+ Meer informatie

Ontheemde Koerden in Noord-Irak wacht nieuwe ramp

9 minuten leestijd

Met zijn buikje en zijn blozende wangen heeft de icieine man meer weg van een .boer dan van een held. Maar voor de Koerdische vrijheidsstrijders is de 45jarige Kadir Kadir bij zijn leven al een legende. Meer dan enige andere soldaat verdient de commandant van 20.000 man de aanduiding "pesjmerga" (hij die de dood in de ogen ziet). Al dertig jaar lang vecht hij voor zijn Koerdistan. Littekens aan hals, borst, armen en benen draagt hij als onderscheidingen.

„Er is geen berg in Koerdistan waar hij niet zijn voet op heeft gezet", roemen de mannen hun bevelhebber. Geen een veldslag heeft Kadir tegen de gehate Iraakse troepen gemist.

Bij de opstand tegen Saddam Hoessein, in maart van dit jaar, bevrijdde Kadir het aardoliecentrum Kirkoek van de Iraakse troepen. De intocht in de Koerdische stad herinnert hij zich nog als de dag van gisteren. Het was de mooiste dag van zijn leven, ook al moest hij zijn stellingen na een paar weken al weer ontruimen.

De zwaarste stri/ti staat Kadir, die als lid van het centraal comité van de Koerdische Democratische Partij (KDP) ook tot de politieke leiders van zijn statenloze volk behoort, nog te wachten, en dan buiten het slagveld. „Honger, nood en ongeduld", heten zijn tegenstanders. De kansen voor een overwinning zijn niet groot.

Vluchtelingen

De pesjmerga's controleren ruim een half jaar na de opstand tegen dictator Saddam Hoessein een gebied in NoordIrak dat in het noorden grenst aan Turkije en dat zich naar het zuiden toe uitstrekt tot Soeleimaniya. In dit gebied heeft Bagdad nauwelijks iets te zeggen. Maar deze vrije zone, waarvandaan de geallieerde troepen en met hen de meeste internationale hulporganisaties met veldkeukens en lazaretten al lang zijn vertrokken, gaat met de winter regelrecht op een nieuwe ramp af. Want nog steeds zijn honderdduizenden Koerden uit angst voor nieuwe aanvallen van Saddam niet naar hun steden en dorpen teruggekeerd.

De vluchtelingen houden zich niet meer op in reusachtige tentenkampen, waar ze boven op elkaar zitten. Ze hebben zich onopvallend verspreid over heel Koerdistan. Uitgehongerd en vaak ziek door hun maandenlange vlucht, hebben ze soms aan de kant van de weg een goed heenkomen gezocht. Een van hen is de 23-jarige Aboe Wahid. Samen met zijn vrouw, twee kinderen en een tante is hij in Sadik gestrand. Met nog twintig, dertig andere families brengen ze hun dagen door op het dorpsplein midden in de stad.

Rantsoenen

Alles wat Wahid voor de oprukkende troepen van Saddam uit zijn dorp in de buurt van Arbil redden kon, heeft hij op zijn witte Toyota geladen: een staande schemerlamp, een zak rijst, twee kasten, een paar matrassen en wat dekens. Daarmee is hij onder de vluchtelingen een rijk man.

Anderen kamperen in afgelegen bergdalen of hebben onderdak gezocht in de gebouwen waarin vroeger Iraakse soldaten of ambtenaren hun onderkomen ZATERDAG 21 DECEMBER 1991 hadden. De kleine op een bergplateau gelegen stad Amadiya herbergt behalve 4000 burgers pok nog eens 500 vluchtelingenfamilies. Zelfs in het berghok van de kleine christelijke kerk zijn moslimKoerden ondergebracht.

De 23-jarige Rauf Tahar, zijn vrouw en drie kinderen slijten al maanden hun dagen in het gebouw van de uit Amadiya verbannen geheime dienst. Aanvankelijk kregen ze nog regelmatig drinken en voedsel. Al ruim een maand echter heeft Tahar de mensen van de hulporganisatie Care niet meer gezien. De familie houdt zich nu in leven met de restanten van

Vluchtelingencentra
rantsoenen die ze eerder hebben gekregen.

De omvang van de ellende wordt pas goed zichtbaar in vluchtelingencentra als Pandsjwin. Voor de vernietiging door Saddams bommen in 1986 telde destad gelegen bij de Iraanse grens 60.000 inwoners. Nu huizen ongeveer 180.000 daklozen in de ruïnes en het nabijgelegen dal. Slechts degenen die hier vroeger hebben gewoond, circa een kwart van de ontheemden, willen zich hier definitief vestigen.

Bijna apathisch zitten de verdrevenen, waaronder veel weduwen en wezen, in hun noodonderkomens. Angstig wachten ze op de garantie dat hen niets zal overkomen als ze terugkeren naar hun geboortedorpen. „Ik ben uit het Iraakse leger gedeserteerd", verklaart

Toen Halabja verwoest werd door de Iraakse strijdkrachten moesten de Koerden zich ergens anders vestigen. Velen^ van hen keren terug naar hun oude woninS^tl. foto Frits Me/st een jonge Koerd tegenover het Duitse magazine Der Spiegel zijn voorzichtigheid, „als Saddam me te. pakken krijgt, zal hij me doden".

Hoeveel mensen in nood zijn, is niet met zekerheid te zeggen. Het Koerdistan-Front, de overkoepelende organisatie waarin alle Koerdische partijen zitting hebben, schat hun aantal op 800.000. Van hen zouden er 600.000 door de hongerdood worden bedreigd. Deskundigen, zoals de Zwitserse leider van United Nations Humanitarian Center in Sadik, Otto Hagenbüchle, gaan uit van. ten minste 400.000 hulpbelioevenden

Geen hout

Nog altijd worden de vluchtelingen verzorgd, nog altijd kan men putten uit de gehamsterde voorraden, nog altijd hebben sommigen een paar centen om meel of rijst op de markt te kopen. Maar de voorraden slinken. In het distributiecentrum van de Koerdische hulporganisatie voor de regio Tsjuwarta is de rijstvoorraad van 200 ton geslonken naar 20 ton. Gezinnen moeten met steeds minder genoegen nemen.

Tegen de extreem lage temperaturen bieden noodtenten en provisorische hutten weinig bescherming. De meeste vluchtelingen zullen zich bij vorst en sneeuwstormen niet eens bij een houtvuurtje kunnen verwarmen: op de berghellingen valt geen boom meer te bekennen.

„Zonder grootscheepse internationale hulp", vreest de Duitse arts Bernhard Winter, die voor de hulporganisatie Medico International de situatie in Pandsjwin bekijkt, „worden alleen hier al 200.Ü(K) mensen met de hongerdood bedreigd". Zelfs voorzichtige VN-deskundigen stellen dat de Koerden „de komende maanden klem komen te zitten". De Nederlandse Annette de Brey bevestigt de uitspraken. Zelf heeft ze recent namens het Koerden-beraad, een overlegorgaan waarin alle Koerdische partijen en organisaties in Nederland zitting hebben, de vrije zone bezocht. „De situatie is schrijnend. Het is koud, er ligt sneeuw en die mensen hebben werkelijk niets. Kinderen lopen op hun blote voeten door de sneeuw". Het Koerden-beraad is inmiddels een inzamelingsactie in Nederland gestart om „de Koerden de winter door te helpen". De Nederlandse vertelt dat de situatie al van de zomer ernstig was, maar dat die' alleen maar kritieker is geworden. „De voorraden zijn op", zo heeft ze tijdens haar bezoek kunnen vaststellen.

Wederopbouw

„We doen alles om een nieuwe ramp te vermijden", vertelt Netsjerman elBarzani in het Amerikaaanse blad Time. De 25-jarige jongeman is een kleinzoon van de in 1979 overleden legendarische grondlegger van de Koerdische partij KDP, Moestafa el-Barzani. Als vervanger van zijn oom Massoed, die al maanden met Saddam onderhandelt over autonomie, probeert de jonge politicus de opbouw te organiseren. Als een echte prins ontvangt hij op zijn hoofdkwartier, het berghotel van Sarsang, afgevaardigden van invloedrijke families, vertegenwoordigers van dorpen en partijen.

Trots vertelt de tijdelijke leider dat het Koerdistan-Front het bestuur in de vrije zone regelt. Pesjmerga's vervangen Iraakse politieagenten, Koerdische rechters zijn op de plaats komen te zitten van Arabische rechtsprekers. De aan de grens met Iran en Turkije gevraagde tol moet dienen voor de wederopbouw van het verwoeste gebied.

VN-mandaat

Maar in de steek gelaten door de grote hulporganisaties weet de Koerdische leiding met het grote aantal daklozen geen raad. „Er zijn geen kachels, geen cement, zo kunnen we toch geen huis bouwen", beschrijft KDP-functionaris Ibrahim Pirot uit de regio Ranjah de noodtoestand.

De UNO durft niet goed in te grijpen. Om in de strijd tussen Saddam en de Koerden neutraal te blijven, werken de Verenigde Naties niet mee aan wederopbouwprojecten. Pas midden september besloot de organisatie de vluchtelingen met het allernoodzakelijkste tegen de koude winter te beschermen. 2500 vrachtwagens moesten vooral hout en golfplaten voor de bouw van 32.000 primitieve hutten naar Noord-Irak brengen. Midden december hadden slechts 1500 vrachtwagens de Iraaks-Turkse grens gepasseerd.

Zelfs met deze UNO-hulp, die niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat is, kan het spoedig voorbij zijn. Als eind van het jaar het mandaat in Irak afloopt, moeten de VN-helpers Koerdistan verlaten. De UNO is „meer om de Iraakse soevereiniteit bezorgd dan om het lot van de Koerden", aldus Dsjalal Talabani, de leider van de tweede grote partij, de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK).

Geplunderd

In de Koerdische steden, die Saddams troepen niet totaal vernietigd hebben, gaat achter de gaaf gebleven gevels vaak een hoop ellende schuil. Voor hun afVluchtelingenkamp bij Sadik in de vrije zone. Foto Frlts Meyst tocht hebben de Iraakse soldaten bijna alle deuren meegenomen, de ruiten ingeslagen, elektrische bedradingen weggehaald. Meubels, die ze niet konden meeslepen, werden kort en klein geslagen.

„Niet eens een schaar hebben ze in de operatiezaal achtergelaten", klaagt Siegfried Martsch. De Duitser heeft ertoe bijgedragen dat het ziekenhuis in Sadik weer functioneert.

De kleine hulporganisaties wordt het in Noord-Irak niet gemakkelijk gemaakt, en dan niet alleen door gebrek aan geld. Ook de Koerdische partners bemoeilijken hun werk. Onduidelijk is soms wie het voor het zeggen heeft in een bepaalde regio, beslissingen worden uitgesteld en afspraken niet nagekomen. Wekenlang had bij voorbeeld de kinderarts Michael Ollefs gesproken met pesjmerga-leiders en Koerden-politici over het opzetten van een ziekenhuis in Tsjoman, waar ongeveer 30.000 vluchtelingen een veilig heenkomen hebben gezocht. De bedoeling was het hospitaal voor de winter klaar te hebben. De verpleeginrichting zal nu pas volgend jaar winter gereed zijn, als het tenminste ooit zover komt.

Ergernis

Naar oproepen van Koerden-leiders als Netsjerwan el-Barzani het geduld te bewaren, luistert de ontheemde bevolking steeds minder. Onder de Koerden nemen de ergernis en onrust toe. „Het volk had iets anders van ons verwacht, het wil eindelijk een beter leven", beschrijft een Koerden-leider de teleurstelling van de bevolking.

Zelfs als Barzani een autonomieverdrag met Bagdad weet af te sluiten, geloven slechts weinig Koerden in een duurzame vrede. Te vaak heeft Saddam hen bedrogen en gebombardeerd.

De pesjmerga's zijn niet sterk genoeg om hun volk te beschermen. Het Koerdistan-Front kan volgens officieren als Kadir Kadir in geval van nood 200.000 soldaten op de been brengen. Ook hebben de pesjmerga's hun met zandzakken versterkte stellingen op alle belangrijke passen en straten uitgerust met granaatwerpers. Maar daarmee maken de Koerden als het erop aankomt geen schijn van kans tegen Bagdads bommenwerpers en pantservoertuigen.

Annette de Brey merkt op dat Saddams troepen momenteel al stap voor stap trachten het gebied terug te veroveren. „Of dat werkelijk de bedoeling is, weet ik niet, maar die indruk krijg je wel".

Burgeroorlog

Sceptische Koerden-vrienden zoals de ontwilckelingssamenwerker Martsch vrezen dat zelfs zonder Saddams agressie in de regio „burgeroorlogachtige toestanden" zullen uitbreken: „ledere partij vormt intussen een eigen regering". Het komt steeds vaker voor dat pesjmerga's vrachtwagens met hulpgoederen overvallen die voor andere Koerden bestemd zijn.

De desastreuze ontwikkeling maakt zelfs zelfbewuste vrijheidsstrijders als Kadir Kadir nerveus. Hij wil er niet aan denken wat er van Koerdistan terecht moet komen als zijn land nog verder vervalt. „Als we elkaar gaan afmaken", zegt de pesjmerga-aanvoerder peinzend voor zich uit, „sterf ik eerst nog liever. Dat wil ik niet meemaken".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.