+ Meer informatie

Enige gedachten over het studentenpastoraat

28 minuten leestijd

1. Actualiteit en terreinverkenning

1.1. Een ruchtbaarmakende studie

1.1.1. De ongelijkheid van de onderzochte groepen

1.1.2. Een sociologische studie

1.1.3. Een duidelijk beperkte studie

1.2. Een duidelijke leemte

1.3. Een globale afbakening van het terrein

2. Enige zorgen

2.1. Voorbereiding van de zogenaamde „thuis”-gemeente

2.2. (Ver) binding van de universiteitsgemeente

2.3. Vereenzaming van de studenten

2.4. Beïnvloeding door het neo-marxisme

3. Enkele indrukken

3.1. Een gunstige wending?

3.2. Moeilijke aansluiting?

3.3. Geen „apartheidsbeleid”

3.4. Positieverharding

3.5. Een groeiende samenwerking?

4. Suggesties en mogelijkheden

4.1. Het zgn. vóór-pastoraat

4.2. De eerste opvang en contactlegging

4.3. Een ecclesialisering van het studentenpastoraat

4.4. Een onontkoombare confrontatie

4.5. Samenwerking met andere Organen

4.6. Studie over ontwikkeling van de student

4.7. Bewaring en werking van het evangelie

Enige literatuur

1. Actualiteit en terreinverkenning

Het mag met blijdschap en dankbaarheid geconstateerd worden, dat er de laatste tijd onder ons wat aandacht voor en discussie rond het studentenpastoraat is ontstaan. In plaats van studentenpastoraat is het wellicht beter te spreken over het pastoraat aan studerenden. Dit onder de aandacht van meerderen brengen werd hoog tijd, is zeer noodzakelijk en moet onontwijkbaar geacht worden, vooral in deze tijd. Het gaat ook om een uitermate belangrijke taak van de kerken.

Er is een duidelijke aanleiding gegeven om binnen de christelijke gereformeerde kerken deze taak nader te bezien en meer en op langere termijn te behartigen.

1.1. Een ruchtbaarmakende studie

Met name valt hier te denken aan de nogal wat beroering in de kerkelijke wateren verwekkende sociologische studie van drs. T. A. Bos: Tussen isolement en assimilatie, 1975. Dit werkstuk — een doctoraal scriptie — dwingt tot diepgaande bezinning en nadere overweging. Dat is ook de uiteindelijke intensie van de schrijver, leraar aan het vrijgemaakt, binnenverbandse Lyceum in de stad Groningen. In het „Ten geleide” schreef ikzelf dat er uit deze studie „veel te leren (valt) voor het pastoraat aan de christelijke gereformeerde studenten in onze stad”, blz. 8, en ik vermoed ook wel voor die in andere universiteitssteden!

Het ligt niet in uw en mijn bedoeling, dat we vanavond dit boekje tot in zijn finesses gaan doornemen om het daarbij te laten. We zullen de zaak van het pastoraat aan onze studerenden in bredere kaders zetten, maar toch wil ik eerst een aantal opmerkingen maken bij de genoemde publikatie. Het zijn opmerkingen, die ook door anderen reeds in geringe of meerdere mate zijn gemaakt of waarop nog in geheel niet is gewezen.

1.1.1. De ongelijkheid van de onderzochte groepen

Er zijn door T. A. Bos 60 vrijgemaakte studenten benaderd, blz. 32, waarvan er 35 reageerden. Deze studenten waren allen lid van de Geref. studentenvereniging. Hier beginnen al direct onze vragen: Waarom reageerden de overige 25 studenten niet? Waarom werden maar 60 van de 160 leden van de Geref. Studentenvereniging (G.S.V.) geïnterviewd met daartegenover nog wel 50 van de 80 in de kaartenbak van de christelijke gereformeerde studentencommissie aanwezige namen? Hoeveel studenten in totaal zijn er lid van de Geref. Vrijgem. Kerken in Groningen, die samen zo’n 6.459 zielen teilen? In vergelijking met de Chr. Geref. Kerk met een 1.750 leden toch meer dan de 160, die lid zijn van de G.S.V.?! Waarom werden speciaal de leden van G.S.V. benaderd? Zo blijkt in elk geval de socioloog Bos wat de vrijgemaakte studenten betreft gevist te hebben onder „het neusje van de zalm”. En dat duidelijk met opzet en doelbewust, want de G.S.V.-leden mogen geacht worden als de beste kerkleden onder de vrijgemaakten.

Uit de kaartenbak van de chr. geref. studentencommissie te Groningen werden een 50 namen gepikt van de ongeveer 100, die daarin verzameld zijn. Met de studentenouderling was afgesproken, dat deze namen nog nader met de heer Bos zouden worden doorgenomen. Want er zit in deze kaartenbak van alles, ook verschillende namen van studerenden, die in ons ledenbestand niet eens of niet meer voorkomen. Op de lijst van onze studentencommissie wordt ieder genoteerd, die contact heeft gehad, heeft of wenst met deze commissie en al deze namen zijn verzameld in de kaartenbak. Er zijn er bij, die niet eens lid zijn van onze gemeente, soms van geen enkele kerk. Een nagesprek over deze situatie van onze kaartenbak heeft echter nimmer plaatsgevonden met de socioloog Bos. Hij heeft dus zijn slag geslagen onder het „meest ruige veldgewas” — een typering van onze studentenouderling — van de namen op de lijst van onze studentencommissie. Op een pastorieavond met onze studerenden en andere belangstellenden uit de gemeente, waarop ook de heer Bos uitgenodigd en aanwezig was, had hij op dit alles geen weerwoord. Op dezelfde avond verklaarden 4 aanwezige studenten, dat zij de formulieren positief ten aanzien van hun houding tegenover onze kerken hadden ingevuld, maar dat deze formulieren bij hen nimmer zijn opgehaald, terwijl 1 student meedeelde de lijst niet te hebben ingevuld wegens te naïeve en te typisch vrijgemaakte vraagstellingen. Verdisconteert u deze 5 recht chr. geref. reacties en telt u ze bij de 25 geregistreerden, dan krijgt u een behoorlijk ander beeld en vergelijking!

Dit wil overigens niet zeggen, dat nu alles met de Groninger studenten nogal mee zou vallen. Maar daar kom ik later op terug.

1.1.2. Een sociologische studie

In de tweede plaats wil ik duidelijk onderstrepen, dat het in de publikatie van Bos gaat om een sociologische studie en niet om een kerkhistorische of theologische doorlichting van de spitsen van beider kerkelijk leven. Er zijn inderdaad aan het kerkelijk leven allerlei facetten, die met sociologisch materiaal meer verhelderd kunnen worden. Maar tegelijk moet het relatieve van een sociologische benadering van grootheden als band aan de gemeente van Jezus Christus, belijdcnistrouw en persoonlijk geloofsleven e.d. goed vastgehouden worden. Het is zelfs de vraag, of godsdienstsociologische begrippen en methodieken legitiem geaard zijn of kunnen worden voor een onderzoek van de geloofsbeleving en -verbondenheid van christenen en van een gemeente van Jezus Christus.

Vooral het werken met enquêtes is kerkelijk uitermate moeilijk. Dan moet men wel degelijk het kerkelijk klimaat kennen en aanvoelen, temeer als het een onderzoek betreft, dat twee verschillende kerkformaties omvat. Zo zou aangetoond kunnen worden, hoezeer vele vragen wel vrijgemaakt geaard zijn, maar niet christelijk gereformeerd, zodat ze eigenlijk niet gebruikt mogen worden, omdat ze door christelijk-gereformeerden met een heel andere intentie, gevoelswaarde en achtergrond worden gehoord en gelezen. Ik denk o.a. aan de vragen naar de vriendenkeuze, het lezen van een bepaalde krant of het stemmen op een bepaalde politieke partij.

Men zou aan de hand van genoemde studie ook aan kunnen tonen, dat het met de vrijgemaakte kerken niet zo best gaat. Dergelijke waarschuwingen worden ook hier en daar in recensies vernomen. Als van het „puikje” van de vrijgemaakte studenten, van de koplopers, geldt dat nog 10 van de 35 ander dan vrijgemaakt onderwijs volgden, 9 het liberale Nieuwsblad van het Nooiden lezen, 13 geabonneerd zijn op Elsevier, 7 het niet bezwaarlijk vinden lid te worden van een „neutrale” vakorganisatie, 20 geen bezwaar hebben om op zondag te reizen, 12 niet uitdrukkelijk voor een gereformeerde politieke partij zijn, 8 zich niet positief uitlaten over de vraag, of de Bijbel als historisch volkomen betrouwbaar aanvaard moet worden, 22 het gebruik van voorbehoedsmiddelen niet zonder meer verkeerd achten, 25 menen, dat onze belijdenisgeschriften nodig gemoderniseerd moeten worden, 13 een vrouw als diaken nog niet zo gek zouden vinden in hun kerk, 23 een interkerkelijke opzet van zending en evangelisatiewerk niet uitsluiten; en wanneer de heer Bos in een heel voorzichtige conclusie zelf meer openheid bepleit van de vrijgemaakte scholen ten aanzien van het toelaten van christelijk-gereformeerde kinderen en jongeren, dan kunt u begrijpen, dat in de vrijgemaakte pers uitroepen weerklinken als: Waar gaan we heen met de Vrijmaking? Raken ook wij de greep op onze jongeren en studerenden kwijt?

1.1.3. Een duidelijk beperkte studie

De heer T. A. Bos heeft in zijn „Nabeschouwing”, blz. 66, duidelijk de beperktheid van zijn studie en onderzoek aangegeven. De student is anders dan het gemiddelde kerklid en het aantal ondervraagde studenten is niet volledig representatief naar beide kanten te noemen. Zelf schreef ik: „Voor het trekken van conclusies en consequenties uit deze studie met betrekking tot een tekening en beoordeling van het totaalbeeld der beide kerken is m.i. een breder onderzoek, een nadere toespitsing en een nauwkeuriger afweging nodig, omdat het in dit werkstuk gaat over een kleine, uitzonderlijke groep leden in genoemde kerken van gereformeerd belijden”, blz. 8.

Het is daarom jammer te noemen, dat de heer Bos in een interview in het Nederlands Dagblad zich toch de kant laat optrekken van een generaliserende conclusie, waarschijnlijk mee door de vraag, die hem gedaan werd, welke luidt: „De uitslag van uw onderzoek is weinig vleiend voor de Chr. Geref. Kerken ……”, waarop hij repliceert: „Inderdaad, ik geloof, dat de Chr. Gereformeerden op dit ogenblik met een groot probleem zitten en dat probleem zit bij de jeugd. Misschien vormen de studenten een uiterste, maar waarschijnlijk geldt de uitslag van het onderzoek ook wel voor een groot deel van de gewone jeugd. Het zwakke punt is, dat die jeugd op de algemeen christelijke scholen geconfronteerd wordt met bijv. een modernistische théologie en met een levensstijl van de gemiddelde jeugd vandaag. Daar zullen de christelijke geref ormeerden nog wel meer moeilijkheden mee krijgen. De chr. gereformeerden hebben eigenlijk nooit een eigen identiteit gehad”. Ik kan namelijk zeggen, dat de overige jeugd in Groningen bijzonder goed kerkelijk meeleeft en trouw de kerkdiensten bezoekt. Er is een bloeiend verenigingsleven enz.

Het is even jammer, dat ds. J. H. Velema in De Wekker zich tot dezelfde, algemene problematiek liet verleiden en in zijn artikelen doorgaat op de eigen „identiteit” van onze kerken en dan nogal negatief zich opstelt: er is identiteitsverlies onzer kerken. De studerenden verdwijnen hierbij totaal uit het blikveld en geëindigd wordt in een nietszeggende aanduiding van plaats en taak van de christelijke gereformeerde kerken in dit land. Ik noem dit afleidingsmanoeuvres ten aanzien van de eigenlijke zaak. Men moet oppassen voor het leggen van een te sterke verbinding tussen kerkelijko identiteit en studentenpastoraat, alsof bij een goede, levende identiteit een pastoraat aan studerenden niet meer nodig zou zijn. Trouwens, wat is de theologische en geestelijke betekenis van een door één of meerdere voorgangers ontworpen identiteit der kerk?! Is dit niet een stukje hoogmoedige eigen-kerkhandhaving? En daar moet je nu juist in de studentenwereld niet mee aankomen. Het is studenten gewoon eigen — en niet alleen in deze tijd — om eens flink tegen bestaande en zogenaamde „identiteiten” aan te trappen.

Ik maak vanavond de overstap echter niet mee naar een generaliserende conclusie of uiteenzetting over één of andere identiteit der kerk, maar wil bij onze studenten en het pastoraat aan studerenden blijven, bij deze kerkleden die toch al zo vaak vergeten zijn onder ons!

1.2. Een duidelijke leemte

Vergeten zijn. Inderdaad.

Ik wilde me dus oriënteren op het studentenpastoraat en greep daartoe naar een handboek over de zielszorg. Maar van gereformeerde zijde bijna niets voorhanden. In de „Christelijke zielszorg” van G. Brillenburg Wurth uit 1955 komen ze in het geheel niet aan de orde. Dan maar bij anderen, tot in het buitenland, gezocht. E. Thurneysen spreekt in „Seelsorge im Vollzug”, 1968, wel over huwenden, zieken, stervenden en treurenden, maar geen zuchtje over studerenden. In het zesdelige „Handbuch der Pastoraltheologie” (1964-1972) worden slechts 20 bladzijden (Bnd. III S, 271-292) gewijd aan de „Studentenseelsorge”, waarvan de meeste bladzijden nog gaan over de „Hochschulgemeinde” en niet direct over de studenten zelf en hun Problemen.

Enkele detailstudies geven aanzetten tot een studentenpastoraat. Maar de aangedragen stof zal gecombineerd en uitgediept moeten worden vanuit een duidelijk gezichtspunt. Ik denk bij detailstudies o.a. aan een bundel artikelen over „Gods Woord in het studentenleven” van S. G. de Graaf, dr. J. H. Bavinck e.a., maar deze bundel is al uit 1941, dus wat verouderd en gaat meer over de studie dan over de student en het kerkelijk pastoraat aan hem. Dit is wel het geval met de publikatie van prof. dr. P. C. Kuiper over „Liefde en sexualiteit in het studentenleven. Een poging tot eerlijke voorlichting en doorlichting”, 1967, van protestantse zijde, en van J. Cocle over „Geloofsbegeleiding van studerende meisjes”, ook 1967, van roomse zijde. Vooral het laatstgenoemde boek gaat volop in op het pastoraat aan studerenden, maar het is naar uitgangspunt en uitwerking principieel rooms en beperkt zich tot de vrouwelijke studenten. Helemaal in de materie en van binnenuit geschreven staat het boek „Studentenpastoraat na 25 jaar”, 1975, dat zelfs breder oriënteert dan de Groninger situatie, al is het daar in de eerste plaats op gericht.

Doch al met al is de bezinning op dit vlak en voor dit stuk pastoraat nog in de kinderschoenen en valt er nogal wat werk te verzetten en in te halen. Ook onder ons. Zijn de studerenden kerkelijk niet een behoorlijk vergeten en vaak verwaarloosde groep? Ik heb zelfs de indruk, dat er enkele jaren geleden meer aandacht voor hen was dan thans. Daarom is het toe te juichen, als die aandacht vandaag weer gaat herleven en wanneer deputaten voor contact met de kerkjeugd er stimulerend achter gaan staan. In dit referaat lever ik er mijn aandeel aan in de hoop, dat deze avond nog meer activiteiten zal ontplooien, ook naar het grondvlak van de plaatselijke gemeenten toe.

1.3. Een globale afbakening van het terrein

Als ik nu met u het terrein van het studentenpastoraat overzie en ga betreden, strekt zich een uitgebreid en schier onontgonnen gebied voor ons uit. Ik ben me er ook goed bewust van dat ik op mijn eentje dit gebied niet in kaart kan brengen, maar het enige wat ik van plan ben te doen is: trachten enige grenzen en lijnen te trekken en paden begaanbaar te maken voor onze pastorale bemoeienis rondom studerende leden van onze gemeente.

Het gaat daarbij duidelijk om leden van de gemeente van Jezus Christus of m.a.w. om deelgenoten van het verbond met God. De studenten en studerenden horen erbij en mogen vanuit de gemeenten en de kerkeraden niet zonder meer worden afgeschreven, zolang zij zichzelf niet hebben onttrokken. Dit is een belangrijk principieel uitgangspunt in het pastoraat en in de aandacht van de deputaten voor contact met de kerkjeugd voor déze kerkleden ! Ik zou willen pleiten voor de legitimiteit van de kerkelijke zorg aan déze leden en daarmee voor een legitieme plaats ervan in het beleid en in de rapportage van onze deputaten naar het plaatselijk niveau van de kerken en naar haar meerdere vergaderingen.

Vervolgens gaat het om het pastoraat aan deze leden en deelgenoten. Nu is pastoraat te typeren als een confrontatie met Gods Woord naar zijn veelzijdige aspecten van vertroosting, vermaning, vorming, weerlegging, terechtwijzing enz. in de vorm van ontmoeting en gesprek, heel persoonlijk en ook zeer concreet toegespitst. Dit pastorale maakt het omgaan met studerenden ten hoogste geladen, nooit vrijblijvend en tegelijk open naar al de kanten van het werk van de Heilige Geest en van de werking van het Koninkrijk Gods.

Binnen deze grote verbanden gaan we onze verkenningstocht voortzetten in het land van het studentenpastoraat. We stuiten allereerst op enkele zorgen. We geven u vervolgens enkele indrukken weer. Daarna doen we u wat suggesties aan de hand om tenslotte te komen tot het aangeven van enkele mogelijkheden voor dit bijzondere pastoraat onder ons.

2. Enige zorgen

Al hebben we hier en daar vraagtekens gezet bij de studie van T. A. Bos, Jat wil nu niet zeggen, dat we uitroepen: Het valt dus allemaal nogal mee met de christelijke gereformeerde studenten in de universiteitssteden. Integendeel, er zijn nogal wat zorgen rondom deze kerkleden. Enige ervan ga ik u noemen, soms zonder duidelijke rangorde of verband met elkaar, doch die mij in mijn contact met studenten duidelijk zijn geworden en zwaar op het hart liggen.

2.1. Voorbereiding van de zgn. „thuis”-gemeente

Het blijkt telkens weer, dat de student, de middelbare scholier, in zijn wat we hier willen noemen „thuis”-gemeente, de gemeente waaruit hij komt, te weinig wordt voorbereid op zijn verblijf en werk aan de universiteit en in de grote stad. Er is zeker verschil te maken tussen studenten, die al wonen in de universiteitsplaats en er dan gaan doorstuderen én studenten, die ernaar verhuizen als hun verdere studie een aanvang neemt. Ik denk nu vooral aan de laatsten, al moeten we ons afvragen of de voorbereiding bij de eersten wel voetstoots als voldoende kan worden aanvaard.

In het algemeen wordt er in het gezin en in de plaatselijke gemeente te wemig voorlichting gegeven over de geestelijke en kerkelijke situatie van de kornende studieperiode. In vele gevallen wordt niet eens aan een ’universiteitsgemeente’ bericht gedaan, dat er een gemeentelid is gaan studeren en wonen in die plaats. Pas na een half jaar of langer, soms zelfs in het geheel niet, ontdekt de studentenouderling of een lid van de studentencommissie, dat er nog een christelijke-gereformeerde student(e) in zijn stad huist en rondzwerft. Het komt voor, dat de predikant of de kerkeraadsleden van de „thuisgemeente” er niet eens van op de hoogte zijn, dat er gemeenteleden dóórstuderen, waarin en waar.

Waar dit wel en liefst van tevoren bekend is — laat de catecheet het eens tijdens de catechisaties aan zijn catechisanten van de leeftijd tussen 16 en 20 jaar vragen, wie en wanneer ze gaan dóórstuderen en dat noteren — schenkt men er toch in de regel te weinig aandacht aan om de jongeren kerkelijk en geestelijk voor te bereiden op de kornende période. En daar er almeer jongeren gaan dóórstuderen, kan dit niet meer genegeerd worden. Het pastoraat aan studerenden en studenten is dus maar geen kwestie voor de universiteitsgemeenten, maar ook van de pastorale werkers in de thuisgemeenten. Laat de pastor of de jeugdouderling van de thuisgemeente de jongelui, die van plan zijn te gaan dóórstuderen, eens een avond samenroepen en met hen samen over de kornende studietijd praten, misschien samen met de ouders of met die ouders apart. Het gaat om een levensbelang van de kerk en haar leden. Studentenpastoraat is geen zaak voor universiteitskerken alleen, maar van de héle kerk.

Het lijkt me ook heel belangrijk, dat de thuisgemeente, ook al woont de student(e) in de stad op eigen kamers en al staat hij/zij daar kerkelijk ingeschreven, de contacten met deze leden blijft onderhouden en af en toe ontmoetingen, uitwisselingen en gesprekken ter wederzijdse informatie organiseert, bijv. in weekenden als de student (en) thuis is (zijn). Dit geldt ook van het leggen en onderhouden van relaties van de ouders met de universiteitskerkeraden.

Wellicht kan in de bespreking het één en ander nog verder worden uitgediept; het gaat mij hier om het aangeven van de probleemvelden.

2.2. (Ver) binding met de universiteitsgemeente

Ook het leggen van verbindingen en het aangaan van een binding met de universiteitsgemeente is van uitermate belang voor de studerenden. Het lijkt me dat voor studenten, voortgekomen uit deze gemeente en die blijven wonen in de eigen stad, deze (ver)binding bepaald wordt door het verleden. Was die tot nu toe goed en hecht, dan blijft die wel doorlopen. Zo is tenminste de ervaring” in Groningen.

Moeilijker ligt het met hen, die van buitenaf binnenkomen. Ik noemde al even het door de plattelandsgemeente op tijd melden van het feit, dat die en die komt studeren. Dat kan het eerste contact worden. Blijft dit achterwege, dan kan het burgerlijk register de persoon achter de schermen vandaan doen kornen, maar dan weet je niet uit de gegevens van binnenkomst of de ingekomen jongere een student (e) is of niet. Om dat te achterhalen geeft enige weken, soms maanden tijdverlies. Ook kan een kennismaking- en instructieavond en -bijeenkomst (KEIavond) contactbevorderend zijn. Een zoekpartij onder bijvoorbeeld zo’n 10.000 studenten naar een christelijk-gereformeerde verstekeling of onderduiker is natuurlijk ondoenlijk. Kom je soms de één of ander nog op het spoor, dan is het meestal te laat.

De eerste opvang en contactlegging is zeer belangrijk.

Ook verdere versteviging en uitbouw van de gelegde contacten zijn noodzakelijk. Een student heeft gauw de neiging om zoveel mogelijk vrij te blijven. Dat zit nu eenmaal in het goed op gang kornende studeren ingebakken. Hoe dit psychologisch en/of sociologisch precies in elkaar zit, zal nader bekeken moeten worden. Het feit wordt er niet minder zorgvol door.

Een goede opvang van nieuwkomers vraagt van de universiteitsgemeente veel. Hier hebben pastores, studentenouderlingen en -commissieleden de handen vol aan. Er moeten ontmoetings-avonden, gesprekskringen, catechisaties en weekenden georganiseerd worden. M.i. is het zeer belangrijk de student (e) blijvend een plaats te geven, niet apart van of tegenover de gemeente, maar er middenin, als lid met de andere leden. Teveel hebben we de studerende wat apart, geabstraheerd benaderd, uitgekapseld uit het verband van heel het gemeentelijk leven, ten nadele van hemzelf en ten nadele van de gemeente. Hoe meer hij/zij van het begin af bij de gemeente betrokken en in de gemeente opgenomen wordt, hoe hechter de binding, hoe meer gemeente en studerend lid voor elkaar kunnen betekenen en hoe minder vereenzaming de christen-student overvalt.

2.3. Vereenzaming van de studenten

Want vereenzaming is er ontegenzeggelijk in het studentenbestaan en wel vanuit verschillende invalshoeken.

Allereerst vanuit de studie. Studie vraagt theoretische concentratie, wat ook isolatie inhoudt. Studie vraagt een kritische instelling, d.w.z. een zich zoveel mogelijk bevrijden van traditionele denken leefpatronen, van innerlijke vaak tot nu toe latente meningen van anderen en autoritaire instanties. Dat brengt isolering, vereenzaming, vervreemding teweeg, een teruggeworpen worden op je meest eigen verwerving, verwerking en toetsing van overtuigingen en beweringen.

Verder moeten we hier ook in betrekken de eigen vorm van het studentenleven. Men huurt een kamer. De huiseigenaar ziet men nauwelijks. Ieder leeft op zichzelf. Men wil ook experimenteren en verifiëren wat er in zo’n eigen leven en leefwijze voor (on)mogelijkheden zitten. Men kookt z’n eigen potje. Het gezinsverband valt weg. Een studentenflat is zeker geen gezinsvervangend tehuis en intensiveert in hoge mate de vereenzaming der studenten. Men deelt eigen dag in naar eigen idee. Men ziet alleen maar collegeroosters, -tijden, -dictaten, -docenten en -medestudenten. Dat verengt de blik, frustreert de aanwezige energieën en verwekt hier en daar uitwassen in extremis.

Ik heb me door onze studentenouderling laten overtuigen van de in onze tijd toenemende innerlijke vereenzaming, vervreemding, isolering, individualisering en massalisering der studenten. Is het toenemen van het zgn. samenwonen een reactie hierop of een sublimatie hiervan? Hier ben ik gekomen aan zaken, waar ikzelf maar even ingedoken ben. Wie stapt er verder in met pastorale bewogenheid voor onze studenten, ook tijdens hun studie aan theologische hogescholen of theologische faculteiten in universiteitssteden. Het is goed gezien, dat op deze bezinningsbijeenkomst ook de raad van Apeldoorn is uitgenodigd. Want onze studenten in Apeldoorn leven niet op een eiland. Ook onder hen kan de vereenzaming inburgeren!

2.4. Beïnvloeding door het neo-marxisme

Daar komt in onze dagen nog overheen een veldwinnend oprukken van het neomarxisme, waarin afgerekend wordt met het traditionele, kapitalistisch-geaarde bijbelgeloof, zoals het in dit kamp wordt genoemd. Binnen dit neo-marxisme is nog wel plaats en ruimte voor de vrije mens, die leven wil naar de inspiratie van de grote Jezus, die altijd de zijde koos van de underdogs in de samenleving, van welke mentaliteit Marx de meest inspirerende profeet is voor onze dagen. Het program luidt dan ook: Jezus dienen op de wijze van Marx. Het is hier niet de gelegenheid om het hele neo-marxistische program aan een diepgaande analyse en beoordeling te onderwerpen; het gaat ons nu om een globale typering. Doch het neo-marxistische program houdt in een nieuw kader voor alle wetenschappen, die volledig „umgeschwitzt” moeten worden naar neo-marxistisch model. Wie helpt even mee en liefst vol elan. Er zijn doctorstitels bij de vleet aan te verdienen. Een nieuwe spirit komt vrij voor wat aftandsgeworden wetenschappen.

Velen zijn en worden nog steeds geboeid door een evolutionistisch heilspanorama. Dit biedt weer religie binnen de ring en het leerhuis der universiteiten. Christenen mogen zelfs als koplopers de vaandels ontplooien. Hoevelen laten dan ook de kerk als verouderd achter en verzamelen zich in een nieuwe, neo-marxistisch wetenschappelijk gefundeerde heilsavantgarde.

Dit zijn zo ongeveer de pastorale zorgen in de universiteitsgemeenten vandaag. Na de zorgen echter enkele perspeetieven, enkele positieve indrukken.

3. Enkele indrukken

Waren de genoemde zorgen min of meer persoonlijk en lokaal gekleurd, dit is nog sterker het geval bij de volgende indrukken. Toch meen ik er goed aan te doen ze u door te geven.

3.1. Een gunstige wending?

Ik heb de indruk, dat er hier en daar onder de jeugd, en ook onder de studenten, een gunstige wending merkbaar wordt. We hebben de meeste moeite met de nu ouderejaars en afgestudeerden. Op de eersten vooral slaat ook het onderzoek van de heer T. A. Bos. Hebben we hen teveel losgelaten? Is dat een gevolg van het wegvallen van de eigen studentenorganisaties? Kwam het misschien door een algemene kerkelijke inzinking en verslapping onder ons, christelijke geref ormeerden?

De laatste tijd zien we echter onder onze studenten in Groningen iets opkomen, dat ons dankbaar stemt. Een positief christelijke instelling wordt merkbaar. Dit jaar deden 7 studenten openbare belijdenis des geloofs met sterke, ontroerende overtuiging. Ik kan nog niet goed thuisbrengen, waardoor deze wending is ontstaan en zou graag willen horen, hoe de ervaringen elders zijn.

3.2. Moeilijke aansluiting?

Vervolgens heb ik de indruk, dat — en ik heb dit al eerder genoemd — jongeren, die van buitenaf inkomen, nog steeds moeilijkheden hebben met het vinden van de aansluiting bij de universiteitsgemeente, ook met het vasthouden van de band aan Gods Woord en met het positief waarderen van het eigen kerkelijk leven. M.i. vraagt dit nadere bezinning en overweging binnen het beleid van deputaten voor het contact met de kerkjeugd, van jeugd- en studentenouderlingen en van heel het kerkelijk leven.

De vraag klemt almeer: hoe kunnen we hen die gaan dóórstuderen, vanuit hun eigen gemeente verhuizen naar de universiteitsplaats, vasthouden en hen in het leggen van verbindingen met hun nieuwe gemeente stimuleren en instrueren?

3.3. Geen „apartheidsbeleid”

In de derde plaats lijkt het mij nodig, dat we de aparte groep studenten niet zo apart moeten gaan behandelen. Het studentenpastoraat mag niet beheerst worden door een stukje kerkelijke apartheidspolitiek en -stratégie. Studenten zijn leden van de gemeente zonder meer. Hoe minder apart ze worden gehouden, hoe beter ze gevormd worden om hun eigen noden aan te kunnen en hun eigen inbreng te leveren binnen het geheel van de gemeente en de kerken.

We moeten naar mijn gedachte de studerenden en de studenten niet te geïsoleerd bezien en plaatsen. We mogen vanuit de gemeente van Jezus Christus hun vereenzaming niet vergroten of verdichten. Het scherm moet open blijven vanuit hun plaats binnen de gemeente. Ik dacht, dat dit ook in de lijn ligt van het feit, dat het aantal studenten onder het totaal van de bevolking, en zo ook van het ledental onzer kerken toeneemt. Daardoor ontstaat de situatie dat het student-zijn niet meer zo apart en bijzonder is.

3.4. Positieverharding

Ik heb in de vierde plaats de indruk, maar meer dan een indruk is dit voorlopig ook niet, dat wetenschappelijk de posities van de levensovertuigingen en uitgangspunten aan de Nederlandse universiteiten zich aan het verharden zijn. Dit zou dan betekenen, dat de stellingen duidelijker worden en de keuzen noodzakelijker. Ook voor de studenten van christelijke (gereformeerde) huize. Je kunt niet meer „neutraal” blijven, vandaag aan de dag minder dan vroeger. Je kunt ook niet meer zo’n beetje christelijk, dat is van de Here Jezus Christus, zijn. Het wordt almeer: blijven bij Hem en dan met heel je hart en leven of weggaan van Hem en dan met heel je hebben en houden een andere heer toebehoren.

Als dit proces zich doorzet, ben ik daar blij mee. Dat betekent immers, dat onze studerenden auidelijker de keus krijgen voorgezet én overtuigender de keus zullen moeten doen, naar welke kant ook!

3.5. Een groeiende samenwerking?

Daarmee hangt samen, en dat is mijn laatste indruk, dat positief-overtuigende christenen, ook christelijke gereformeerden, almeer naar elkaar toegedreven worden en op elkaar aangewezen raken aan de universiteiten en in heel het wetenschappelijk bedrijf.

In zover als T. A. Bos in zijn doctoraa! scriptie daarvoor pleit, sta ik helemaal achter hem. Er moet nog meer samenwerking op dit gebied komen zowel intern als extern. Dit behoort mee een plaats te ontvangen in het functioneren van het studentenpastoraat.

Deze samenwerking moet bevorderd worden met alle bijbelgetrouwe Organen op dit gebied. Ik noem, zonder andere uit te sluiten, de I.V.F., de Youth for Christ, de Navigators, de G.S.V. enz. Ik heb de indruk, dat er onder onze eigen studenten weer de behoefte groeit naar een eigen orgaan, dat stimuleert en instrueert, niet tot apartheid en geïsoleerdheid als bij de vrijgemaakten binnen verband, maar tot een goede samenwerking onderling op landelijk niveau en mer anderen. Dat zal dan zeker opgezet moeten worden in andere vormen dan in de verdwenen C.G.S., doch wellicht vanuit dezelfde doelstelling: onderlinge dienst in geloofsbewaring en -versterking.

4. Suggesties en mogelijkheden

Ik rond het geheel af met enige suggesties en mogelijkheden. Ik doe dat stellingsgewijs, wat m.i. verantwoord is gezien de bovenstaande brede uiteenzettingen.

4.1. Intense behartiging van een zgn. vóór-pastoraat voor de komende studietijd in de thuisgemeente is geboden. Het vormen van een gespreksgroepje van middelbare scholieren, die een universiteitsstudie of hogere beroepsopleiding zullen gaan volgen, eventueel samen met hun ouders, kan bijzonder goed werken. Dit kan ook als een catechisatie of naast de bestaande catechisaties worden opgezet. Daarom heb ik ook hier en daar gesproken over een pastoraat aan studerenden.

4.2. Intensivering van de eerste opvang in en contactlegging met de universiteitsgemeente is noodzakelijk. Mogelijk kan het deputaatschap voor contact met de kerkjeugd in het brede vlak van ons kerkelijk leven hier wat initia tieven opzetten en informaties verstrekken. Als kanalen hiervoor zijn: aandacht in de theologische opleiding van toekomstige pastores voor het studentenpastoraat, welke aandacht natuurlijk meer accent en inhoud ontvangt, als zijzelf ervaren hebben, wat zo’n pastoraat betekent; instructie van plaatselijke kerkeraden, predikanten en jeugdouderlingen en -verenigingen met betrekking tot deze aangelegenheid; hulpverlening aan universiteitsgemeenten tot het opbouwen van dit pastoraat; het aan de orde stellen van deze problematiek binnen onze bestaande jeugdorganisaties en voorlichting verstrekken via kerkelijke bladen en aan kerkelijke vergaderingen.

4.3. Ecclesialisering van het studentenpastoraat, d.w.z. de studenten in de universiteitssteden zoveel mogelijk opnemen in de gemeente en in de taken van de gemeente, is van levensbelang. Geen apartheidsbeleid, maar integratie in het gemeentelijk leven, binnen de gewone catechisaties. het gewone jeugdwerk, sectiewerk, binnen de normale kerkdiensten en huisbezoeken. Dit bedoelt ook het zoveel mogelijk inschakelen van studerenden en studenten in het kerkelijk en gemeentelijk werk, zoals evangelisatiewerk, bezinningsgroepen, hulpverleningstaken enz. Zo moet getracht worden binnen de gemeenschap der heiligen ook de studerenden vast te houden. Dat betekent een verbreding van het studentenwerk in onze kerken, namelijk naar de gemeente toe en de hele gemeente erin betrekkend. Dat bewaart de studentenouderling of -commissieleden voor het op de trek komen staan en voor het overvallen worden van een geestelijke griep-, dat is vermoeidheidsperiode.

4.4. Verdieping van de bezinning op de confrontatie van het evangelie van Jezus Christus met de nieuw leven ingeblazen wereldbeschouwing van Karl Marx is onontkoombaar in onze tijd. Deze confrontatie wordt vooral over de hoofden en harten van studenten en studerenden uitgevochten. Hiervoor zal in de kernen en in de gezinnen veel meer aandacht moeten komen. Dit kon wel eeus een allesomvattende confrontatie worden in de kornende jaren. In dit verband zou het ook van belang zijn, dat er eens een doorlichting kwam van de huidige kaders van de universiteitsstudies en hun hele programmering en doelstelling.

4.5. Samenwerking met andere Organen op dit gebied moet gezocht en versterkt, plaatselijk, maar ook landelijk. Er kunnen gezamenlijk bijbelkringen gevormd, bezinnings- en getuigenisgroepen bemand worden. Overweging verdient, of het niet wenselijk is te komen tot het opnieuw, maar dan met andere vormen, opzetten van een eigen studenten-organisatie, al zou het maar in de vorm van uitwisselingsweekenden en jaarlijkse conferenties vol ontmoeting en bezinning voor studenten, docenten en belangstellenden zijn.

4.6. Persoonlijk lijkt het mij ook van belang voor een goed functionerend studentenpastoraat als ons meer licht verschaf t werd over de ontwikkeling, die een student doormaakt tijdens zijn studiegang, naar faculteit en vooral in verband met geloofscrises, vrijheidsdrang, vereenzaming enz. Ik heb de indruk, dat er toch bepaalde fasen zijn in zijn studiegang en zo dit juist is, dan kan het pastoraat daar meer op afgestemd worden.

4.7. Bij de laatste vragen naar het nut van het studentenpastoraat licht voor mij op het woord van Jezus Christus: Predik het evangelie aan alle creaturen! en: Mijn woord keert nooit ledig weer! In de bewaring van het evangelie, dat is in het doorgeven daarvan ook aan een nieuwe generatie, ligt de garantie dat het werken zal. Christus de Here zorgt telkens voor getuigen van zijn verlos sing, van zijn overwinning, ook aan universiteiten. In dat geloof mag het studentenpastoraat geschieden. Ook nu!

Enige literatuur

T. A. Bos: Tussen isolement en assimilatie. Gereformeerde organisatievorming in sociologisch perspectief. Groningen 1975.

T. A. Bos: Maakt eendracht macht of ligt in het isolement onze kracht? (Interview), Nederlands Dagblad van 24-1-1976, pag. 2, 3 uit Variant.

T. A. Bos: Isolement of assimilatie (VI), in: Nederlands Dagblad van 3-3-1976.

J. H. Velema: Een onthullende enquête I-III, in: De Wekker 85e jrg. 12-26 mrt. 1976, nrs. 22-24.

C. S. J. Janse: Tussen isolement en assimilatie. Grote verschillen tussen vrijgemaakte en chr. geref. studenten, in: Reformatorisch Dagblad van 20-2-1976, pag. 10.

G. Brillenburg Wurth: Christelijke zielszorg in het licht der moderne psychologie, Kampen 1955.

E. Thurneysen: Seelsorge im Vollzug, Zürich 1968.

F. X. Arnold e.a.: Handbuch der Pastoraltheologie. Praktische Theologie der Kirche in ihrer Gegenwart, Freiburg u.a., Bnd. I-V, 1964-1972.

S. G. de Graaf e.a.: Gods Woord in het studentenleven, ’s-Gravenhage 1941.

P.C. Kuiper: Lief de en sexualiteit in het studentenleven. Een poging tot eerlijke voorliching en doorlichting, Arnhem 1967.

J. Cocle: Geloofsbegeleiding van studerende meisjes, Brugge/Utrecht, 1967.

A. M. Bootsma - de Langen e.a.: Studentenpastoraat na 25 jaar, Groningen (1975).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.