+ Meer informatie

DE VERKIEZING VAN OUDERLINGEN EN DIAKENEN

8 minuten leestijd

Enkele aspecten

In Ambtelijk Contact van Oktober 1995 schreef een van ons (D.Q.) een artikel met de titel ‘Ambtsdrager worden: niet of wel?’ (zie pag. 577-580). Naar aanleiding van dat artikel hebben wij een aantal aspecten van de verkiezing van ouderlingen en diakenen besproken. We willen u graag deelgenoot maken van het resultaat.

Het ging in onze discussie om de volgende aspecten:

- Worden de ambtsdragers door de kerkenraad benoemd nadat ze zijn verkozen?

- Stelt men een dubbeltal of een aantal tweetallen?

- Er moet onderscheid worden gemaakt tussen ‘de meerderheid halen’ en ‘verkozen zijn’.

- Wat is de meerderheid als er geen dubbeltal wordt gesteld?

Op een van de punten zijn we het niet eens geworden en daarom vindt u in de volgende paragraaf twee meningen verwoord.

Benoeming door de kerkenraad

Eén van de zinnen in het bovengenoemde artikel was: ‘Hoe het ook zij, op een gegeven moment zijn de verkiezingen voor ambtsdragers door de gemeente achter de rug en de kerkenraad komt tot benoeming van de gekozenen’. Deze zin gaat uit van de gedachte dat er na de verkiezing door de gemeente nog een kerkenraadsbesluit nodig is alvorens de procedure kan worden voortgezet.

In dit opzicht bestaat er tussen ons beiden verschil van mening, maar geen geschil.

De twee meningen worden hieronder weergegeven.

1. Als men de kerkorde naslaat, dan blijkt dat deze in art. 22 de volgende stappen beschrijft en voorschrijft:

- kandidaatstelling door de kerkenraad;

- verkiezing;

- approbatie;

- bevestiging.

Dit artikel bevat niet een aparte stap van een benoemingsbesluit van de kerkenraad. De kerkenraad heeft dan ook geen bevoegdheid een door de gemeente gekozen broeder te weigeren te benoemen en dat houdt in dat een eventueel te nemen benoemingsbesluit altijd overeenkomstig de verkiezingsuitslag moet zijn en dus overbodig.

Als tijdens of vlak na de verkiezing blijkt dat er overwegende bezwaren zijn tegen de bevestiging van een van de broeders, kan de bevestiging via de approbatie worden voorkomen. Het gebruik van het woord ‘benoeming’ in de (niet-bindende) concept-regeling op pag. 167 K.O. is incorrect. Inhoudelijk kan men dit standpunt verdedigen door te wijzen op de invloed die de gemeente door het recht van verkiezing heeft verkregen en die tenietgedaan zou worden door aan de kerkenraad op te dragen de verkozenen (al dan niet) te benoemen. Als analogie kan men opmerken dat de leden van het parlement niet door de koningin, de regering of het parlement worden benoemd, maar door de kiesgerechtigden worden verkozen en in het parlement geïnstalleerd.

2. Het maken van een onderscheid tussen verkiezing door de gemeente en benoeming door de kerkenraad is reeds lang geleden in de gereformeerde traditie vastgelegd. Vandaar ook dat het concept-règlement voor de verkiezing van ouderlingen en diakenen dit onderscheid maakt, met de bedoeling dat dat ook wordt vastgelegd in het plaatselijke reglement.

In 1578 heeft de synode van Dordrecht naar aanleiding van het betrekken van de gemeente bij de verkiezing van ambtsdragers uitgesproken: ‘Het recht der benoeming zal bij de kerkenraad staan…’, waarna verderop wordt gesproken over ‘dubbelgetal uit hetwelk na beproeving van acht dagen de helft verkoren zal worden…’.

In een aantal handboeken kan men vinden dat na de verkiezing een benoeming door de kerkenraad moet volgen. Dr. F.L. Rutgers bijvoorbeeld schrijft in Kerkelijke Adviezen I, dat na de stemming ‘nog in eene kerkeraadsvergadering de aanwijzing der gemeente in eene formeele benoeming (moet) worden omgezet’.

Het is het recht van de kerkenraad - en ook zijn taak - om de gevolgen van de verkiezing door de gemeente vast te stellen en verkozen broeders al dan niet te benoemen. Men kan dit vergelijken met de procedure die gangbaar is bij het uitbrengen van een beroep op een bijzondere ambtsdrager, de predikant. In dit geval is het de gemeente die verkiest en de kerkenraad die beroept (zie de uitgave van de Kerkorde, pag. 151). Het spreekt vanzelf dat de kerkenraad dit alles doet in overeenstemming met de geldende (plaatselijke) regels.

De benoeming door de kerkenraad kan genomen worden in een kerkenraadsvergadering die direct aansluitend op de verkiezingsvergadering wordt gehouden. Zelfs kan het benoemingsbesluit tijdens de verkiezingsvergadering worden geformuleerd en kan het besluit dan worden genomen, want de verkiezingsvergadering is een kerkenraadsvergadering waarbij de stemgerechtigde leden van de gemeente aanwezig zijn.

We zijn het over alle andere zaken eens. Bijvoorbeeld over het volgende. Als men van mening is dat de ambtsdragers door de kerkenraad moeten worden benoemd, dan dient dat besluit in een kerkenraadsvergadering te worden genomen en deugdelijk te worden genotuleerd. De praktijk dat een afkondiging wordt gedaan dat ‘de volgende broeders door de gemeente zijn verkozen en door de kerkenraad benoemd’ kan niet zuiver zijn als er tussen de stemming en de afkondiging geen besluitvorming door de kerkenraad heeft plaatsgevonden.

Een dubbeltal of een aantal tweetallen?

In sommige gemeentes schijnt het gebruikelijk te zijn tweetallen te stellen. Als er drie vacatures voor ouderling zijn, krijgt de gemeente de mogelijkheid uit drie tweetallen te kiezen. Dat lijkt ons beiden in strijd met de formulering van artikel 22, dat voorschrijft dat een aantal dubbel zo groot als het te verkiezen aantal aan de gemeente wordt voorgesteld, waarvan zij verkiest zoveel er nodig zijn. Het kan echter zijn dat men voor een bepaalde functie, bijvoorbeeld het scribaat, een afzonderlijke kandidaatstelling doet omdat het goed vervullen van de functie van scriba slechts weinigen is gegeven.

De meerderheid halen en verkozen zijn

Het is dringend gewenst dat er in elke gemeente een verkiezingsreglement bij kerkenraadsbesluit is vastgesteld. Daarbij kan het model in het boekje met de kerkorde als voorbeeld dienen, maar vaak moet het op plaatselijke omstandigheden worden aangepast. Het is gewenst dat in zo’n règlement onderscheid wordt gemaakt tussen ‘de meerderheid halen’ en ‘verkozen zijn’.

Als men in de gunstige omstandigheid verkeert dat men, gehoorzaam aan de Kerkorde, een dubbeltal kan stellen, kan het makkelijk voorkomen dat er meer mensen de meerderheid behalen dan er vacatures zijn. Bij drie vacatures en 100 geldige stembriefjes kunnen er 300 stemmen zijn uitgebracht. De meerderheid is 51 en het is mogelijk dat de verdeling van de stemmen als volgt is: 51-52-53-54-55-35. Het reglement dient te regelen dat in dit geval de broeders met de 55, 54 en 53 stemmen verkozen worden verklaard. In het reglement kan tevens worden bepaald dat, als er een ontheffing wordt verleend, de broeder met 52 stemmen, en eventueel ook die met 51 stemmen, alsnog verkozen wordt verklaard zonder dat een nieuwe verkiezingsronde nodig is.

Het model in de uitgave van de Kerkorde is in dit opzicht niet duidelijk en verdient plaatselijke precisering.

Wat is de meerderheid?

In een verkiezingsreglement dient te worden bepaald wat de meerderheid is. Bij een stemming over een dubbeltal wordt gewoonlijk bepaald dat een kandidaat de meerderheid heeft behaald als het aantal op hem uitgebrachte stemmen groter is dan de helft van het aantal geldige stembriefjes.

In veel gevallen hebben kerkenraden er moeite mee voldoende geschikte kandidaten te vinden om een dubbeltal te stellen. Dat kan samenhangen met de leeftijdsopbouw van de gemeente. Hier en daar komt voor dat elk jaar opnieuw enkele kandidaten op de lijst staan, die evenzoveel keren slechts enkele procenten van de stemmen krijgen. Daarmee doet men de desbetreffende broeders onrecht. Het is ook onjuist kandidaten te stellen waarvan de raad twijfelt aan de geschiktheid. Het is dan beter een kandidatenlijst te maken met een aantal kandidaten dat minder is dan twee maal het aantal vacatures. Dat is een stap die men niet licht moet nemen: men komt hiermee in strijd met de kerkorde en de invloed van de gemeente op de samenstelling van de kerkenraad wordt kleiner. Het alternatief is echter erger. In geen geval mag men de dubbeltallen verlaten met het doel de gemeente minder invloed te geven.

Hoe moet in zo’n geval de meerderheid worden gedefinieerd? In het artikel van Oktober 1995 wordt het volgende gesuggereerd: ‘Als er x vacatures en y kandidaten zijn, wordt voor verkiezing geëist dat op de kandidaat een fractie y/x van de geldige stemmen is uitgebracht’. Dat kan nuttig zijn als y dicht ligt bij 2x (dan is er bijna een dubbeltal), maar is onbruikbaar als y = x (dan is er sprake van enkelvoudige kandidaatstelling). In het laatste geval zou namelijk worden geëist dat alle kiezers voor de desbetreffende kandidaat hebben gestemd en dat geeft aan elke kiezer een Vetorecht. Men kan dat ondervangen door te bepalen dat de fractie y/x alleen wordt gebruikt als die kleiner is dan bijvoorbeeld tweederde en dat in alle andere gevallen een tweederde meerderheid wordt gevraagd.

Waar er problemen zijn met het vinden van voldoende kandidaten, komt al gauw de situatie dat men slechts evenveel kandidaten kan stellen als er vacatures zijn: enkeltallige kandidaatstelling. In dat geval kan men ertoe overgaan op de stembriefjes achter (of voor) de naam van de kandidaat twee hokjes te plaatsen, resp. met ‘ja’ en met ‘nee’, en te bepalen dat de vereiste meerderheid wordt behaald als het aantal ja’s groter is dan twee maal het aantal nee’s.

We hopen dat met deze gedachten sommigen geholpen worden bij het zorgvuldig handelen bij de verkiezing van ouderlingen en diakenen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.