+ Meer informatie

Waar is Hermen?

ggfl VFH MET RODE OWRTJES

5 minuten leestijd

Hermen is op school. Hij speelt in de bouwhoek, met zijn vriend Evert. Ze maken samen een hoge muur. Evert zegt: „Ik ga vanmiddag met mijn nieuwe auto spelen. Die auto heb ik van oma gekregen". Hermen vraagt: „Mag ik die auto eens zien?" „O, jawel", zegt Evert, „kom maar eens bij me spelen". „Nee, ik weet wat!" roept Hermen. „Ik ga met jou mee naar huis als de school afgelopen is". „Ja, dat is leuk!" zegt Evert. „Maar juf mag het niet weten, niks zeggen hoor". Nee, natuurlijk niet, niks zeggen. Hermen en Evert hebben plezier om hun plannetje. Maar is het wel een goed plannetje? Is het niet een heel ondeugend plan?

Nu moeten ze opruimen. Ze gaan naar huis. Evert loopt altijd alleen. Maar Hermen gaat altijd met een busje, samen met zijn broer Okko.

Met een mooie, rode bus. Maar och, vandaag is Okko er niet, hij is ziek. Dus moet Hermen alleen in de rode bus. De chauffeur van de bus staat al te wachten. Hij doet de deur open. Hij zegt tegen de kinderen. „Kom maar binnen, jongens". Dan loopt hij naar de juf. Hij moet met juf praten. De kinderen roepen en duwen. Iedereen wil het eerste binnen zijn. Daar komt de chauffeur weer. Hij vraagt: „Zijn jullie er allemaal?" En dan... boems daar gaat de deur dicht. Het busje begint te rijden, toet, toe..t. De kinderen zwaaien naar juf. Ze roepen: „Dag juf, dag juf, tot morgen!"

De bus rijdt en rijdt. Hij rijdt naar het andere dorp. In dat andere dorp staan de vaders en moeders te wachten. Ze wachten en kijken, Komt de bus er al aan ? Ja hoor, daar komt-ie. Hermens mama staat er ook. Ze wacht tot Hermen uit de bus komt. Maar Hermen komt niet tevoorschijn. De andere kinderen wel. Heeft hij zich verstopt? Mama kijkt in de bus. Nee, Hermen is er niet. Waar is hij? Zij vraagt de chauffeur: „Hebt u Hermen niet meegenomen?" „Hermen?" vraagt de chauffeur. „Is Hermen er niet? O, wat erg". Hij kijkt ongerust. Mama ook. Waar is Hermen gebleven? Mama zegt: „Ik ga de juf bellen. Misschien is hij nog op school". Snel gaat zij naar huis. Ze vertelt alles aan papa. Papa wordt ook ongerust. Hij belt de juf. Juf zegt: „Nee hoor. Hermen is hier niet. Alle kinderen zijn al naar huis. O, wat verschrikkelijk. Waar is Hermen toch?" Wat moeten ze doen? De politie bellen? Papa zegt: „Ik ga naar school. Misschien loopt hij ergens op straat". En vlug rijdt papa weg. Mama blijft thuis. Zij moet toch op Okko en Marnix passen. En ze moet natuurlijk bij de telefoon blijven. Misschien belt papa straks.

Hé, wacht eens. Mama bedenkt opeens wat. Misschien is Hermen wel met zijn vriendje Reinder meegegaan. Ja, dat kan best. Mama belt naar Reinders huis. „Nee", zegt Reinders mama, „nee Hermen is hier niet. Maar ik zal helpen met zoeken hoor". O, wat is mama ongerust. Zij huilt. Wat is er met Hermen gebeurd? Heeft hij een ongeluk gehad? Mama belt de politie. Ze h\i RIJDT MAAS Her ANDEKE. OO.RP zegt: „Meneer de politie, onze Hermen is weg. Hij is vijf jaar en hij is niet met het busje meegekomen".

„O wee", zegt de politie. „Dat is niet best. Wij gaan direct naar de school toe. Wij zullen Hermen gaan zoeken. Dag mevrouw".

Zo, nu gaan er al veel mensen naar Hermen zoeken. Papa en Reinders mama. En de politie. Nu zullen ze Hermen wel gauw vinden.

Ring... ring..., daar gaat de telefoon. Mama pakt hem. Wie zal er bellen? Papa? Nee... het is Everts mama. Everts mama vraagt: „Bent u op zoek naar Hermen? Hermen is hier hoor, hij is bij Evert". Wat? Wat hoort mama daar? Is Hermen bij Evert? Hoe kan dat? Everts mama zegt: „Zij wilden met elkaar spelen, zij zijn samen naar huis gelopen". O, wat is mama nu blij. Ze huilt en lacht tegelijk. Dan belt ze direct de politie weer. En ze vertelt dat Hermen bij Even is. En ze belt Reinders mama ook. Wat is ze blij. Nog een klein poosje, en dan komt Hermen weer thuis, gelukkig. En ja hoor, een halfuur later... daar is papa met Hermen. JHPPH ZELF L E ZELF LEZEN hoog. Dat mag niet. Tom doet het toch. Boem... De poot komt tegen de viskom. Het gaat nog net goed. De kom blijft staan. Niemand heeft het gezien. Iedereen zit weer. Ze gaan werken. Knippen en plakken. De viskom staat nog op de kast. Er zit een gaatje in. Niemand weet het. Door het gaatje komt water. Eerst een klein beetje. Dan steeds meer. Er ligt al een plasje water onder de kom. De vis zwemt heen en weer. Hij heeft steeds minder water. Niemand ziet het. Dan gaat het... Drup-drup-drup... Hermen kijkt naar de grond. Hij is bang. Zijn papa en mama erg boos? Ja, papa en mama zijn boos en ook blij. Ze vragen: „Zul je dat nooit weer doen Hermen? Wij zijn vreselijk ongerust geweest. Wij willen onze Hermen toch niet kwijt?" Nee, dat begrijpt Hermen. Hij zegt: „Ik doe het niet weer. Maar wanneer mag ik dan met Evert spelen?" Mama zegt: „Als wij gebeld hebben of als wij een briefje geschreven hebben. Kun je dat onthouden?" Hermen knikt, ja dat kan hij wel onthouden. Dat is niet moeilijk. Hij is toch al vijf jaar?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.