+ Meer informatie

Het volk der joden na de hemelvaart van Christus

4 minuten leestijd

3.

Felix, de broer van de vrijgemaakte slaaf Pallas, was benoemd tot landvoogd over Judea. Zijn bestuur was echter een aaneenschakeling van onlusten en naijver. Hij verdelgde een roversbende, die zo sterk en zo vermetel was, dat zelfs de hogepriester in het midden van de tempel werd gedood. Felix roeide ook een groot aantal dwepers uit, die het volk trachtten op te ruien. Hij doodde een valse profeet, die aan het hoofd van dertigduizend Joden, Jeruzalem wilde veroveren. De Syriërs hernieuwden in deze tijd hun oude aanspraken op Jeruzalem. Zij wilden de stad rechtstreeks onder hun beheer hebben. Dit geschil werd keizer Nero voorgelegd.

Festus volgde Felix op. Deze zette de oorlog tegen de rovers voort, maar zijn beide opvolgers Albinus en vooral Florus behoorden tot de rovers. Het werd een gouden tijd voor de booswichten, want de rijke Joden werden geplunderd en het volk werd verdrukt.

Ondertussen ging het in Cesarea ook niet goed. De Grieken durfden het te wagen een synagoge te ontheiligen. Onder het voorwendsel om deze incidenten te gaan sussen, wilde Florus zeventien talenten uit de schat van de tempel nemen. Een storm van verontwaardiging ging op, en er brak een oproer uit. Duizenden werden door de soldaten van Florus vermoord, ook al trachtte Berenice, de zuster van koning Agrippa met gevaar voor eigen leven tussenbeide te komen.

Florus was echter door het dolle heen en besloot tóch de tempelschat te plunderen en de Joden te vernederen. Hij beval de inwoners van Jeruzalem om de Romeinse soldaten die de opstand in Cesarea hadden neergeslagen tegemoet te gaan. De ongelukkigen gehoorzaamden, maar op het ogenblik dat zij de vaandels van de keizer groetten, vielen de soldaten op de weerloze Joden aan en vermoordden er duizenden. Van alle kanten verzamelden de Joden zich. Zij grepen naar de wapens. De woedende

Joden bevrijdden de tempel en verjoegen de Romeinen. Florus week uit naar Cesarea en lichtte Cestius, de landvoogd van Syrië in. Deze zond onmiddellijk waarnemers naar Jeruzalem.

Koning Agrippa, die zag dat zijn land op e rand van de afgrond stond, verzamelde het volk en trachtte tevergeefs door een redevoering de Joden te onderwerpen. Hij wees op de keizer van Rome, die een geregeld leger tot zijn beschikking had. Agrippa bezwoer hen om de wapens neer te leggen.

Het verbitterde volk wilde niet luisteren. Het geroep om vrijheid overstemde de stem van de koning. Men wierp hem met stenen en verbrandde zijn paleis. De muiters, aangevoerd door Eleazar vermoordden het Romeinse garnizoen. De voornaamste burgers van Jeruzalem smeekten tevergeefs om hulp tegen de oproerlingen. Florus weigerde maar koning Agrippa zond hulptroepen. Tevergeefs, de Romeinen werden ver-

slagen. Manahem, de zoon van Judas (de stichter van de nieuwe sekte) hitste het volk op. Hij bezwoer de Joden om het juk van de vreemdelingen van zich af te schudden en aan God alleen te gehoorzamen. Manahem maakte zich meester van de vesting Massada. Hoogmoed komt voor de val! Manahem kreeg last van hoogmoedswaanzin. Gekleed in een koninklijk gewaad vertoonde hij zich in de tempel. Dit was de partijgenoten niet naar de zin. Manahem werd gegrepen en door zijn vrienden ter dood gebracht.

„Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!"

Deze vreselijke woorden begonnen waarheid te worden. Na enkele onderhandelingen week de Romeinse veldheer Mitellus uit naar Cesarea. Vanaf dit ogenblik begon de wraak der Romeinen. In koelen bloede vermoordden de verbitterde Romeinen in Cesarea, twintigduizend, in Sicytopholis dertienduizend en te Alexandrië vijftigduizend Joden.

Cestius Gallius rukte met een sterk Romeins leger het koninkrijk van Agrippa binnen. Agrippa zelf voegde zich bij hen. Het duurde niet lang of de strijd ontbrandde. De gedrilde Romeinse soldaten moesten wijken voor de woedende fanatieke Joden. Bij Bethoron werden de Romeinen verslagen. Cestius verzamelde zijn legers en kwam terug. Het gelukte hem om Jeruzalem te heroveren, maar bij de bestorming van de tempel werd hij teruggeslagen. Het Romeinse leger moest opnieuw terugtrekken. De inwoners van Damascus wreekten zijn nederlaag en vermoordden tien duizend Joden.

De muiters gingen nu georganiseerd te werk en benoemden veldheren. Het waren Eleazar, Silas, Jezus en de geschiedschrijver Josephus. Deze veldheren richtten een leger op van honderdduizend man. Vanaf dat ogenblik werd het Joodse leger aan een strenge krijgstucht onderworpen.

In dezelfde tijd verzamelde een zekere Simon een groot aantal dieven en landlopers. Deze groep oefenden een ware terreur uit op de rijke Joden.

Keizer Nero zette Cestius af en gaf het landvoogdijschap van Syrië en het bevel over de Romeinse legers aan Vespasianus.

Zodra Vespasianus in Syrië was aangekomen, zond hij onmiddellijk zijn zoon Titus naar Alexandrië. Deze moest een invasie op Judea gaan voorbereiden. De nederlagen moesten gewroken worden...

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.