+ Meer informatie

Het diakonaat ter synode

8 minuten leestijd

Die ambtsdragers onder ons die belangstelling hebben voor de arbeid van de generale synode (en dat mag eigenlijk toch van alle ambtsdragers verwacht worden?) hebben de uitvoerige verslagen van ds. P. N. Ribbers in ”De Wekker” kunnen lezen. Toch leek het de redactie van ”Ambtelijk Contact” goed, dat vanuit het deputaatschap ADMA nog een kijk gegeven werd op datgene, wat rondom dit deputaatschap ter synode besproken is.

Zoals u weten zult, vindt van de meeste onderwerpen de behandeling op de synode in twee ronden plaats. Een deputatenrapport wordt eerst ter voorbehandeling toevertrouwd aan een daartoe aangewezen commissie uit de synode, en het rapport van die synodale commissie wordt dan toegevoegd aan het oorspronkelijke rapport. Met behulp van dat commissierapport kan de synode de betrokken stof gemakkelijker bespreken en vlotter tot een uitspraak komen. Soms is dus de bespreking in een commissie van betekenis voor de manier, waarop de synode het rapport bespreekt.

De commissie, die de ADMA-zaken voorbereidde, had speciaal aandacht besteed aan de problematiek rondom de sociale arbeid en de relatie met de christelijke vakbeweging. De bespreking in de synode richtte zich daardoor onwillekeurig vooral op deze onderwerpen.

Iemand zou kunnen denken, dat het eigenlijke diakonaat daardoor minder aandacht zou hebben gekregen. Maar dat zou niet juist zijn. Deputaten konden aan de synode melden, dat juist het contact met de plaatselijke diakonieën een stuk intensiever is geweest en dat op regionaal gebied ook goede vorderingen zijn gekomen.

Werd op een vorige synode gezegd, dat de ”classicale diakonale correspondenten” zich niet ongevraagd moesten opdringen aan de kerken in hun classicaal verband (waardoor deputaten in de afgelopen periode zich op dit punt wat terughoudend hadden opgesteld), nu maakte de synodale commissie de opmerking, dat het nodig is, de plaatselijke diakonieën meer en meer praktische hulp te bieden en dat het werk van classicale diakonale correspondenten meer geactiveerd en geïntensiveerd zou moeten worden.

Deputaten waren met deze opmerking wel gelukkig. Onze diakonieën staan nog steeds voor vele vragen. Regelmatig overleg, uitwisseling van gegevens en ervaringen is hard nodig. We kunnen en moeten ook als diakonieën elkaar tot een hand en een voet zijn.

Wat de kijk op het diakonale werk betreft, hebben we (en dat was immers met veel dingen het geval) jaren lang gebruik gemaakt van de bezinning in de kring van de Gereformeerde Kerken. Daar is het diakonaat van werkinhoud veranderd, vooral na de invoering van de A.B.W., en ook in onze kring is dat gebeurd. Bij de vrijgemaakt gereformeerde broeders bleef veelal verzet bestaan tegen het gebruik maken van de A.B.W door gemeenteleden, in onze kerken over het algemeen niet. Ook ons diakonaat zag nieuwe taken liggen, in het opsporen van niet-materiële noden in de gemeente, in het aanvatten van arbeid voor bejaarden, gehandicapten, onvolledige gezinnen, het letten op huwelijks- en gezinsmoeilijkheden, het kin-derbeschermingswerk, voorzover dat zich aan ons voordeed. Vele van die taken waren natuurlijk ook al vóór de invoering van de A.B.W. binnen het vizier gekomen.

Meer en meer kwam ook buitenlandse nood in de gezichtskring. Het rapport, dat deputaten voor hulpverlening in binnen- en buitenland bij de vorige synode indienden, sprak ervan, dat ook aan de hulpverlening aan kerken in het buitenland een diakonaal aspect verbonden is. Al willen we niet spreken van ”werelddiakonaat”, onmiskenbaar is, dat het diakonaat van de gemeente niet alleen een taak naar binnen heeft.

De uitvoering en verwerking van dit ”moderne” diakonaat vraagt steeds bezinning en overleg. Maar steeds meer blijkt, dat onze kerken daarin voortaan een eigen weg moeten gaan. Elders komt nl. in toenemende mate de gedachte op, dat ”diakonaat” eigenlijk het enige is, dat de kerk in een geseculariseerde wereld nog kan verrichten om zich waar te maken. Evangelieprediking is voor de mens in deze tijd een ongeloofwaardige zaak geworden. Een dienst, een diakonia, die nog relevant is, die nog ter zake doet, moet alleen bestaan uit het leefbaar maken van de menselijke samenleving. Vertaald in wereldlijke begrippen is dat het vooraan staan bij revolutionaire acties, eventueel het steunen van gewelddadige acties om onrecht te bestrijden in sociaal of radicaal opzicht.

Taak voor ons christelijke gereformeerde diakonaat is nu, enerzijds er oog voor te hebben, dat deze nieuwe inhoud aan het begrip diakonaat de kerk afvoert van haar enige fundament, Jezus Christus, terwijl anderzijds de gemeente krachtig gestimuleerd dient te worden tot een sterke gemeenschapsbeleving en het zien van de verantwoordelijkheden in een moderne maatschappij. Het diakonaat zal nimmer een bijwagen van de revolutietheologie mogen worden, op straffe van ondergang van kerk en evangelieprediking. De ambten, ook het diakonale ambt, zal wel in elke tijd, ook de onze, de heiligen toerusten tot dienstbetoon; een woord dat een brede en diepe inhoud heeft. Het diakonaat in de Chr. Geref. kerken zal ook ondervinden, dat helaas sommigen in de kerk geen heiligen in de bijbelse zin van het woord zijn en dat ook de allerheiligsten (Heid. Cat.) nog maar een klein begin van de nieuwe gehoorzaamheid hebben. Juist ook vanwege dit laatste hebben we el-kaars hulp erg nodig.

Ik vond het nodig, op het bovenstaande wat te wijzen, omdat hierover ter synode niet uitvoerig gesproken is, maar het deputatenrapport wees er wel op. De taak van de classicale diakonale correspondenten zie ik ook in deze richting liggen.

Wat veel aandacht kreeg, was de participatie van onze kerken in de Stichting Raad voor Geref. Sociale Arbeid. U weet, dat plaatselijk het sociale werk veelal is ondergebracht in algemene stichtingen, waardoor onze diakonieën vaak nog slechts heel indirect aan het uitvoerende werk deelnemen. Doordat de landelijke ”samenwerkingsorganen”, in ons geval de G.S.A., hebben gemeend het uitvoerende werk ook te moeten onderbrengen in een afzonderlijk lichaam, en voortaan zich voornamelijk bezig te houden met die aspecten van het sociale werk, die een duidelijk levensbeschouwelijk karakter hebben, kwam steeds meer de vraag naar voren naar de inhoud van de ”F 2”, vaak omschreven als het participeren aan de doeleinden van de samenlevingsopbouw.

Wij voor ons zien in dit werk van de G.S.A. duidelijk een maatschappelijke opdracht, niet een kerkelijk-diakonale. Wie het bovenstaande herleest, kan begrijpen, dat er een stroming is, die het werk van de G.S.A. wil onderbrengen onder het kerkelijk diakonaat in de hierboven door mij bestreden zin.

Waarom dan deelname van de kant van de kerk aan de G.S.A., als het niet een kerkelijke, maar een maatschappelijke functie betreft? Enerzijds op historische gronden; anderzijds omdat het goed is, om via een kerkelijk orgaan (bij ons ADMA-deputaten) het standpunt van de kerk binnen een maatschappelijke (moet men zeggen semi-kerkelijke?) instelling te laten horen en tot een zekere gelding te laten komen. Er kan een tijd komen, dat het beter is, geen kerkelijke participatie binnen zo'n stichting meer te hebben, nl. wanneer wel kerkleden maar niet de kerk in haar ambtelijk spreken het sociale werk behartigen. De synode sprak uit:

a. dat het noodzakelijk is, dat de G.S.A. haar al eerder behartigde functie, welke te maken heeft met de positie en opdracht van de christen in de samenleving, vervult;

b. dat de G.S.A. haar eigen taak, in onderscheid van het kerkelijk diakonaat, moet blijven vervullen.

Ook is gesproken over het zgn. Gereformeerd Welzijnsberaad, op voorstel van de G.S.A. door de gereformeerde synode in het leven geroepen. Onze synode besloot, dat deelname hieraan door deputaten ADMA niet dringend geboden is, hoewel zij de ontwikkelingen wel nauwkeurig dienen te volgen.

Uiteraard is met dankbaarheid gesproken over de totstandkoming van de nieuwe academie voor Gereformeerd Sociaal-Pedagogisch Onderwijs te Ede. Ingevolge opdracht van de vorige synode hadden ADMA-deputaten aan de oprichting meegewerkt, en in een later stadium ook deputaten voor kerk en onderwijs. Onze assistent, br. W. Huizer, vervult in deze nieuwe stichting de functie van secretaris, en voor zijn arbeid bestond veel waardering. Kon hij zijn functies wel combineren? Maar op deze vraag kon geruststellend geantwoord worden: nu de academie werkt, is veel werk afgewenteld op de schooladministratie. Anderzijds kon hij allerlei administratief werk, dat nu uitbesteed moest worden, weer declareren.

De afdeling Kerk en Bedrijfsleven van ons deputaatschap kreeg enige kritiek te horen. Is contact alleen met de vakbeweging niet erg eenzijdig? Is er wel voldoende inzicht gegeven in de problematiek van ”de geïndustrialiseerde samenleving”? Deputaten meenden hun best gedaan te hebben en gaan met de bezinning voort. Contacten met andere instellingen gaan door. Ook is een werk-commissie bezig met de vraag, of bezinning op de vragen van kerk en bedrijfsleven en de verantwoordelijkheid voor industrie-pastoraat (denk aan het werk van ds. T. Harder) in de toekomst aan één deputaatschap toevertrouwd kunnen worden. Ons deputaatschap en deputaten voor de evangelisatie houden zich samen met dit punt bezig.

Slechts enkele, in mijn oog belangrijke dingen, stipte ik aan. De synode gaf opdracht en vrijheid om verder te werken. We hopen dat te doen in bezinning en uitvoering.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.