+ Meer informatie

De verwoesting van Jeruzalem

3 minuten leestijd

„Maar wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat hare verwoesting nabij gekomen is. Alsdan die in Juda zijn, dat zij vlieden naar de bergen; en die in het midden van dezelve zijn, dat zij daaruit trekken; en die op de velden zijn, dat zij in dezelve niet komen. Want deze zijn dagen der wraak, opdat alles vervuld worde, dat geschreven is, " sprak Christus eenmaal van Jeruzalem, dat tot de hemel toe verhoogd is, maar tot de hel toe nedergestoten is geworden. De Psalmdichter zong eenmaal: „Jeruzalem is gebouwd, als ene stad, die wél samengevoegd is; Waarheen de stammen opgaan, de stammen des Heeren, tot de getuigenis Israëls om de Naam des Heeren te danken."

Wij tellen het jaar 70.

Veel is er gebeurd sinds Christus rondwandelde op de aarde. Het Romeinse juk was hoe langer hoe zwaarder geworden en de Joden smachtten dan ook naar verlossing, nog steeds de Messias verwachtende. Nee, niets moesten ze van die Nazarener hebben. Zij hebben Hem gekruisigd en uitgeroepen: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen. Nu was het te laat. Het vlammende zwaard van de wrekende Gerechtigheid zou dood en verderf zaaien in de stad Davids.

Het gehele Joodse volk was in opstand gekomen. De Romeinse keizer had de veldheer Vespasianus en zijn zoon Titus met hun keurbenden er onmiddellijk op afgestuurd en deze legers drongen langzaam maar zeker op. De Christenen, gedachtig aan het Woord des Heeren vluchtten weg. De ene stad na de andere werd ingenomen. In de lente van het jaar 70 rukte Titus op naar Jeruzalem en nam de belegering een aanvang. Vreselijke tonelen speelden zich af, een hongersnood brak uit. Men zegt, dat een zekere Maria haar eigen zoon slachtte. In de stad zelf braken burgertwisten uit. In koelen bloede vermoordden de Joden elkander. De pest en andere ziekten braken uit. Sommigen trachtten de stad te ontvluchtten en naar de Romeinen over te lopen, maar een bitter einde was hun beschoren. De niets ontziende Romeinen nagelden velen van hen aan het kruis. Toen kwam de bestorming van de Tempelberg. Titus had bevel gegeven om de tempel te sparen, maar een soldaat wierp een brandend stuk hout in de tempel en na enkele ogenblikken was het schone gebouw één vlammenzee. Geen enkele steen zou op de andere blijven, had Christus eenmaal gezegd. Vreselijk was de wraak der Romeinen. Het bloed stroomde door de straten. In minder clan geen tijd was Jeruzalem een brandende stad. Het was een bittere ontgoocheling voor de Joden, dat de Messias niet verschenen was. De moed zonk hen in de schoenen en wie vluchten kon vluchtte. Velen werden gevangen genomen en tot slaven gemaakt. Volgens de geschiedschrijver is een miljoen mensen omgekomen, terwijl er 100.000 zijn weggevoerd. In een triomftocht trok Titus zegevierend Rome binnen met de gevangenen en de buit. Grote hulde werd gebracht aan de overwinnaar.

Gods Woord houdt stand in eeuwigheid, zong later Luther en zo is het ook, geen duimbreed zal dat Woord wijken. Jeruzalem is hier een afschrikwekkend voorbeeld van. De stad, waar David eeuwen geleden achter de ark huppelde was niet meer. De schaduwbeelden zijn verdreven en ontdaan van het mozaïsch omhulsel, trok het Evangelie van de gekruisigde Christus verder, van land tot land, totdat aan het einde der eeuwen de versmade Christus op de wolken zal verschijnen, om dan het bloed des rechtvaardigen te wreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.