+ Meer informatie

DER JONGELINGEN SIERAAD.

5 minuten leestijd

(Pred. 12 j 1).

Het was een groot sieraad, dat Jozef zoo jeugdig God vreesde. Welgelukzalig is de man, die den Heere vreest; die grooten lust heeft in Zijn geboden.

Jozef had in al zijn verdrukking God tot zijn toevlucht en bescherming.

Die God vreest deert geen kwaad, zijn tent zal veilig wezen.

Zie dit ook in David en Salomo, hoe jeugdig mochten zij God vreezen.

Hoe godvruchtig was hun beider jeugd. Zij konden zingen: s. 71 : 4:

„Zoo Gij, van dat ik werd. geboren Ja, van mijn eerst begin Mij niet, uit teed're min Hadt ondersteund, 'k waar lang verloren; Dies doe ik, in gezangen U steeds mijn lof ontvangen".

Zij hadden in al hun bange dagen een sterke toevlucht tot God in Christus. O, beminde jeugd, het is zoo groot om jong voor een eindelooze eeuwigheid in God, door Christus, door Woord en Geest geborgen te zijn.

De dichter van Psalm 148 zingt: „Gij, maagden en gij, jongelingen! Laat nimmer af Zijn lof te zingen".

En zoudt gij jong moeten sterven; als het dan maar mocht zijn als de jonge kroonprins Abia, zoon van Jerobeam.

Wil vrij gansch Gods Woord doorbladeren en gij zult bevinden, dat alleen Gods volk maar een gelukkig volk is. Paulus zegt: „Het leven is mij Christus en het sterven mij gewin". Nu is dit geen vrucht van eigen akker.

Je zult zeker door je leeraars en ambtsdragers daarin onderwezen zijn, dat wij als een sieraad in Adam geschapen zijn en hoe wij als pronkstukken van Gods heerlijkheid in het paradijs stonden. Zie Gen. 1 en 2 en Zondag 3, vraag 6. En nu moedwillig zoo nameloos diep gevallen. Verbondsgewijze gestaan en gevallen in ons verbondshoofd Adam. Nu liggen wij in een doodstaat onder Gods toorn en vloek der wet, van nature ellendig en verdoemelijk onder de toegerekende erfschuld Adams en de erfsmet en daaruit dadelijke zonden.

O, jonge menschen, leest daarover biddend Gods Woord en de leer onzer Vaderen. En nu komt Salomo door Gods Woord tot ons en U, jonge menschen met een billijke eisch; ja, met een evangelische eisch, om te gedenken aan onzen Schepper.

Let wel: om te gedenken aan Uwen Schepper in de dagen der Jongelingschap, om weer met onzen Maker verzoend te worden door Zijn Zoon.

Wat is er nu redelijker en betamelijker dan Hem te kennen, den Eenigen en Drieëenigen God en Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft.

Dat wil niet zeggen, dat een mensch nog vermogen overgehouden zou hebben (in den val) ten goede. Integendeel, wij zijn onbekwaam om iets goeds te doen, zonder wedergeboorte. En dit is een werk Gods in ons. Evenwel blijft de eisch, beide van wet en evangelie op ons liggen. Daarom moet gedurig ons gebed zijn onder alle middelen: „Heere, bekeer ons, dan zullen wij bekeerd zijn".

Wat wil nu de tekst zeggen? De kantteekening zegt het zoo mooi en raak:

Schik U tot de vreeze Gods en tot het onderhouden Zijner geboden, dat is Zijn geheele ingestelde dienst.

Als Salomo dan zegt: „Gedenk aan Uwen Schepper in de dagen Uwer Jongelingschap, eer de kwade dagen komen en de jaren naderen in dewelke gij zult zeggen: ik heb geen lust in dezelve", dan wil dat ons zeggen: Doe het in Uw jeugd, doe het haastig, doe het zonder uitstel; want je mocht eens onverwachts opgeroepen worden om voor God te verschijnen. Die Mij vroeg zoeken, die zullen Mij

zekerlijk vinden. Aan den Heere komt de bloem der jeugd toe. Het wil zeggen, dat wij niet zullen uitstellen. In het vorige hoofdstuk lezen we zoo:

„Verblijd U, o jongeling in Uwe jeugd en laat Uw hart zich vermaken in de dagen Uwer jongelingschap en wandel in de wegen Uws harten en in de aanschouwing Uwer oogen; maar weet, dat God om al deze dingen U zal doen komen voor het gericht.

O, dat Goddelijke gericht. Ziet Art. 37 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis. Wat noodzakelijk, dat onze Schepper onze Herschepper wordt. Zie Zondag 3, vraag en antwoord beide. Hij, Die alle dingen uit niet heeft voortgebracht, onze Her-Schepper in Christus door Woord en Geest; het is om weg te wonderen.

Dit geschiedt door staat-en hartvernieuwing. Ja, afgesneden te worden van Adam en door het geloof ingeplant in Christus. Zie Zondag 7 vr. 20.

Levendmaking, wedergeboorte, bekeering, en verzoening zijn alle noodig.

En dit alles door de gansch heerlijke bediening van Christus. Dan wordt Efeze 2 : 1 vervuld: et Hem door den Geest opgewekt uit de doodstaat.

Dan leeren wij met de Pinksterlingen „Wat moeten wij doen om zalig te worden? " uitroepen:

Dan worden wij in onze verlorenheid ingezet, komt er een betrekking op God en eerst dan beginnen wij aan onzen Schepper te gedenken. Ik houd mij dan ook hierbij, dat het grootste geluk hierin bestaat, jeugdig God te vreezen en om in de gemeenschap Gods hersteld te worden en als een verloren Zoon te worden. (Lukas 15).

Dit alles geschiedt door de werking des Heiligen Geestes, die op Gods tijd ons deelachtig maakt, wat wij in Christus bezitten. De wereld gaat voorbij en zal ten onder gaan, haast U dan en spoed li om des levens wil.

Vooral nu de gansche wereld naar de jeugd grijpt. Dit is zoo terecht opgemerkt in het boekje „De Jeugd in Nood". Het zijn de verzoekingen, die over de geheele wereld zijn gekomen. De dood, de eeuwigheid komt. En dan die groote oordeelsdag. Vlied dan de begeerlijkheid der jonkheid.

Ga steeds biddend onder de middelen der genade en buig U onder het gezag van Gods Woord.

Alleen Gods volk is maar een gelukkig volk. Alleen zij hebben maar toekomst. Hun toekomstig adres JS: hierboven, de stad die fundamenten heeft, waarvan God de kunstenaar en bouwmeester is.

We eindigen deze korte schets met Jesaja 8 : 32 tot het einde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.