+ Meer informatie

Verkiezing en verwerping

4 minuten leestijd

(3)

De leer van de verkiezing en verwerping gaat dus van de gedachte uit, dat de mens gevallen was. O, zeker, het besluit Gods ligt in de eeuwigheid, toen nog geen mens het aanzijn had, en dus ook niet gezondigd had, maar God de Heere zag in de eeuwigheid al het gebeuren in de tijd met Goddelijke klaarheid vóór zich; Hij zag, hoe de mens zich in het Paradijs moed-en vrijwillig in het verderf zou storten, en toen reeds had Hij gedachten des vredes over de mensen, en heeft naar Zijn Goddelijk welbehagen een aantal personen bestemd tot redding en zaligheid, en de rest van het mensdom besloten te laten in dat verderf, dat zij zelf verkozen hadden: opdat in hen de rechtvaardigheid Zijner geschonden eer zou betoond worden.

Daar zal dan ook niet één verworpene reden hebben om God aan te klagen als de Bewerker zijner verlorenheid, maar ieder verworpene zal moeten erkennen, dat hij zijn verderf alleen te wijten heet aan eigen afkerigheid van God en de Zaligmaker.

Maar al staat het vast, dat in de hel niemand tegen God enige beschuldiging zal kunnen inbrengen, en ieder ten volle zal moeten beamen: „Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig! , dat wil nog niet zeggen, dat de ongelovigen lüer op aarde ook zo gunstig over de handelwij-' ze des Heeren denken. Integendeel: het zondig en hoogmoedig hart des mensen verzet zich tegen God en tegen Zijn vrijmachtige besluiten. Alleen genade leert de mens om Gods recht toe te vallen, en met Job te getuigen: „Verre zij God van goddeloosheid en de Almachtige van onrecht!"

We behoeven dan ook nooit te proberen om de leer der verkiezing en verwerping de mensen aan „het verstand" te brengen. Afgezien nog van het feit, dat het verstand dit besluit nimmer kan vatten noch verklaren, is de natuurlijke gesteldheid van het menselijk hart zó, dat zij nooit God rechtvaardigen wil in Zijn besluit omtrent 's mensen zaligheid. Besteedt dus maar nooit uw kracht en uw overredingsvermogen om ongelovigen te overtuigen van de redelijkheid en de billijkheid der uitverkiezing. Ge kunt evengoed proberen om aan een blinde het verschil in kleuren duidelijk te maken. Het baat u niets. Eerst moet God zelf het hart des mensen ontledigd hebben van alle eigendunk en zelf betrouwen; eerst moet de mens zien, dat hij een vijand Gods is, en evenzo een vijand van zijn eigen zaligheid, en eerder komt hij niet tot de belijdenis van de rechtmatigheid der besluiten Gods.

Het is dan ook wel verklaarbaar, dat alle secten en ketterijen, hoezeer zij onderling mogen verschillen, op dit éne punt het roerend eens zijn, n.1. dat de zaligheid niet aan Gods verkiezing, maar aan eigen vrije wil hangt. Daartegenover staat de Gereformeerde belijdenis, dat het niet is desgene, die wil, noch desgene, die loopt, maar des onfermenden Gods. We spreken hier natuurlijk niet over een bepaalde kerk, maar wel over een bepaalde belijdenis. Want wie door genade geleerd heeft de verkiezing Gods te omhelzen, die is het in hoofdzaak met heel de Gereformeerde belijdenis eens, omdat deze steunt op de absolute souvereiniteit Gods. En onze vaderen hebben dan ook met het volste recht de leer der uitverkiezing het „Cor Ecclesia", d.w.z. het hart der kerk genoemd, liet verschijnsel, dat in allerlei godsdienstige secten en richtlijnen dc belijdenis van de eeuwige verkiezing Gods gemist, ja bestreden wordt, is ook heel wel verklaarbaar. Zodra wij van harte de uitverkiezing Gods belijden, erkennen we daarmede, dat aan God alleen, als de opperste Souverein, het recht en de vrijheid toekomt, om over ons en ons leven te beschikken zoals Hij dat verkiest te doen.

Tegen niets verzet ons natuurlijk, menselijk hart zich zó sterk, als tegen de verkiezing. Wij willen zelf als God zijn, en de bestemming en het bestuur van ons leven zo gaarne in eigen hand houden.

En als dan op eens Gods Woord onze wensen en begeerten komt verstoren, door met grote nadruk te verzekeren, dat wij niets te zeggen hebben of te bepalen, maar dat God alleen naar de raad Zijns welbehagens te werk gaat, is het dan wonder, dat ons zelfzuchtig, hoogmoedig en eigenlievend hart tegen zulk een leerstuk toornt, en er zich briesende tegen verzet? En dat verzet komt niet van de wereld, want die bekommert zich om God en de verkiezing en haar eigen zaligheid in het geheel niet; maar het zijn juist de godsdienstige mensen, de „vrome" lieden, die het meest in opstand hiertegen zijn, en God geen God willen laten.

Daarover, zo de Heere wil, in een volgend artikel meer.

Berkenwoude.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.