+ Meer informatie

IDENTITEIT VAN INSTELLINGEN VRAAGT OPNIEUW AANDACHT

6 minuten leestijd

In de tweede helft van de vorige eeuw zijn allerlei bewustwordings- en emancipatieprocessen op gang gekomen, die er toe hebben geleid dat op diverse terreinen instellingen tot stand zijn gebracht ter voldoening aan behoeften op basis van levensbeschouwelijke uitgangspunten. Het protestants-christelijke volksdeel was bij het starten van dit soort processen nog al eens kop-loper. Men zag de christelijke signatuur van onze natie - wel eens als de grondtoon van ons volkskarakter aangeduid - in gevaar en wilde dit gevaar keren door nieuwe impulsen op duidelijk aangegeven christelijke grondslag. De historie van het christelijke onderwijs, de christen-politieke organisatie, de verbanden van christen-werknemers en -werkgevers begint in die periode van bewustwording: er moest iets waardevols behouden en verdedigd worden. Men was sterk gemotiveerd, men was niet alleen bereid zich voor diverse doelen in te zetten, men wilde daar ook persoonlijk offers voor brengen. Denk maar aan de beginjaren van het christelijke onderwijs, aan de stuivers en de dubbeltjes waarmee christelijke scholen zijn tot stand gebracht en in stand gehouden, denk maar aan de bereidheid om „in te leveren” bij zoveel onderwijzers, die voor weinig geld het christelijke onderwijs hebben willen dienen.

Die motivatie, die sterke betrokkenheid van het eerste uur is meer en meer weggeëbd, naarmate de christelijke instellingen tot veilig-gestelde verworvenheden zijn geworden. Gelijkstellingsregelingen en subsidiëringssystemen openden de aanvankelijk zozeer be-geerde bestaanszekerheid, maar zij hadden tegelijkertijd een zekere verzelfstandiging tot gevolg, die, achteraf bezien, in verschillende richtingen toch ook weer schadelijk heeft gewerkt.

Zo is er als gevolg van de verkregen zekerheden, een andere verhouding ontstaan tussen de instellingen, de bij deze instellingen werkenden en de besturen. Besturen zijn colle-ges geworden met een vrij gemakkelijk te dragen - en dus weinig bevredigende - min of meer theoretische eindverantwoordelijkheid. Het werk wordt gedaan - door vakmensen - de bekostiging geschiedt volgens door de subsidiè’nt vastgelegde en ook gecontroleerde regelingen. De eens geformuleerde grondslag en de daaruit voortvloeiende doelstellingen worden verondersteld te functioneren, zoals ze dat van de aanvang af hebben gedaan. De marges, waarbinnen een bestuur nog in eigen bevoegdheid een beleid kan voeren zijn in de praktijk uiterst gering, bij sommige werkvormen zelfs geheel verdwenen.

Als gevolg van de vergevorderde professionalisering is ook de greep van de bestuurder op het werk verminderd. Bestuurders mogen over alle facetten van het werk van alles zeggen, maar ze-hebben-er-geen-verstand-van. Beleid en initiatief van besturen wordt alleen verwacht op die terreinen, waar de vakmensen minder deskundig zijn, zoals de stichting en verwerving van accommodatie ten behoeve van de instelling of juridische dan wel financieel-technische bijstand bij het verdedigen van het belang van de instel-lingen tegenover de subsidiënt. Waarbij voor wat dit laatste betreft als regel niet meer de besturen van de lokale instellingen optreden, doch een beperkt en select college van top-bestuurders uit de landelijke „koepel”, die - alweer met hun deskundigen - de contacten met de centrale overheid onderhouden.

Met het groeien van de afstand tussen bestuur en werk is ook de betekenis van de relatie tussen bestuur, werk en „achterban” (dat wil zeggen de ouders, de leden, de cliënten e.d.) sterk afgenomen. Men ziet het werk van de instelling niet meer als een zaak waarvoor men mede-verantwoordelijkheid draagt, doch als een beschikbare vorm van dienstverlening, welke men vanuit de verte op zijn kwaliteit beoordeelt. Pas wanneer er aan die kwaliteit iets hapert komt de achterban in het geweer. Van democratisch verkeer tussen bestuur, werkers en mede-verantwoordelijke gebruikers dan wel leden is niet of nauwelijks sprake, alle door bestuurders en werkers gecreëerde communicatielijnen ten spijt.

Op zichzelf is het niet zo verwonderlijk dat in een aldus gegroeide situatie diverse vragen over het reilen en zeilen van instellingen naar boven komen. Om er enkele te noemen:

- Waarom zit dat bestuur er eigenlijk nog? De voorwaarden voor het functioneren van de instelling zijn exact in allerlei beschikkingen vastgelegd, de werkers zijn bevoegd, overheidsinspecteurs verrichten inhoudelijke en financiële controle, de gebruikers hebben geen greep meer op de instelling, zij begeren ook niet er continu invloed op uit te oefenen.

- Waarom moet steeds - en vaak nog met de grootste moeite - een college van amateurs in stand worden gehouden om een aantal slechts nog formeel bestaande bevoegdheden uit te oefenen? Kunnen niet de werkers zelf, die daarbij toch ook aan de bestaande voorschriften en subsidieregels gebonden zullen zijn, de instelling besturen?

- Waarom worden allen, die feitelijk gebruik maken van de diensten van de instellingen, niet duidelijker bij het beheer betrokken? Deze vraag richt men in het bijzonder tot levensbeschouwelijke instellingen, welke ook aan andersgezinden diensten verlenen (instellingen voor maatschappelijk werk, protestants-christelijke scholen, die soms meer dan dertig procent van hun leerlingen krijgen uit gezinnen van andersdenkenden).

- Zijn vooral de levensbeschouwelijke instellingen geen kolossen op lemen voeten, die on-terecht macht blijven uitoefenen op diverse terreinen van dienstverlening? Deze vraag wordt de laatste jaren nog al eens vernomen uit de hoek van niet-confessioneel gebonden politici en in het bijzonder gericht tot de grote levensbeschouwelijke on-derwijsorganisaties, die via hun deskundigen en koepel-bestuurders op het niveau van de centrale overheid nog wel enige invloed op het onderwijsgebeuren weten uit te oefenen.

Vragen als deze blijven niet zonder gevolg. De centrale overheid en de volksvertegenwoordiging gaan daar zelfs met een zekere gretigheid op in. Zij wekken de indruk altijd bereid te zijn de toch al geringe bevoegdheidsmarge van de particuliere instellingsbesturen verder in te perken. De vakorganisaties van werkers in de instellingen blijven even-min achter. Recent is het voorbeeld van de organisaties voor welzijnswerkers, die nota bene in een collectieve arbeidsovereenkomst (allerminst de plaats waar structurele wijzigingen in bestuursverantwoordelijkheid behoren te worden vastgelegd) willen bepalen, dat een kwart van de bestuursleden namens het personeel dient te worden be-noemd.

Tot nu valt de constateren, dat de voorstanders van levensbeschouwelijke instellingen nog wel in actie komen, wanneer dit soort ingrepen dreigt. Helaas wordt daarbij echter te weinig beseft, dat zulke incidentele protesten niet meer zijn dan symptoombestrijding. Het signaal dat zou moeten doordringen is dat allerlei outsiders en daaronder speciaal de tegenstanders van het levensbeschouwelijk gefundeerde particuliere initiatief gebruik beginnen te maken van een verschralings- en verdorringsproces binnen de instellingen zelf, een proces dat al vergevorderd is. Andersdenkenden zijn er niet op uit een voor hen ongewenst bolwerk te vernietigen, ze proberen slechts de resten verder te ondergraven.

Met alleen incidentele protesten kan misschien nu en dan een bescheiden onderdeel nog een tijdje veilig worden gesteld. Wie het op levensbeschouwing gefundeerde parti-culiere initiatief weer toekomst wil geven, zal actief moeten worden, persoonlijk verantwoordelijkheid moeten aanvaarden voor een vernieuwing van binnen-uit. Ouders zullen de scholen weer moeten gaan dragen, weer echt gaan mee-leven en mee-denken, leden en gebruikers zullen hun passiviteit moeten laten varen en de op papier bestaande organisatie-structuren weer tot leven moeten brengen. Ongetwijfeld zal daarbij het een en ander moeten worden aangepast en bijgesteld, maar voor alles zal de identiteit en de behoefte om op verschillende terreinen te werken vanuit die identiteit weer duidelijk moeten blijken. Christelijke instellingen mogen geen machtsmiddelen zijn - dat zijn ze trouwens ook al lang niet meer - ze dienen weer een kracht te worden ten dienste van onze samenleving. Maar dat te bereiken vraagt wel herbezinning op tenminste de volgende punten:

- herbezinning op de grondslag en de daaruit voor onze tijd voortvloeiende doelstellingen (waarom doen we dit werk nu nog);

- herbezinning op de consequenties van grondslag en doelstellingen met het oog op het gebruikersbestand (voor wie doen we dit werk);

- herbezinning op de eisen, welke op basis van grondslag en doelstellingen mogen worden gesteld aan degenen, die ons als vakmensen helpen (met wie doen we dit werk);

- herbezinning op de vraag, hoe het gebruikersbestand weer reëel medeverantwoordelijkheid zal kunnen en willen dragen in een open en duidelijke relatie met bestuurders en vakmensen (hoe dragen we het werk samen).

Pas wanneer het particuliere initiatief een nieuwe, voor een ieder duidelijke zichtbare identiteit gaat vertonen zal zijn bestaansrecht op een ook voor tegenstanders overtuigende wijze verzekerd zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.