+ Meer informatie

EEN PREDIKANT UIT HET BUITENLAND BEROEPEN

8 minuten leestijd

Met enige regelmaat komt het voor en ook de afgelopen paar jaar is het voorgekomen: een kerkenraad van onze kerken laat voor het beroepingswerk het oog vallen op een predikant uit een van buitenlandse kerken waarmee de Chr. Geref. Kerken contact oefenen. Uit de contacten die deze kerkenraden dan leggen met deputaten correspondentie met buitenlandse kerken en met deputaten kerkorde en kerkrecht blijkt dat de regeling die we hiervoor hebben niet in alle details helder is. Daarom volgt in dit artikel een ‘routewij zer’.

DE HUIDIGE TEKST

De procedure die gevolgd moet worden wanneer een kerkenraad een predikant uit het buitenland wil beroepen, vindt men in art. 4 lid 4 sub b van de kerkorde. Kort gezegd komt deze hierop neer:

a. De kerkenraad vraagt deputaten correspondentie met buitenlandse kerken (DBK) vroegtijdig om advies. Dit advies wordt door deze deputaten schriftelijk en gemotiveerd gegeven, met o.a. daarbij aandacht voor de situatie in het betreffende kerkverband, de kerkelijke opleiding daar.

b. De kerkenraad hoort de gemeente ‘voorlopig’ over zijn voornemen.

c. De kerkenraad vraagt advies aan de classis; deze geeft dit advies pas wanneer zij kennis heeft genomen van het advies van DBK.

d. Wanneer het inzicht van de classis en dat van DBK niet met elkaar overeenstemmen, zal de classis nog geen beslissing nemen, maar een volgende vergadering beleggen met leden van DBK en van het deputaatschap naar art. 49 K.O.

e. Wanneer de classis haar goedkeuring heeft gegeven én de betreffende predikant het beroep heeft aangenomen, zal deze pas bevestigd kunnen worden wanneer er in een classisvergadering een colloquium doctum (letterlijk: een deskundig gesprek) met een gunstige uitslag is gehouden. Daarbij zijn de deputaten naar art. 49 K.O. aanwezig om advies te geven.

f. Daarbij wordt eenzelfde mate van kennis vereist als bij een gewoon peremptoir examen (dat is het examen dat door de classis bij een kandidaat die door ‘Apeldoorn’ beroepbaar is gesteld, wordt afgenomen).

U zult het met mij eens zijn dat de kerken hier niet ‘over eén nacht ijs gaan’. En het zou niet verbazend zijn wanneer iemand zich afvroeg: kan het niet een beetje eenvoudiger, waarom moet het zó ingewikkeld zijn? Daarom duiken we eens in de geschiedenis van deze procedure.

DE GESCHIEDENIS

In 1947 verschijnt een vernieuwde kerkorde, die heel snel door de breedste kerkelijke vergadering is vastgesteld. In die uitgave wordt over deze zaken nog helemaal niet gerept. Dat gebeurt voor het eerst op de synode van 1953. Dan wordt er een procedure vastgesteld (op basis van een concept van prof. J. Hovius, die toen kerkrecht in Apeldoorn doceerde). Daarin wordt gesteld dat de kerkenraad, de gemeente gehoord (…), advies vraagt aan classis en deputaten. Het horen van de gemeente gaat dus voor alles uit. Er wordt na de afwerking van die adviezen niet opnieuw gesproken over een nieuw horen van de gemeente, nee: ‘Wanneer de classis haar goedkeuring heeft gegeven en de betreffende persoon de roeping der gemeente heeft aangenomen’ zal het colloquium op de classis plaatsvinden, zo luidt de regel. Het horen van de gemeente, zo is te concluderen, loopt na de verwerking van de adviezen meteen uit op een daadwerkelijke beroeping door de gemeente.

Een bijstelling van deze tekst vindt plaats in 1977. Dan komt het advies van DBK op de eerste plaats te staan, daarna het voorlopig horen van de gemeente, daarna het advies van de classis. Van belang is dat bij deze wijziging opnieuw niet gesproken wordt van een nogmaals bijeenkomen van de gemeente: in één adem wordt daarna gesproken over het aannemen van het beroep door de ‘desbetreffende persoon’.

WAAROM DEZE AANSCHERPINGEN?

Gaandeweg wordt de procedure dus uitgebreider. Dit hangt samen met een ontwikkeling in de praktijk. Allereerst moet gezegd worden dat er wel eens vreemde dingen gebeurden bij deze beroepen ‘over de grenzen heen’. Zo kwam het voor dat een predikant die in Nederland niet christelijk gereformeerd was, een beroep naar een kerk in het buitenland aannam en vervolgens door een chr. geref. kerkenraad weer terug naar Nederland werd beroepen. Nu is dat niet onmogelijk, maar vanzelfsprekend is het toch ook niet. Het omgekeerde kwam ook voor: een chr. geref. predikant nam een beroep naar het buitenland aan en kwam na een aantal jaren weer terug naar Nederland, maar. als predikant van een andere kerk – van gereformeerd belijden, dat wel.

Bovendien was er in eerste instantie bij het gestalte geven aan de praktijk van het beroepen van buitenlandse predikanten slechts sprake van het over en weer beroepen tussen de CGK in Nederland en de Free Reformed Churches (of haar voorgangers) in Noord-Amerika en Canada. De band tussen deze kerken was groot, o.a. door de geschiedenis van de emigratie. Maar de wereld is groter en ook in Brazilië en Zuid-Afrika (om maar enkele landen te noemen) zijn kerken van gereformeerd belijden. En ook predikanten daarvandaan trokken de aandacht van sommige Nederlandse kerkenraden. Het noopte tot duidelijker regelgeving, om bij een voorgenomen beroep ‘goed beslagen ten ijs te komen’. DBK hebben een goed overzicht over het geheel en de plaatselijke kerken hadden en hebben daar baat bij.

ENKELE DETAILS

Enkele zaken vragen nog om een nadere uitwerking. Allereerst de woorden over het ‘voorlopig horen van de gemeente’, voordat de kerkenraad advies vraagt aan de classis. In de praktijk blijkt dat dit voorlopige horen in het (recente) verleden op verschillende manieren door kerkenraden is toegepast. In de ene gemeente werd over het voornemen van de kerkenraad om een bepaalde predikant uit het buitenland te beroepen een schriftelijke stemming gehouden, elders deed men het met een peiling bij handopsteken, of in vragende vorm, wachtend op enige reactie uit de gemeente. Het is van belang om erop te letten dat in de hele procedure (zie de tekst bij het eerste kopje van dit artikel, a-f) de gemeente slechts één keer genoemd wordt, en dat is bij het ‘voorlopig horen’. Het is dan ook de aangewezen weg om dit voorlopige horen concreet te maken door – net als bij de stemming voor een predikant in de eigen kerken – een schriftelijke stemming te houden. Op deze wijze verzekert de kerkenraad er zich zonder twijfel van dat de gemeente in voldoende meerderheid achter zijn voornemen staat. Het beroep kan dan nog niet uitgebracht worden (want de classis moet haar advies nog geven – vandaar het woord ‘voorlopig’), maar het is duidelijk dat de weg tot een beroep wat de gemeente betreft open ligt. Dat is een principieel aangewezen route – in het gereformeerde kerkrecht ligt het primaat immers bij de plaatselijke kerkenraad en gemeente wordt –, maar het is ook om een andere reden van belang. Na de voorlopige peiling komt immers de classis bijeen om advies te geven. Stel nu dat dit advies positief is, maar dat de kerkenraad daarna pas een stemming in de gemeente gaat houden (omdat er vooraf op een ‘lossere’ manier is gepeild) en de gemeente blijkt er bij stemming toch niet achter te staan. dan is dat pijnlijk voor classis, die immers zal zeggen: zijn we dáárvoor speciaal bij elkaar gekomen? Hier dient zich namelijk nog een detail aan dat benoemd moet worden. Het blijkt dat men in sommige classes onzeker is over de vraag hoe het classicale advies tot stand moet komen. Soms wil men daarvoor bijv. de classis contracta bijeenroepen. Dat is onjuist: die is er alleen maar om attesten van binnenkomende en vertrekkende predikanten te controleren en uit te schrijven. De classis zal in volledige samenstelling moeten vergaderen – al is dat soms maar voor een klein uur (bijv. wanneer het een predikant betreft die eerder al de Chr. Geref. Kerken diende).

Wanneer de kerkenraden op deze wijze handelen: eerst een schriftelijke stemming om het gevoelen van de gemeente te weten te komen en dan de classis verzoeken om een advies, dan kan na een positief classicaal advies het voornemen meteen uitgevoerd worden: op grond van de gehouden stemming en het advies brengt de kerkenraad het beroep uit en stelt de gemeente daarvan in kennis. In feite wordt zo dus dezelfde procedure gevolgd als wanneer een predikant een tweede beroep naar een gemeente aanvraagt, nadat hij korte tijd daarvóór voor een eerste beroep bedankt had (art. 5 lid 1 K.O.)

SAMENGEVAT

In kort bestek komt het dus hierop neer:

1. de kerkenraad zoekt contact met DBK voor een advies.

2. Na positief advies van DBK roept de kerkenraad de gemeente bijeen en vraagt haar voorlopige oordeel over een uit te brengen beroep door middel van een officiële stemming met (meestal in dit geval) enkelvoudige kandidaatsstelling en een bepaalde kiesdrempel.

3. Wanneer dat negatief uitvalt is de zaak van tafel.

4. Wanneer het positief uitvalt meldt de kerkenraad aan de gemeente dat de procedure zal zijn zoals hieronder omschreven.

5. De kerkenraad vraagt advies aan de classis, die daartoe in volledige vergadering (dus niet via het moderamen en ook niet via de classis contracta) bijeenkomt en kennis neemt van het positieve advies van DBK.

6. Na positief advies van de classis is de weg voor de kerkenraad vrij, gezien de uitkomst van 4, om het beroep uit te brengen.

7. Na onverhoopt negatief classicaal advies volgt op het niveau van de classis nader beraad, samen met DBK en deputaten naar art. 49 K.O.

8. Bij aanname van het beroep komt de classis opnieuw in volledige zitting bijeen voor het colloquium doctum, zoals omschreven in de regel van art. 4 lid 4 sub b.

Ds. Quant (1950) is sinds 2006 predikant te Huizen en dient de kerken onder meer als deputaat kerkorde en kerkrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.