+ Meer informatie

GEESTELIJK OMGAAN MET ELKAAR OP DE CLASSIS

8 minuten leestijd

WAT HEB JE AAN DE CLASSIS?

Wat een classis is, mag onder de lezers van ons blad bekend worden verondersteld: een gezamenlijke vergadering van min of meer naburige kerken, om in onderling overleg samen de nodige zaken te regelen.

Als ik mij niet vergis, wordt de betekenis van de classis door veel kerkleden niet al te hoog aangeslagen. Dat kan onbekendheid zijn met het fenomeen. Het kan echter ook een symptoom zijn van de tendens die in zijn algemeenheid merkbaar is: met bredere verbanden hebben we niet zoveel. In onze eigen kring - bij voorkeur door onszelf uitgezocht - daar gebeurt het. Dat is jammer en is ook schadelijk. Wij hebben binnen de kerken elkaar niet uitgezocht, maar zijn aan elkaar gegeven tot onderlinge opbouw, om samen de zuiverheid van geloof en levenswandel te bewaren en om in gezamenlijkheid de taken te verrichten waarvoor de Koning van de kerk ons stelt.

De kerken van de Reformatie hebben dat van meet af aan ingezien en zijn zo tot de vorming van classes gekomen.

Maar dan is het wel zaak dat een en ander op een geestelijke manier plaatsvindt.

DE TOON DIE DE MUZIEK MAAKT

Wanneer wij naar een vergadering van de classis worden afgevaardigd, is onze intentie van belang. Weten we ons geroepen om bovengenoemde doelstellingen te dienen, of gaan wij met innerlijke reserve, in een sceptische houding, of mogelijk zelfs ‘met geslepen messen’ om broeders van een andere kleur eens stevig de waarheid te zeggen?

Daarom is het zo goed dat aan het begin van de vergadering het Woord van God opengaat. De voorzitter van de roepende kerk, of hij die namens deze de vergadering opent, zal een Schriftgedeelte uitkiezen en overdenken dat richting geeft aan de vergadering. Er waren in het verleden wel classisvergaderingen die een korte Bijbelstudie in groepen hielden, om zo de gelegenheid te scheppen om elkaar als broeders van diverse pluimage in het hart te kijken, voordat de verdere agenda werd afgewerkt. De ervaringen daarmee waren wisselend.

In elk geval: het Woord moet de toon zetten. En wanneer wij ons werkelijk door Woord en Geest laten leiden, worden allerlei vleselijke overwegingen (ook ambtsdragers zijn nog maar al te zeer ‘vleselijk’, Rom. 7:14!) bij de wortel afgesneden: heerszucht, groepsdenken, verborgen agenda’s.

Het is veelzeggend dat men in vroeger eeuwen als afgevaardigde de portemonnee bij zich moest hebben. Wie met een ander zat te praten terwijl een afgevaardigde het woord voerde, moest twee stuivers boete betalen. Wie een ander in de rede viel, werd door de voorzitter gesommeerd buiten de vergadering te gaan staan of zes stuivers te geven! Men stond dus op goede omgangsvormen, maar wist ook van zonde en zwakheid.

Wij kennen dit ‘boetestelsel’ niet meer (stel je voor!), maar wie artikel 34 van de kerkorde leest, merkt dat ook daar gerekend wordt met de gebrokenheid. Over de taak van de preses wordt immers onder meer opgemerkt: ‘Leden van de vergadering die een woordenstrijd voeren of die zich door heftige emoties laten meeslepen, waardoor het geestelijk karakter van de vergadering in gevaar komt, zal hij het woord ontnemen’.

We mogen wel vragen voor en tijdens een vergadering: ‘Zet, HEER’, een wacht voor mijne lippen; behoed de deuren van mijn mond; opdat ik mij tot gene stond iets onbedachtzaams laat ontglippen’.

MEELEVEN MET ELKAAR

Wanneer we goed in het oog houden waarvoor de classisvergadering bedoeld is zal dat onze manier van omgaan met elkaar bepalen. Artikel 34 K.O. spreekt over ‘het geestelijk karakter van de vergadering’. Het gaat om de opbouw van de kerk van Christus. Daarom worden er kerkelijke zaken behandeld en dat dient op een kerkelijke wijze te gebeuren (art. 30 K.O.). Dat laatste wil zeggen: in overeenstem ming met de orde van de kerk die we gezamenlijk hebben afgesproken.

Een belangrijk element van de classisvergadering is de rondvraag naar artikel 41 K.O. We lezen daar onder andere: ‘Verder vraagt de preses in het begin van de ver gadering bij de afgevaardigden van iedere gemeente naar de goede voortgang van het gemeentelijke leven, waarbij o.a. aandacht wordt gegeven aan de zondagse erediensten en de taakvervulling van de kerkenraad; ook zal de preses vragen of er iets is waarin de kerkenraad oordeel en hulp van de classis nodig heeft’.

U merkt de positieve toonzetting: belangstelling voor het wel en wee van de di verse gemeenten, en bereidheid om mee te denken in vragen en moeiten.

In de praktijk vindt het verslag in de regel schriftelijk plaats; vaak is het al aan de afgevaardigden toegestuurd zodat ze het alvast kunnen lezen. In een aantal classes zal het agendapunt art. 41 gecombineerd zijn met de kerkvisitatieverslagen. Juist bij deze verslagen is er goede gelegenheid om geestelijk met elkaar mee te leven. Uit een verslag kan blijken welke wegen een kerkenraad inslaat, bijvoorbeeld in het omgaan met randkerkelijken, met ongehuwd samenwonenden, in de benadering van de jongeren, in het evangelisatiewerk of in het stimuleren van het bezoek aan de tweede dienst. Daarover kan worden doorgevraagd, om zodoende voor de eigen plaatselijke situatie ideeën op te doen. Men hoeft immers niet op allerlei gebied zelfhef wiel uit te vinden - een van de zegeningen van het samen leven in een kerkverband.

En wanneer we positieve dingen uit een gemeente horen, mogen we daar samer blij mee zijn en de dank daarvoor bij de Heere brengen.

TOEZICHT OP ELKAAR

Kan het toezien op elkaar ook een kritische component bevatten? Zeker. Soms is dat nodig. We hebben onszelf immers verbonden om op de gezamenlijke grondslag van de kerken ons werk in de gemeente te doen: de Schrift, de belijdenis, de kerkorde. Een kerkenraad mag en moet, wanneer daartoe vanuit een verslag aanleiding bestaat, bevraagd worden op de invulling van zijn taak, onder andere op het gebied van de uitoefening van de tucht.

We mogen dan ook van elkaar verwachten dat in de verslagen ter vergadering de situatie in de gemeenten niet rooskleuriger wordt voorgesteld dan die is. Tot de geestelijke manier van omgaan met elkaar behoort ook eerlijkheid en openheid. Wat te doen als blijkt dat een kerkenraad op enig punt een afwijkend standpunt inneemt? Als eerste dient doorgevraagd te worden naar de achtergrond daarvan Soms kan dat ertoe leiden dat de classis in die concrete situatie begrip toont voor de handelwijze van de betreffende kerkenraad. In andere gevallen zal geconcludeerd moeten worden dat de kerkenraad de eenheid in leer en/of leven in gevaar brengt. Dan zal broederlijk vermaan moeten plaatsvinden, om elkaar in liefde op te scherpen in onze roeping.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat hier een pijnpunt ligt in ons kerkelijk leven. Horen we hier en daar niet van kerkenraden die een eigen koers varen ondanks de kerkorde waaraan men zich verbonden heeft? En is dat niet een uiting van een geest van individualisme, waar we ons tegen moeten keren? Op deze manier wordt het kerkelijk samenleven onder druk gezet en wordt het onderlinge vertrouwen geschaad. Dat zal ook namens de vergadering moeten worden uitgesproken. Een dergelijke opstelling van een kerkenraad verdraagt zich niet met de geestelijke wijze waarop we in de classis met elkaar dienen om te gaan.

Er is op dit punt verootmoediging in ons kerkelijk leven nodig.

HOE GEESTELIJK SPREKEN EN STEMMEN WE?

Wanneer er appelzaken aan de orde zijn of een revisieverzoek behandeld moet worden, is het een zaak van geestelijk omgaan met elkaar dat de procedure zorgvuldig bewaakt wordt: met name op het gebied van hoor en wederhoor en het geen rechter zijn in eigen zaak (zie art. 33 K.O. en de aanvullende bepalingen die de laatste generale synodes hebben vastgesteld).

Bij alle zaken die aan de orde komen hebben we de roeping om eerlijk en objectief te oordelen. Het gevaar van subjectivisme of zelfs ‘blokvorming’ rond bepaalde gevoelige onderwerpen is niet denkbeeldig.

Om een voorbeeld te noemen: de beoordeling van een verzoek tot nauwer samenleven met een kerk van gereformeerd belijden. Het is zaak om zo’n verzoek te beoordelen op grond van de afspraken die we daarover in het kerkverband met elkaar hebben gemaakt. De GS van 2004 sprak uit dat de classes geroepen zijn om een dergelijk verzoek te toetsen aan bijlage 6 (nu 8) van de kerkorde, ‘zonder dat persoonlijke opvattingen een besluit over die samenwerking belemmeren’. De GS 2007 zag aanleiding nog eens aan die uitspraak te herinneren. Het in praktijk brengen daarvan is ook een zaak van geestelijk omgaan met elkaar.

Verder mag de vraag gesteld worden of de wijze waarop de afvaardiging naar de particuliere synode tot stand komt altijd door geestelijke motieven wordt bepaald. Stemmen we louter op ‘kleur’, of vragen we ons af wie gaven hebben ontvangen om op geestelijke wijze het geheel van de kerken te dienen?

RONDVRAAG ARTIKEL 43 KO

Aan het einde van de vergadering wordt de vraag gesteld ‘of iemand iets strafwaardigs heeft gedaan’. Soms blijken er in een discussie woorden te zijn gesproken die een ander gekwetst hebben of die onnodig de dingen op scherp hebben gezet. Dan is er gelegenheid om dat recht te zetten. Het is iets kostbaars als een broeder ruiterlijk kan erkennen dat iets niet goed was en daarvoor spijt betuigt. Dat lucht de hele vergadering op.

Zo ga je als broeders met elkaar om. Overal is wel eens wat, maar het hoeft niet te blijven zitten. We mogen in de kerk leven van genade!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.