en gemeente. Wie eenmaal op die brug is, kan ook wat verder geleid worden naar de gemeente. Waarbij ik meteen ook de nadruk leg op het verkeer in de andere richting: de gemeente zal haar uiterste best moeten doen om het contact met haar studerende leden te behouden, c.q. te herstellen.

Betrokkenheid op het werk van de kant van de studenten

In 1964 werden 55 chr. gereformeerde stu-derenden aan de V.U. gesignaleerd; van hen kwamen er 10 op de catechisatie in Oost. In 1967 — het aantal studerenden was inmiddels toegenomen — waren de eerste keer 14, de tweede keer 5 studenten op de catechisatie. Gemiddeld lag de op-komst in dat jaar tussen de 6 en de 10. In 1968 werd aan het Centraal Consistorie gerapporteerd: „van een geregeld volgen van deze catechisatie kan niet worden ge-sproken, op een enkele uitzondering na”. En in 1969: „het werk kwam moeizaam op gang; de belangstelling bleek matig”. Van de 100 uitnodigingen werden er 9 beant-vt’oord! Deze trend zette zich voort: van de ongeveer 120 in Amsterdam studerenden in 1971 kwam slechts 10 procent meer of minder geregeld de gesprekskring bijwonen. De oorzaken daarvan zijn moeilijk aan te wijzen. Er zijn enkele algemene remmende factoren: tentamentijd, het werken aan een scriptie en daardoor wel eens uitstedigheid, de mobiliteit (het veelvuldig verhuizen zon-der kennisgeving van adreswijziging). Daar-naast een vrij grote mate van lauwheid en interesseloosheid ten opzichte van het ker-kelijke leven, — een zaak die m.i. overi-gens echt niet alleen een „privilege” van studerenden is. Wèl is me duidelijk gewor-den dat het gros van de studenten zich in het gewone kerkelijke leven niet thuis-voelt. Zeker 8 0 % van onze studerende jongeren staat critisch tegenover ons ker-kelijk leven. Dat wil beslist niet in alle opzichten zeggen: negatief — integendeel: achter veel kritiek bemerk je soms een on-uitgesproken verlangen dat de kerk weer echt een „moeder” is, ook en juist voor deze jongeren.

Van de kant van de „thuisgemeente”

Eerlijk gezegd ben ik meer dan eens ge-schrokken van de houding die kerkeraden of predikanten en leden van de thuisge-meente aannemen ten opzichte van hun stu-derende jongeren. Al wil ik direkt toegeven dat er van de kant van die jongeren ook echt wel eens aanleiding wordt gegeven tot een houding, die zo gemakkelijk tot een breuk kan leiden, ik vraag me ander-zijds ook in gemoede af of de kerkeraden zèlf wel voldoende oog hebben voor deze jongelui, voor de situatie waarin zij zich bevinden en voor de ontwikkelingen waar-mee zij te maken hebben. Het is b.v. bij mijn weten nog nóóit voorgekomen dat een kerkeraad aan een van de Amsterdamse kerkeraden meedeelde dat een gemeentelid in onze stad zou gaan studeren. Terecht is in 1963 al door het Centraal Consistorie gesteld „dat het overzichtelijker zou zijn wanneer een attest werd toegezonden”. Dit gebeurt slechts in die gevallen, waarin de studerende zèlf een doopbewijs of belijde-nisattestatie aanvraagt; maar zelfs dan ge-ven nog niet alle kerkeraden dit door. Ik zou met klem aan alle kerkeraden willen vragen om met deze zaak een uitermate grote ernst te maken. Het is mede vanuit deze achtergrond dat via een instructie van de classis Amsterdam een wijziging van vraag 37 in het „Reglement op de kerk-visitatie” is voorgesteld en gelukkig aan-vaard, hetgeen betekent dat alle kerkera-den zich zullen houden aan de afspraak dat van het verblijf van leden en doopleden (studenten, verpleegsters e.a.) in een andere plaats, terwijl hun kerkelijke inschrijving in hun thuisgemeente blijft berusten, medede-ling wordt gedaan aan de betrokken kerke-raden. Ik wil dit nogmaals graag onder-strepen! Niet-attente kerkeraden ten deze kunnen — zij het vaak onbewust — oorzaak zijn van op z’n minst een „kerke-lijk-verloren-gaan” van jonge leden.

Voorts zou ik er graag voor willen pleiten dat „moeder de kerk” wat begrip opbrengt voor haar jonge studerende leden, ook al „past” hun uiterlijk niet zozeer in het kader van gevestigde meningen en ge-woonten. Dat begrip staat beslist niet ge-lijk met slapheid of met een houding van overdreven voorzichtigheid; waar dat be-grip gevoeld wordt, kan wel eens keihard de waarheid gezegd worden — en dat wordt dan nog wel aanvaard ook. Er blijkt — gelukkig — ook in onze gesprekskrin-gen ineens ruimte en mogelijkheid te zijn om te spreken over de eigen verhouding tot de Here en de consequenties, die daaruit voortvloeien. Dat ligt teer. Daar moet ge-duld voor zijn en soms door urenlang „ge-zwam” heengebeten worden. Dit laatste is mede een gevolg van het feit, dat studeren-den zich wel eens gefrustreerd voelen door de houding van de thuisgemeente. Niet overal blijkt evenveel begrip voor een bege-leiding van deze jongeren in een belang-rijke fase van hun leven te zijn.

Een plaatselijke kerkeraad kan ook veel betekenen door eens bij de ouders te in-formeren óf en waar hun studerende kin- deren op catechisatie gaan En hiernaar tevens te informeren bij de studentencon-tactcommissie in Amsterdam. (Dhr. G. J. van Asselt, Albrechtstraat 21, Kudelstaart, tel. 02977-20885). Waarschijnlijk zou op deze wijze ondervangen kunnen worden, dat een student(e) thuis zegt dat hij/zij in de thuisgemeente de catechisatie volgt ter-wijl bij navraag dan blijkt dat geen van beide het geval is …

Opvang

Het is een haast onmogelijke zaak om bij de inschrijving van nieuwe studenten aan-wezig te zijn: dat kost enkele dagen. Wèl kunnen we na verloop van tijd bij de administratie van de V.U., de Stedelijke Universiteit, de HTS, de Sociale Academie, enz. de noodzakelijke gegevens verkrijgen, maar het duurt soms maanden voordat die gegevens uit de computer zijn gekomen. En — ook in dit opzicht is tijd kostbaar. Een direkte opvang is het meest gunstig. Vandaar de vraag aan de kerkeraden — en ik dacht die wel te mogen stellen namens de kerkeraden in andere universiteitsste-den —: wilt u, óók wanneer de studerenden bij u blijven ingeschreven, tóch even aan de kerkeraad in de studieplaats doorgeven dat iemand van uw kudde is gaan studeren? Dat vergemakkelijkt de opvang aanzienlijk, als u er tenminste een adres bij geeft.

Ik sprak al over de „begeleidingscommis-sie”. Het is de bedoeling dat we daarin de adressen wat verdelen en zo mogelijk alle ingeschrevenen een keer opzoeken. U begrijpt dat dit enige tijd vergt; vandaar dat de commissie aan het Centraal Con-sistorie heeft voorgesteld hierbij ook de jeugdouderlingen te mogen inschakelen. Voorts krijgt iedere ingeschrevene, van wie we het adres weten, persoonlijk bericht over plaats en tijd en onderwerp van de gesprekskring. Dat zo’n bericht wel eens niet overkomt, kan alleen het gevolg zijn van een niet-doorgegeven adreswijziging. Verder zitten we er momenteel wat over te denken om toch maar een oud besluit van het Centraal Consistorie (uit 1967) uit te voeren, namelijk dat aan de „thuiskerke-raad” van de niet op de gesprekskring komende doopleden mededeling wordt ge-daan. Tenzij zo’n kerkeraad zèlf zo attent is om aan de raad in de studieplaats mee te delen, dat het betreffende dooplid „thuis” de catechisatie volgt. Op een der-gelijke wijze moet het mogelijk zijn de „ontsnappingskansen” wat te verminderen

Een aparte predikant?

De suggestie is wel eens gedaan om een „studentenpredikant” te beroepen, even-tueel niet alleen voor Amsterdam, maar voor heel de P.S. van het Westen. M.i. is dit in de huidige situatie een onhaalbare en ook niet te verantwoorden zaak. Zèlf zie ik veel meer de oplossing liggen in het mèèr-attent-zijn van plaatselijke kerkeraden èn een goede informatie voor kerkeraden in universiteitssteden. Een studentenpredi-kant zou in Amsterdam te weinig „brood” hebben en voor heel de P.S. te zeer een ,.trekvogel” zijn. Goede aandacht van en begeleiding door de eigen plaatselijke pre-dikant lijkt me veel effectiever. Naar ik meen, is op initiatief van Deputaten voor het contact met de kerkjeugd in het voor-jaar van 1970 een vergadering belegd van (deputaties van) kerkeraden in Universi-teitssteden. Het zou goed zijn, als ik op deze wijze en deze plaats een dergelijke suggestie mag doen, eens opnieuw derwaarts te worden geleid.

Tenslotte

Het werk, zoals we dat met elkaar in Amsterdam proberen te doen, is een poging om de studerende jongeren wat in contact te doen blijven met de kerk. Het is wat „werken aan een front”, boeiend, veelzij-dig en — eerlijk gezegd — ook wel eens vermoeiend. Het is belangrijk dat het „achterland” voor een goede ravitaillering zorgt.

Overigens mag er ook van zegen gesproken worden. Wie zou niet blij zijn, als blijkt dat via dit werk jongeren de weg naar de kerk (terug) vinden en van harte belijdenis gaan doen?! Het zou fijn zijn te weten dat alle kerkeraden in hun voorbede op hun vergaderingen ook eens aan dit werk denken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.