+ Meer informatie

Het Marburger godsdienstgesprek van 1-4 October 1529 de geboortedag van de belijdenissen der Protestantsche Kerken

8 minuten leestijd

I.

De drie groote gebeurtenissen van het jaar 1529 staan met elkander in nauw verband. De Katechismus van Luther is een teeken van den opbloei der jonge Evangelische beweging, het scheen schier alsof heel het Duitsche rijk voor het nieuwe geloof gewonnen zou worden. Nu kwam het er op aan te schiften en te versterken. De Protestatie op den rijksdag te Spiers (Pinksteren 1529) werd tevoorschijn geroepen door den toeleg van den Duitschen keizer om de Evangelische stenden weer met geweld tot de gehoorzaamheid aan den paus terug te brengen. Nu vatte de aktieve en politiek goed geschoolde landgraaf Philip van Hessen het plan op tot een gezamenlijk verbond van de voornaamste Evangelische vorsten en steden. Reeds op 22 April 1529, toen hij nog te Spiers was, deelde de landgraaf aan den burgemeester van Straatsburg, Jacob Sturm zijn plan mede. In verbond met Saksen, Nürnberg, Ulm en Straatsburg wilde hij ook de Evangelisch gezinden onder de Zwitsers erbij betrekken. Sedert het jaar 1525 waren de verschilpunten tusschen de Evangelischen onderling, vooral die omtrent de Avondmaalsleer sterker op den voorgrond getreden. Niet slechts het groot aantal tractaten van de onderscheidene aanhangers, maar vooral ook de strijdschriften van de groote leiders, Luther en Zwingli, hadden de gemoederen bewogen. Indien het zou komen tot eene gemeenschappelijke actie van geheel het Protestantisme, dan was het vóór alles noodzakelijk, meende de landgraaf, dat een persoonlijke bespreking tusschen de theologen over de geschilpunten die aan de orde waren, zou plaatsvinden. Het godsdienstgesprek waartoe de landgraaf de partijen op 1—3 October uitnoodigde, vond ge-reede instemming bij Zwingli. Reeds 7 Mei antwoordde hij dat hij „gaarne” en met genoegen zou komen. „Eere zij God in den hooge, die wel in den hemel woont, maar alles op aarde leidt en bestuurt… en die uw hart versterkt tot den uitdrukkelijken wil om aan de vromen de eensgezindheid terug te geven.” In Witten-berg echter wilde men niet veel weten van „het maken van een bond”, noch het keurvor-stelijk hof noch Luther en zijn aanhang. Melanch-ton was bevreesd iets tegen den keizer te ondernemen, Luther meende dat er al genoeg over het Avondmaal geschreven was, het kwam hem voor een gebrek aan Godsvertrouwen te zijn, de zaak van het Evangelie, waarin men gelooft met het hart, door verbonden te willen versterken. Hij was er van overtuigd dat „zulk een verbond niet uit God was noch uit vertrouwen op God voortkwam, maar uit menschelijk slim overleg”. Evenals voor Luther was het echter ook zeer zeker voor Zwingli een innerlijke onmogelijkheid aan de politiek het geweten ten offer te brengen.

Uit eerbied voor den landgraaf echter gaf Wittenberg ten slotte toe. Reeds in Juni 1529 had men met de Zuid-Duitsche geloofsgenooten in de Schwabacher artikelen een gemeenschappelijke basis gevonden. Op 8 Juli gaf dan ook Luther zijne toestemming, nadat hij voor het godsdienstgesprek artikelen uitgewerkt had, die hij streng geheim hield en naar Marburg mede-nam. Melanchton waagde het intusschen niet hem mede te deelen dat in Marburg ook Zwingli tegenwoordig zou zijn. De elegante Züricher stadspredikant was den mijnwerkerszoon Luther niet alleen om zijn leer, maar ook wegens zijn geheele optreden geenszins sympathiek.

Op den len October 's namiddags 6 uur kwamen de afgevaardigden te Marburg aan: Zwingli in een zwarte wapenrok met een langen degen in den gordel, als een heraut van zijnen God uitgerust, Oekolampadius uit Bazel, Butzer en Hedio uit Straatsburg. Als secondanten van Luther kwamen uit Wittenberg mede Melanchton, Myconius, Agricola, Cruciger en Justus Jonas, uit Nürnberg Osiander en uit Zwabisch Hall Brenz.

Op den eersten dag werd in privaat-gesprekken over die leerstellingen gesproken, welke niet zoozeer onderling betwist werden, bijv. over de Drieéjenheid, de erfzonde, de rechtvaardiging en doop, zonder dat zich bijzondere moeilijkheden voordeden. Op den 2en en 3en October echter kwam men, niettegenstaande moeitevol pogen, over de Avondmaalsvragen niet tot overeenstemming. Ongeveer in dienzelfden tijd was in de Duitsche landen, tot afwering van de Room-sche denkbeelden, een nieuw en welbewust geloofsleven geboren en gegroeid. De beide leiders, Luther en Zwingli, hadden elkander echter nooit persoonlijk ontmoet. Ieder van hen was op zijn eigen weg door God geleid geworden. Dat kwam vooral in de Avondmaals-quaestie aan het licht. Voor Luther kwam het in het Avondmaal aan op een geheimenisvolle, onverklaarbare ontmoeting met God. „De sobere, duidelijke, machtige woorden der Schrift dwingen om te belijden dat Christus' lichaam en bloed in het Sacrament zijn”. Verdere verklaring heeft Luther niet noodig. „Voor den wil Gods moet men wijken”. „God is boven alle mathematiek verheven”.

Voor Zwingli lag in zulk eene uitlegging onduidelijkheid en oneerbiedigheid. „Waar staat het geschreven dat men met gesloten oogen de Schrift moet lezen?” „God leidt ons tot het licht, maar niet tot het duister”. De woorden: „doet dit tot mijne gedachtenis”, wist Zwingli in zijn voordeel aan te halen. Men streed hard en vinnig. Zwingli waarschuwde Luther dat hij zich aan zijn Avondmaalsleer „nog den nek zou breken”. Luther repliceerde dat „hij niet uitge-noodigd was geworden tot een twistziek dispuut, maar tot deelneming aan een vriendelijk gesprek, Zwingli mocht die trotsche en uitdagende woorden sparen, tot hij weder thuis bij zijn Zwitsers was, anders zou Luther hem ook wel eens op zijn falie kunnen geven”. „Als Zwingli en zijne aanhangers, zooals zij zelf zeiden, het noch begrijpen noch gelooven konden dat het lichaam van Christus in het Avondmaal tegenwoordig is, dan willen wij u ook laten gaan en u aan het rechtvaardig oordeel Gods aanbevelen, Hij zal wel weten wie gelijk heeft… uw geest en onze geest stemmen niet overeen, het is duidelijk dat wij niet eens geestes zijn”. Reeds bij het openen van het godsdienstgesprek had Luther het fluweelen tafelkleed opgeslagen en en de woorden op de tafel geschreven: „Dit is mijn lichaam”. Zwingli wees elk toegeven ten gunste van Luther's meeningen af. Hij was naar Marburg gegaan in de vaste overtuiging dat Luther zich voor de Avondmaalsleer, zooals hij (Zwingli) die als waarheid erkende, zou buigen. Voor Luther daarentegen kwam het niet op kennis en verstand allereerst aan, maar op gehoorzaamheid aan de Schrift.

Desniettemin leerden de beide tegenstanders elkaar in den loop der verhandelingen nader kennen en achten. Zwingli en de zijnen zagen dat de Wittenbergers niet „Kapernaïtisch”, d. i. 'n vleeschelijk misverstaan van de woorden van Jezus een eten met den mond van het lichaam van Christus leerden. En Luther liet er zich van overtuigen dat de Zwitsers niet maar een simpel gedachtenismaal, maar ook een geestelijke tegenwoordigheid van Christus in het Avondmaal zagen. Zoo kwam men dan ook van Lutherschen kant tot een eenheidsformule : als de anderen erkennen wilden „dat het lichaam van Christus in het Avondmaal aanwezig is en niet alleen in de gedachtenis der menschen”, dan wilden de Lutheranen van alle andere vragen afzien en de vragen: geestelijk of lichamelijk, natuurlijk of bovennatuurlijk zouden dan aan de uitlegging naar elks inzicht overgelaten worden. Maar daar deden de Zwitsers niet aan mede. Ook zij hadden intusschen zeker wel iets van den „anderen geest” bespeurd. Toch werd later op grond van deze eenheidsformule de hervorming in Wür-temberg doorgevoerd in het jaar 1534 en ook de Wittenberger Concordie in 1536, wat de aansluiting van Zuid-Duitschland en ook later van de Calvinistische landen (Paltz, Nassau, Bremen, Anhalt enz.) aan de Augsburgsche Confessie vergemakkelijkte. Na een gastmaal van de theologen op het slot van den landgraaf, bewerkte Luther den volgenden dag (4 October) de door hem medegebrachte Schwa-bacher-artikelen, waarbij hij alle scherpte vermeed en datgene, waaromtrent men het eens was, in het bijzonder op den voorgrond bracht. Zoo ontstonden de Marburger artiken, waarin het resultaat van het godsdienstgesprek werd samengevat. Over de drieëenheid, den persoon en het lijden van Christus, over geloof en rechtvaardiging, over doop, biecht en overheid ver-eenigde men zich eenstemmig in 14 artikelen; in het 16e artikel dat over het Avondmaal handelde, trad evenzeer niet zoozeer het verschil op den voorgrond, maar de wil tot christelijke liefde. „Wij gelooven en leeren allen van het Nachtmaal van onzen lieven Heer Jezus Christus, dat men beide gedaanten (brood en wijn) volgens de instelling van Christus gebruiken moet, dat het sacrament des altaars een sacrament is van het ware lichaam en bloed van Jezus Christus, en dat het geestelijk genot van dat lichaam en bloed voor iederen christen bij uitstek noodig is… En hoewel wij over de vraag of het ware lichaam en bloed van Christus lichamelijk in brood en wijn aanwezig is, ons niet hebben kunnen vereenigen, zoo behoort toch iedere partij tegenover de andere alle christelijke liefde te betoonen, voorzoover het geweten daar niet onder lijdt en beide partijen moeten den almachtigen God vlijtig bidden, dat Hij ons door Zijnen Geest het rechte inzicht schenke. Amen”. Deze artikelen werden door alle deelnemers onderteekend. Van iedere partij is nog een exemplaar met de handteekeningen in Kassei en in Ziirich aanwezig.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.