+ Meer informatie

BESLUITEN GENERALE SYNODE LEEUWARDEN / NUNSPEET 2001

43 minuten leestijd

A. KERKORDE

De synode besloot de kerkorde als volgt te wijzigen:

A. TITELBLAD

Het titelblad wordt als volgt gewijzigd:

KERKORDE van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, het laatst gewijzigd en aangevuld door de synode van Leeuwarden/Nunspeet 2001.

B. ARTIKELEN

De onderstaande artikelen ontvangen een herformulering:

Artikel 1

Om in de gemeente van Christus naar de vereiste orde te leven, zijn daarin nodig:

1. de diensten,

2. de vergaderingen,

3. het opzicht over de leer,

4. de sacramenten en de kerkelijke plechtigheden,

5. de christelijke tucht.

Artikel 3

Wie niet als dienaar des Woords mag optreden

In de dienst van Woord en sacramenten mogen alleen zij voorgaan, die daartoe wettig beroepen en bevestigd zijn.

Ten aanzien van hen die in strijd hiermee handelen en ondanks herhaalde vermaningen toch voortgaan, zal de classis oordelen of men hen voor scheurmakers verklaren of op andere wijze straffen zal.

Artikel 4

Toelating tot het ambt van dienaar des Woords

De toelating tot de dienst van Woord en sacramenten omvat: de beroeping, het examen, de goedkeuring en de bevestiging:

1. De beroeping. De kerkenraad beroept onder aanroeping van de naam des Heeren na verkiezing door de gemeente overeenkomstig de plaatselijk vastgestelde regeling. In de kerken zonder predikant adviseert de consulent. Beroepen mag worden alleen hij, die beroepbaar is gesteld door het curatorium van de Theologische Universiteit of volgens art.8 K.O.

2. Het examen. Het peremptoir examen naar leer en leven wordt afgenomen door de classis ten overstaan van de deputaten art.49 K.O.

3. De goedkeuring. De goedkeuring van de gemeente bestaat daarin, dat geen wettige bezwaren tegen de beroeping worden ingebracht. Daartoe wordt op twee opeenvolgende zondagen aan de gemeente bekend gemaakt wie bevestigd zal worden.

4. De bevestiging. De openbare bevestiging heeft plaats in de dienst des Woords volgens het daartoe opgestelde formulier. Naast de bevestiger kan aan de handoplegging ook deelgenomen worden door de ouderlingen (1 Tim. 4:14) alsmede door andere predikanten, die daartoe door de kerkenraad worden uitgenodigd.

Artikel 4 (kleine letters)

Artikel 4, sub 4b wordt als volgt aangevuld:

Een kerkenraad die een predikant of beroepbaar gesteld kandidaat uit een kerkgemeenschap in het buitenland wenst te beroepen, zal deputaten correspondentie verzoeken om schriftelijk een gemotiveerd advies te geven over de te beroepen persoon, waarbij aandacht geschonken wordt aan de situatie in zijn kerkverband, de opleiding in die kerken, en overige ter zake zijnde belangrijke informatie.

Vervolgens zal de kerkenraad na eerst voorlopig de gemeente gehoord te hebben advies vragen aan de classis, die dit advies niet zal geven voordat zij kennis heeft genomen van het schriftelijke advies van genoemde deputaten.

Artikel 5

Beroeping naar een andere gemeente

De beroeping van een dienaar des Woords, die reeds aan één van de kerken verbonden is, moet eveneens geschieden door de kerkenraad, na verkiezing door de gemeente en met inachtneming van de plaatselijk daarvoor vastgestelde regeling. Tevens is na aanneming van het beroep de goedkeuring van de classis vereist. De beroepen predikant dient aan de classis een goede attestatie inzake leer en leven te tonen. Nadat zijn naam op twee achtereenvolgende zondagen aan de gemeente is meegedeeld en geen wettig bezwaar is ingebracht, volgt de bevestiging met gebruikmaking van het vastgestelde formulier.

Artikel 6

Beroeping tot bijzondere arbeid

Een dienaar des Woords zal een benoeming tot bijzondere arbeid zoals het geven van godsdienstonderwijs verbonden met pastorale arbeid aan protestants-christelijke scholen, geestelijke verzorging van militairen of varenden, in de gezondheidszorg, in penitentiaire inrichtingen en dergelijke alleen mogen aannemen wanneer hij verbonden blijft aan een gemeente. De verhouding waarin deze dienaar tot de betrokken gemeente staat, dient geregeld te worden onder goedkeuring van de classis.

Artikel 6 (kleine letters)

Toegevoegd wordt een nieuw punt 2.C.3.:

“3. dat een predikant geen benoeming tot bijzondere arbeid zal aanvaarden wanneer daarbij niet wordt voorzien in de opbouw van een adequate oudedagsvoorziening. Uitzondering hierop is het aanvaarden van bijzondere arbeid in dienst van een deputaats-chap van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland.”

Tevens wordt een nieuw punt 3.f. toegevoegd:

“f. wanneer een predikant buiten de kerken werkzaamheden verricht, waarvan de inkomsten een aanvulling betekenen op het traktement, zodat het totale inkomen van de predikant de hoogte van de richtlijnen van Deputaten Financiële Zaken bereikt, zal met betrekking tot deze werkzaamheden voorzien moeten worden in de opbouw van een adequate oudedagsvoorziening.”

Artikel 7

Vaste standplaats

Het is niet geoorloofd iemand tot de dienst des Woords te beroepen zonder hem aan een bepaalde gemeente te verbinden.

Artikel 8

Predikanten zonder opleiding aan een theologische (hoge)school of universiteit

Wie geen universitaire theologische opleiding heeft ontvangen, kan niet worden toegelaten tot de dienst des Woords en der sacramenten, tenzij de kerken overtuigd zijn van zijn bijzondere gaven van godsvrucht, nederigheid, ingetogenheid, gezond verstand, onderscheidingsvermogen en welsprekendheid.

Artikel 9

Zij die nog slechts sinds korte tijd gekomen zijn tot het belijden van de gereformeerde leer, mogen slechts met grote zorgvuldigheid en voorzichtigheid en met inachtneming van het bepaalde in art.4 sub 4 en art.8 K.O. tot de dienst des Woords en der sacramenten worden toegelaten. Vooraf zullen ze minstens een jaar zorgvuldig op de proef gesteld worden.

Artikel 10

Vertrek naar een andere gemeente

Een dienaar des Woords mag geen beroep naar een andere gemeente aannemen zonder tijdig overleg met en toestemming van zijn kerkenraad. Hij kan de gemeente, waaraan hij verbonden is, niet verlaten zonder bewilliging van de classis. De kerk, die hem beroepen heeft, mag hem niet ontvangen zonder dat zij en de classis waartoe zij behoort, de daartoe vereiste akten van ontslag in orde bevonden hebben.

Artikel 11

Levensonderhoud en ontslag van een predikant

De kerkenraad is op zijn beurt als vertegenwoordiger van de gemeente verplicht zijn dienaar c.q. dienaren naar behoren overeenkomstig de richtlijnen van deputaten Financiële Zaken te onderhouden.

De kerkenraad is verplicht zijn dienaar c.q. dienaren niet uit de dienst te ontslaan zonder kennisgeving aan en goedkeuring van de classis en van de deputaten van de particuliere synode. De classis heeft in bijzondere situaties te beoordelen of een betrokken dienaar c.q dienaren verplaatst moet(en) worden.

Artikel 12

Overgang naar een andere staat des levens

Een dienaar van het Woord zal, wanneer hij eenmaal op de bovenomschreven wijze wettig beroepen is, zijn leven lang aan de dienst der kerken verbonden zijn.

Daarom is het hem niet geoorloofd zich tot een andere staat des levens te begeven dan om gewichtige oorzaken, die ter kennis van de classis gebracht en door haar beoordeeld dienen te worden ten overstaan van de deputaten volgens art.49 K.O..

Artikel 13

Emeritaat

Als een dienaar des Woords door ouderdom, ziekte of om andere reden niet meer in staat is tot uitoefening van zijn ambt behoudt hij niettemin de eer en de naam van dienaar des Woords en heeft de kerk die hij gediend heeft, naar behoren in zijn levensonderhoud te voorzien.

Dezelfde verplichting heeft de kerk in het algemeen ook ten opzichte van weduwen en wezen der dienaren. De gezamenlijke kerken onderhouden een algemene kas tot steun aan de plaatselijke kerken voor de verzorging van emeriti-predikanten. Aan de generale synode is het beheer opgedragen.

Artikel 15

Elders preken

Een predikant mag het Woord noch de sacramenten bedienen in plaatsen waar geen kerk is, tenzij met toestemming en medewerking van de dichtstbijgelegen gemeente. De kerkenraad van deze gemeente moet hierbij tegenwoordig zijn en heeft de leiding. De classis dient hierop toezicht te houden.

Artikel 16

De taak van de dienaren des Woords

Tot de taak van de dienaren des Woords behoort dat zij in de gebeden en in de bediening des Woords en der sacramenten volharden, dat zij als goede herders zorg en verantwoordelijkheid dragen voor hun mede-ambtsdragers, ouderlingen en diakenen en voor de hele gemeente, tucht oefenen met de ouderlingen en zich ervoor inspannen dat alles betamelijk en in goede orde geschiedt.

Artikel 18

De taak van de hoogleraren

Tot de opdracht van de hoogleraren in de theologie behoort het uitleggen van de Heilige Schrift en het verdedigen van de zuivere leer tegen afwijkingen daarvan.

Een dienaar des Woords die als hoogleraar benoemd is aan de Theologische Universiteit voor de opleiding tot de dienst des Woords blijft op de wijze van emeriti-predikanten verbonden aan de kerk die hij gediend heeft en behoudt de rechten van een dienaar des Woords. De gezamenlijke kerken nemen de verplichting op zich naar behoren in hun onderhoud te voorzien, evenals in dat van hun weduwen en wezen.

Artikel 19

Opleiding tot de dienst des Woords

De kerken dienen te bevorderen dat er studenten in de theologie zijn, die zich voorbereiden op de dienst van het Woord. Tevens dragen de kerken er zorg voor dat deze studenten, indien nodig, financieel gesteund worden.

Artikel 20

Theologische Universiteit

De kerken onderhouden een Theologische Universiteit om tot de dienst des Woords op te leiden. De bepalingen hiervoor worden door de generale synode vastgesteld.

Artikel 21

Evangelisatie, Evangelieverkondiging onder Israël en Buitenlandse Zending

De kerken zullen zich met de verkondiging van het Evangelie richten tot hen die van het Evangelie vervreemd zijn alsmede tot Israël en de volken die nog niet voor het christelijk geloof zijn gewonnen. De bepalingen hiervoor worden door de generale synode vastgesteld.

Artikel 22

Verkiezing van ouderlingen

De ouderlingen worden tot hun ambt geroepen via verkiezing door de gemeente uit een voordracht van de kerkenraad. Hiertoe wordt een aantal, dubbel zo groot als het te verkiezen aantal, aan de gemeente voorgesteld.

In voorkomende gevallen kan volstaan worden met een aantal, kleiner dan dit dubbele getal. De gemeente verkiest zoveel broeders als er nodig zijn. Nadat goedkeuring door de gemeente heeft plaatsgevonden, worden de gekozenen onder aanroeping van de naam des Heeren volgens het daartoe bestemde formulier bevestigd.

Artikel 23

De dienst van de ouderlingen

Tot de ambtelijke opdracht van de ouderlingen behoort, behalve hetgeen in art. 16 is genoemd, dat zij erop toezien, dat hun mede-ambtsdragers hun ambt trouw waarnemen. Zij zullen jaarlijks huisbezoek afleggen.

Daarbij zullen ze de leden van de gemeente vertroosten, vermanen en onderwijzen, onder andere met het oog op de avondmaalsviering.

De ouderlingen zullen tevens trachten anderen te bewegen tot het geloof in Christus.

Artikel 24

Verkiezing van diakenen

Op dezelfde wijze als omschreven in art. 22 heeft ook de verkiezing, goedkeuring en bevestiging van diakenen plaats.

Artikel 25

De dienst van de diakenen

De ambtelijke opdracht van de diakenen is het vervullen van de dienst der barmhartigheid. Zij zullen zich door het afleggen van diaconale huisbezoeken op de hoogte stellen van moeiten. Waar nood is, zullen zij helpen en bemoedigen. De gemeente zullen zij aansporen tot het verlenen van hulp en haar daarbij toerusten. Zij zullen de hun ter beschikking gestelde middelen na onderling overleg goed besteden. Van hun beleid hebben zij rekening en verantwoording te doen aan de gehele kerkenraad en desgevraagd kunnen zij dit doen aan de leden van de gemeente op een door de kerkenraad vast te stellen tijd en wijze.

Artikel 26

Samenwerking op diaconaal terrein

De diakenen zullen zo nodig hetzij met andere diaconieën, hetzij met instellingen die zich bewegen op het terrein van het diaconaal werk, het maatschappelijk werk en andere vormen van hulpverlening, geregeld contact onderhouden en zo mogelijk samenwerken voor de uitoefening van hun ambtelijke opdracht.

Artikel 27

Diensttijd van ouderlingen en diakenen

De ouderlingen en diakenen dienen, afhankelijk van de plaatselijke regeling, drie of meer jaren. Elk jaar treedt een evenredig deel af. De aftredenden zijn niet terstond herkiesbaar. Alleen wanneer de toestand en het belang van een kerk bij de uitvoering van art. 22 en 24 K.O. een herkiezing raadzaam maken, kan van deze regel worden afgeweken.

Artikel 28

Verhouding tot de overheid

De kerken en de ambtsdragers behoren met de overheid, als door God ingesteld, een goede verhouding na te streven in het besef de overheid gehoorzaam te moeten zijn, evenwel met dien verstande dat men Gode meer moet gehoorzamen dan de mensen. In voorkomende gevallen zullen de kerken zich met het getuigenis van het evangelie tot de overheid richten, de overheid eraan herinnerend dat ook zij aan Gods normen en heerschappij onderworpen is.

Het contact met de overheid wordt onderhouden door daartoe door de generale synode geïnstrueerde en benoemde deputaten.

Artikel 29

Van de kerkelijke vergaderingen

Er zijn vier onderscheiden kerkelijke vergaderingen: die van de kerkenraad, van de classis, van de particuliere synode en van de generale synode.

Artikel 30

In deze vergaderingen zullen geen andere dan kerkelijke zaken behandeld worden. Dat dient op kerkelijke wijze te gebeuren. In meerdere vergadering behoort slechts datgene te worden behandeld, wat in de mindere niet kon worden afgedaan, of wat behoort tot de kerken van de meerdere vergadering in het algemeen.

Artikel 31

Recht van appèl

De besluiten van de vergaderingen worden genomen na gemeenschappelijk overleg en zo mogelijk met eenparige stemmen. Wat bij meerderheid van stemmen uitgesproken is, zal voor vast en bondig worden gehouden tenzij bewezen wordt, dat dit in strijd is met het Woord van God, de belijdenis of de kerkorde.

Wanneer iemand van mening is, dat hij door het besluit van een mindere vergadering bezwaard is, kan hij zich op een meerdere vergadering beroepen. Hij dient dan te bewijzen dat het bedoelde besluit in strijd is met de Heilige Schrift, de belijdenis van de kerk en/of de aanvaarde kerkorde.

Onverminderd het recht van appèl zoals hierboven omschreven is, heeft ieder het recht om, wanneer hij door het besluit van een kerkelijke vergadering bezwaard is, zijn bezwaren in te dienen bij de eerstvolgende gelijksoortige vergadering. Een dergelijk bezwaar, verzoek tot revisie genaamd, dient op dezelfde wijze met redenen omkleed te zijn als een appèl of dient anderszins een element te bevatten dat bij het doen van de uitspraak buiten beschouwing was gebleven of onvoldoende was overwogen.

Artikel 32

Opening en sluiting

Alle vergaderingen zullen met aanroeping van de Naam van God begonnen en met dankzegging besloten worden.

Artikel 33

Geloofsbrieven

Zij die naarde meerdere vergaderingen worden afgevaardigd, behoren hun geloofsbrieven en instructies, ondertekend door hen die ze hebben afgevaardigd, mede te brengen. Alleen dezen hebben stemrecht, behalve in aangelegenheden die hun personen of kerken in het bijzonder betreffen, opdat ze geen rechter zijn in eigen zaken.

Wanneer een kerkenraad niet in staat is twee ouderlingen naar een classisvergadering af te vaardigen, kan een diaken worden afgevaardigd, die ter vergadering keurstem ontvangt.

Artikel 34

Preses

De taak van de preses in de kerkelijke vergaderingen is om de zaken die volgens de agenda behandeld moeten worden, duidelijk aan de orde te stellen. Hij zal er zorg voor dragen dat de discussies ordelijk verlopen. Leden van de vergadering die een woordenstrijd voeren of die zich door heftige emoties laten meeslepen, waardoor het geestelijk karakter van de vergadering in gevaar komt, zal hij het woord ontnemen. Indien deze leden van de vergadering volharden in dit gedrag, zal de preses hen vermanen.

De preses zal de vergadering dienen met het (doen) formuleren van voorstellen die een duidelijke besluitvorming bevorderen. Zijn taak is beëindigd bij het sluiten van de vergadering.

Artikel 35

Scriba

In alle vergaderingen zal naast de preses een scriba worden aangewezen die zorgvuldig notuleert wat voor schriftelijke vastlegging van waarde is.

Artikel 37

Kerkenraad

In alle kerken moet een kerkenraad zijn, bestaande uit de dienaren des Woords, de ouderlingen en de diakenen, welke regelmatig zal vergaderen. In deze vergadering heeft bij voorkeur de dienaar des Woords—indien er meer zijn dan één, de dienaren om beurten—te presideren.

Artikel 38

In plaatsen waar voor het eerst of opnieuw de ambten worden ingesteld, kan dit slechts geschieden met advies van de classis.

Ook bij opheffing van gemeenten is het advies van de classis nodig.

Artikel 40

Diaconale vergaderingen

De diakenen komen regelmatig in vergadering samen om onder aanroeping van de Naam des Heeren de diaconale aangelegenheden te behandelen. Zij doen verantwoording van hun beleid en beheer aan de gehele kerkenraad.

Artikel 41

Classis

De classicale vergaderingen bestaan uit de kerken van het classicaal ressort, die elk een dienaar des Woords en een ouderling, voorzien van deugdelijke geloofsbrieven, afvaardigen. De classis vergadert minstens tweemaal per jaar op plaats en tijd door de vergadering vast te stellen. In deze vergaderingen berust het voorzitterschap, òf beurtelings òf na verkiezing, bij de dienaren des Woords, met dien verstande dat dezelfde persoon niet tweemaal achtereen mag worden gekozen.

Verder vraagt de preses in het begin van de vergadering bij de afgevaardigden van iedere gemeente naar de goede voortgang van het gemeentelijke leven, waarbij o.a. aandacht wordt gegeven aan de zondagse erediensten en de taakvervulling van de kerkenraad; ook zal de preses vragen of er iets is waarin de kerkenraad oordeel en hulp van de classis nodig heeft.

Tenslotte worden in de laatste vergadering vóór de particuliere synode de afgevaardigden naar deze synode gekozen.

Aan het einde van iedere vergadering zal een kerk—bij voorkeur bij toerbeurt—worden aangewezen om de volgende ciassicale vergadering bijeen te roepen.

Artikel 41.5 (kleine letters)

De classis zal met het oog op een eventueel vacant worden van een gemeente een dienaar des Woords van een naburige gemeente als consulent aanwijzen om deze gemeente gedurende de tijd van de vacature met raad en daad bij te staan in die zaken waarin de kerkenraad zijn hulp inroept. Het gaat hierbij mede om bijstand inzake de beroeping van een dienaar des Woords. De beroepsbrief zal mede door hem ondertekend worden. Hij is van zijn arbeid verantwoording schuldig aan de classis.

Artikel 43

Censuur

Aan het einde van de ciassicale en andere meerdere vergaderingen wordt, opdat de christelijke saamhorigheid van haar leden bewaard blijft, censuur geoefend over hen die zich in de vergadering misdragen hebben of de vermaning van enige kerkelijke vergadering gering geschat hebben.

Artikel 44

Visitatoren

De classis zal enkele van haar meest ervaren en bekwame dienaren des Woords, van wie één vervangen kan worden door een ouderling, machtigen in alle kerken elk jaar kerkvisitatie te houden. De visitatoren zullen erop toezien dat de predikanten, ouderlingen en diakenen ieder voor zich en gezamenlijk hun ambt getrouw waarnemen, bij de zuiverheid van de leer volharden, de aangenomen kerkorde in elk opzicht handhaven en de opbouw van de gemeente naar behoren met woorden en werken bevorderen. Daarbij zullen zij hen die nalatig in het een of ander worden bevonden, bijtijds broederlijk vermanen en met raad en daad alles doen strekken tot vrede, opbouw en welzijn van de kerken.

ledere classis is bevoegd, zo zij dit wenst, het mandaat van deze visitatoren te verlengen, tenzij de visitatoren zelf, om redenen waarover de classis heeft te oordelen, verzoeken te worden ontslagen.

Artikel 45

Archieven

Iedere kerk heeft behoorlijk zorg te dragen voor haar archief. Dit geldt ook voor de classis en de synode. Elke meerdere vergadering heeft hierbij toezicht te houden op haar mindere.

Artikel 46

Instructies

De instructies van de zaken die in meerdere vergaderingen moeten worden behandeld, mogen niet worden ingediend, voordat over de daarin voorgestelde punten de besluiten van de voorgaande synoden gelezen zijn. Zo zal voorkomen worden, dat hetgeen afgehandeld is opnieuw aan de orde wordt gesteld, tenzij men van oordeel is dat het moet worden veranderd.

Artikel 47

Particuliere synode

De vergaderingen van de particuliere synoden worden jaarlijks gehouden, tenzij de omstandigheden het vaker vereisen, zulks ter beoordeling van de roepende kerk, die daartoe het advies en de goedkeuring van haar classis zal vragen.

Naar deze synode worden uit iedere classis drie dienaren des Woords, drie ouderlingen en één diaken afgevaardigd. Aan het einde van de vergadering zal een kerk worden aangewezen om de volgende synode samen te roepen.

Artikel 48

Correspondentie

Het staat iedere particuliere synode vrij met een andere particuliere synode te corresponderen als dat de opbouw van het kerkelijk leven bevordert.

Artikel 49

Deputaten van de particuliere synode

ledere synode heeft deputaten te benoemen om de besluiten van de synode bij de respectieve onder haar ressorterende classes uit te voeren. Ook zullen zij bij voorkeur voltallig aanwezig zijn bij de peremptoire examens van de kandidaten.

Bovendien hebben zij in alle voorkomende moeilijkheden aan de classes hulp te bieden, opdat eenheid, orde en zuiverheid der leer bevestigd en behouden worden. Zij hebben van al hun handelingen aantekeningen te houden om daarover aan de synode rapport uit te brengen en desgevraagd deze te motiveren. Ontslag kan hun slechts door de synode worden verleend.

Artikel 50

Generale synode

De generale synode zal naar de regel eenmaal in de drie jaren vergaderen, tenzij er gewichtige redenen zijn om eerder bijeen te komen. Naar deze vergadering worden uit elke particuliere synode zes dienaren des Woords en zes ouderlingen afgevaardigd. Indien de generale synode naar het oordeel van tenminste twee particuliere synoden binnen de drie jaar moet worden samengeroepen, dan heeft de daartoe aangewezen roepende kerk de taak, met advies en goedkeuring van haar particuliere synode, tijd en plaats daarvan vast te stellen.

Aan het einde van de vergadering zal een kerk worden aangewezen om de volgende synode samen te roepen.

Artikel 50.7 (kleine letters)

Aan verzoeken van de pers om toegang tot de openbare zitting van de synode te ontvangen, kan worden voldaan; de assessor van de synode is de in eerste instantie aangewezene om het contact tussen de pers en de synode te verzorgen. Voor zover het geen comité-zaken betreft, mogen de verslaggevers inzage ontvangen van de ingediende en in te dienen rapporten. De verslaggevers/reporters blijven zelf verantwoordelijk voor hun weergave.

Artikel 50.10 (kleine letters)

Het moderamen zal zo spoedig mogelijk na sluiting van de synode de kerkenraden in kennis stellen van belangrijke besluiten. (1956)

Artikel 50.14 (kleine letters)

In geval een of meer vacatures vervuld moeten worden, zullen de deputaatschappen een gemotiveerde voordracht per vacature van twee personen—die daarmee instemmen—in de eerste zittingsweek bij het moderamen van de synode in een afzonderlijk schrijven indienen. Deze aanbeveling zal aan de synode worden bekendgemaakt. Het moderamen heeft evenwel het recht van de aanbeveling af te wijken. In geval van afwijking van de voordracht zal zo mogelijk vooraf met het desbetreffende deputaatschap contact worden opgenomen. (1962, 1983).

Artikel 52

Ondertekening van de formulieren door predikanten en hoogleraren

De dienaren des Woords evenals de hoogleraren in de theologie en de docenten aan de Theologische Universiteit zullen hun instemming betuigen met de drie formulieren van enigheid, te weten de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels, door ondertekening van het daarvoor bestaande ondertekeningsformulier. De dienaren die dit weigeren, zullen door de kerkenraad of de classis de facto in hun dienst worden geschorst, totdat zij na samenspreking bereid zijn tot ondertekening. Indien zij halsstarrig blijven weigeren, zullen zij geheel uit hun ambt worden ontzet.

Artikel 52.1 (kleine letters)

De dienaren des Woords zullen, ieder in zijn classis, door de ondertekening van het ondertekeningsformulier zich plechtig, als voor het aangezicht van God, verbinden aan de leer, dienst en tucht van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland. De ondertekening door de kandidaten tot de dienst des Woords zal plaats vinden bij het peremptoir examen. (1836, 1947)

Artikel 53

Ondertekening door ouderlingen en diakenen

Evenzo zullen ook de ouderlingen en diakenen bij de aanvaarding van hun ambt, in een vergadering van de kerkenraad, hun instemming betuigen met de drie formulieren van enigheid, te weten de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels, door ondertekening van het voor hen bestemde ondertekeningsformulier.

Artikel 54

Onderwijs

De kerkenraden hebben er op toe te zien, dat de ouders naar hun vermogen hun kinderen onderwijzen en zoveel zij kunnen hen onderwijs laten volgen dat in overeenstemming is met de leer van de kerk, zoals zij dit bij de doop beloofd hebben.

Artikel 55

Toerusting

De kerkenraden hebben toe te zien, dat de gemeenteleden zowel in prediking als door catechese en huisbezoek worden toegerust om de Heere in leer en leven te dienen. Deze toerusting dient tevens om weerstand te kunnen bieden aan de negatieve invloeden van zowel verderfelijke lectuur als van de overige moderne communicatiemiddelen, waardoor de zuiverheid van de heilige christelijke levenswandel wordt aangetast.

Artikel 56

Van de heilige doop

Het verbond Gods zal aan de kinderen van de gelovigen door de heilige doop, bediend door een wettige dienaar van het Woord, bezegeld worden. De bediening daarvan zal zo spoedig mogelijk plaats hebben in een wettige dienst van het Woord.

Artikel 57

De kerkenraden zullen er zorg voor dragen dat de ouders het sacrament van de doop voor hun kind aanvragen en bij de bediening van de heilige doop de daaraan verbonden verplichtingen op zich nemen. Wanneer het nodig is, dat er getuigen bij de doop optreden, behoren dit personen te zijn, die de zuivere leer toegedaan en onbesproken van wandel zijn.

Artikel 58

Bij het dopen, zowel van jonge kinderen als volwassenen, zullen de kerkenraden er op toezien dat de daartoe opgestelde formulieren geheel en ongewijzigd gebruikt worden.

Artikel 59

De volwassenen worden door de doop bij de christelijke gemeente ingelijfd en tot leden van de gemeente aangenomen. Zij zijn daarom gehouden ook het avondmaal des Heeren te gebruiken, hetgeen zij bij hun doop zullen beloven te doen.

Artikel 61

Van het heilig avondmaal

Niemand kan tot het avondmaal des Heeren worden toegelaten dan die overeenkomstig de regeling van de plaatselijke kerk belijdenis des geloofs heeft afgelegd en getuigenis heeft van een godvruchtige wandel. Dit geldt ook voor hen die uit zusterkerken komen.

Artikel 62

ledere kerk zal het avondmaal op zodanige wijze vieren als naar haar oordeel het meest tot stichting van de gemeente dienen kan, met dien verstande dat de tekenen van brood en wijn naar de inzetting van Christus gebruikt zullen worden en dat het formulier van het avondmaal wordt gevolgd met de daarin opgenomen gebeden.

Artikel 63

De bediening van het avondmaal mag alleen plaats hebben onder toezicht van ouderlingen, volgens kerkelijke orde en in een openbare samenkomst van de gemeente. Het avondmaal des Heeren zal minstens eens per drie maanden na gehouden voorbereiding worden gevierd.

Artikel 64

Kerkdiensten

Op de zondag, als de dag des Heeren, zal de gemeente minstens tweemaal samenkomen onder de bediening des Woords. Het samenkomen op andere dagen wordt aan het oordeel van de kerkenraad overgelaten.

Artikel 65

Wanneer een kerkenraad vanwege het overlijden van een lid van de gemeente een dienst belegt, zal hij er op toezien dat in deze dienst niet de overledene maar de bediening van het Woord centraal staat.

Artikel 65.1 (kleine letters)

De kerkenraden worden opgewekt de leden der gemeente in prediking en pastoraat aan te sporen blijvend te kiezen voor het begraven als die vorm van lijkbezorging, die in overeenstemming is met de aanwijzingen die de Heilige Schrift hieromtrent bevat. (1983)

Artikel 66

Biddagen

In geval van buitengewone omstandigheden van kerk en wereld zullen biddagen worden uitgeschreven door de classis, door de generale synode daartoe aangewezen.

Artikel 67

Feestdagen

De kerken zullen de zondag, als de dag des Heeren, heiligen naar Gods wet. Op de erkende christelijke feestdagen zal de gemeente onder de bediening van het Woord samenkomen. De onderhouding van de tweede feestdagen wordt in de vrijheid der kerken gelaten.

Artikel 68

Catechismusprediking

De kerkenraden zullen er op toezien dat in de regel in één van de zondagse diensten de Heidelbergse Catechismus verklaard wordt.

Artikel 70

Huwelijksbepalingen

De kerkenraad dient er naar vermogen op toe te zien dat het huwelijk als heilige instelling voor de gemeente van Christus bevestigd wordt door een dienaar des Woords volgens het formulier.

Artikel 70 (kleine letters)

Een nieuw ‘sub 1’ wordt toegevoegd (tengevolge waarvan een vernummering optreedt): “Onder’huwelijk’ dient te worden verstaan: de wettelijk geregelde, als zodanig formeel publiek bekrachtigde levensgemeenschap tussen één man en één vrouw, naar de zin van de instelling voor het leven aangegaan.”

Artikel 71

Censuur over de leden

De kerkelijke tucht zal naar het Woord van God en tot Zijn eer uitgeoefend worden. Zij heeft ten doel, dat de zondaar met God, de gemeente en zijn naaste verzoend wordt en de gegeven ergernis uit de gemeente van Christus wordt weggenomen.

Aangezien de kerkelijke tucht geestelijk van aard is, ontslaat zij niet van de burgerlijke rechtspraak.

Artikel 72

Wanneer iemand tegen de zuiverheid van leer of wandel zondigt door heimelijke zonde, zodat hij geen openbare ergernis gegeven heeft, moet de regel gevolgd worden die Christus duidelijk voorschrijft in Matth. 18.

Artikel 73

Heimelijke zonden worden niet voor de kerkenraad gebracht, indien de zondaar na persoonlijke broederlijke vermaning (Matth. 18:15) of na herhaling daarvan onder twee of drie getuigen (Matth. 18:16), berouw toont.

Artikel 74

De kerkenraad zal handelen overeenkomstig Matth. 18:17, wanneer iemand over een heimelijke zonde door twee of drie getuigen in liefde is vermaand en aan die vermaningen geen gehoor geeft of wanneer iemand een openbare zonde gedaan heeft.

De kerkenraad zal daarbij hoor en wederhoor toepassen.

Artikel 75

Wanneer iemand zich van zulke zonden, die vanwege hun aard openbaar zijn of door verachting van de kerkelijke vermaning openbaar zijn geworden, oprecht bekeert, zal de kerkenraad de schuldbelijdenis aanvaarden indien daarbij voldoende tekenen van berouw gezien worden.

Vervolgens zal de kerkenraad beoordelen of de verzoening in het openbaar zal plaatsvinden of op een andere wijze, zoals het meest tot stichting van iedere kerk dienstig geacht wordt.

Hierbij staat de mogelijkheid open dat de kerkenraad advies vraagt aan de classis of aan de kerkvisitatoren.

Artikel 76

De kerkenraad zal overgaan tot afhouding van het heilig avondmaal, indien iemand hardnekkig zijn vermaning verwerpt en ook indien iemand een openbare of grove zonde gedaan heeft.

De kerkenraad zal tenslotte gebruik maken van het laatste middel om de zondaar tot inkeer te brengen, namelijk afsnijding volgens het formulier van de ban, indien deze desondanks na verscheidene vermaningen geen tekenen van oprecht berouw toont.

Artikel 77

Ban

Voordat de kerkenraad, na de afhouding van het heilig avondmaal en de daarop nog gevolgde herhaalde vermaningen, tot afsnijding overgaat, zal hij de gemeente bekend maken met de halsstarrigheid van de zondaar. Daarbij zullen genoemd worden de door hem bedreven zonde en de getrouwe pogingen hem tot inkeer te brengen door bestraffing, afhouding van het avondmaal en talrijke vermaningen. De gemeenteleden zullen worden aangespoord voor hem te bidden en bij hem aan te dringen op bekering. Hiertoe zal driemaal een afkondiging plaatsvinden. In de eerste wordt de naam van de zondaar niet genoemd om hem nog enigszins te sparen. In de tweede zal met advies van de classis zijn naam bekend gemaakt worden. In de derde afkondiging zal de kerkenraad aan de gemeente meedelen dat hij buiten de gemeenschap van de kerk gesloten zal worden als hij zich niet bekeert. De afsnijding zal zo de stilzwijgende instemming van de gemeente hebben. De tijdsruimte tussen deze afkondigingen aan de gemeente wordt aan de beoordeling van de kerkenraad overgelaten.

Artikel 77.3 (kleine letters)

Indien ouders buiten de gemeenschap der kerk zijn gesloten, behoudt die gemeente, in het midden waarvan hun kinderen zijn gedoopt of opgenomen, een morele verplichting tegenover die kinderen. Zij moet alles doen wat in haar vermogen ligt om hun welzijn als kinderen van het verbond te bevorderen. (1877, 1947)

Artikel 78

Wederopneming

Wanneer iemand, die buiten de gemeenschap der kerk gesloten is, in de weg van oprecht berouw verzoening met God en de gemeente wenst, zal dit aan de gemeente worden meegedeeld.

Indien niemand wettige bezwaren inbrengt, zal hij volgens het daarvoor vastgestelde formulier openbare belijdenis van zijn bekering afleggen en op die wijze weer in de gemeente worden opgenomen. In die weg zal hij weer toegelaten zijn tot het heilig avondmaal.

Artikel 79

Censuur over ambtsdragers

Wanneer dienaren des Woords, ouderlingen of diakenen een openbare grove zonde bedrijven, zullen ouderlingen en diakenen na voorafgaand onderzoek terstond uit hun ambt gezet worden door de kerkenraden van de plaatselijke en dichtstbijgelegen gemeente. De dienaren des Woords zullen in zo’n geval geschorst worden, waarna de classis met advies van deputaten naar art. 49 K.O. beoordeelt of zij afgezet dienen te worden. Zowel bij schorsing als afzetting zal een kerkenraad c.q. classis hoor en wederhoor toepassen.

Artikel 80

Onder de grove zonden die met schorsing of afzetting behoren gestraft te worden, zijn deze de voornaamste: het aanhangen en verbreiden van onschriftuurlijke leringen, openbare scheurmaking, openlijke godslastering, trouweloze verlating van de dienst of het indringen in het dienstwerk van een ander, meineed, echtbreuk, overspel, seksueel misbruik, diefstal, het plegen van lichamelijk en psychisch geweld, drankmisbruik, oneerlijk winstbejag. Kortom alle zonden en grove feiten, die voor ieder lid grond voor afsnijding zouden zijn en het getuigenis van de kerk naar de wereld toe schaden (1 Tim. 3:7).

Artikel 81

De predikanten, ouderlingen en diakenen zullen in de kerkenraadsvergadering voorafgaande aan de viering van het Heilig Avondmaal onderlinge christelijke censuur oefenen met name door elkaar met betrekking tot hun ambtsbediening in liefde te vermanen.

Artikel 82

Attestaties

De kerkenraad zal aan leden, die naar een andere gemeente vertrekken, op hun verzoek een attestatie of getuigenis aangaande belijdenis en wandel meegeven, door de preses en de scriba ondertekend.

Artikel 83

Armen

Indien leden, die naar een andere gemeente vertrekken, diaconale bijstand ontvangen, zullen de diakenen op vertrouwelijke wijze de diakenen van de ontvangende gemeente daarvan in kennis stellen. De diaconie van de ontvangende gemeente zal zonodig na onderling overleg de diaconale zorg overnemen.

Artikel 84

Rechtszekerheid

De kerken, die in classes, particuliere synoden en generale synoden samenkomen, worden ten aanzien van vermogensrechtelijke zaken die zij gemeenschappelijk hebben, vertegenwoordigd door de respectieve classicale, particulier-synodale of gene-raal-synodale vergaderingen of door deputaten, die door deze vergaderingen worden benoemd, geïnstrueerd en ontslagen en die in al hun handelingen aan hun instructie gebonden zijn.

Een plaatselijke kerk kan worden vertegenwoordigd door twee of meer leden van de kerkenraad dan wel door twee of meer personen die gemachtigd zijn door de kerken-raad.

Artikel 84.3 (kleine letters)

Voor de uitvoering van niet-ambtelijk werk kan de generale synode medewerkers (doen) aanstellen. Deze aanstelling zal geschieden met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde rechtspositieregeling(en).

De Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland worden als werkgever vertegenwoordigd door: (a.) de deputaten Landelijk Kerkelijk Bureau voor zover het medewerkers betreft die niet bedoeld worden sub b; (b.) door het curatorium, c.q. deputaten-financieel van de Theologische Universiteit, voor zover het medewerkers betreft die werkzaam zijn aan deze Universiteit; het curatorium voor de niet-ambtelijke docenten en deputaten-financieel voor het onderwijs-ondersteunend personeel. Niet-ambtelijke werkers vervullen hun taak onder leiding van de deputaten op wier terrein zij werken.

Artikel 85

Niet heersen

Geen kerk zal over andere kerken, geen ambtsdrager over andere ambtsdragers, op welke wijze ook, heersen.

Artikel 87

Deze artikelen, die de orde van de kerken regelen, zijn vastgesteld en aangenomen met gemeenschappelijk akkoord. Indien het belang van de kerken dit vereist, zullen zij deze artikelen veranderen, vermeerderen of verminderen. Geen kerk, classis of particuliere synode mag dit zelfstandig doen. De kerken moeten de artikelen trouw naleven totdat de synode een besluit heeft genomen tot verandering, vermeerdering of vermindering.

In dit besluitenboekje is, op enkele uitzonderingen na, volstaan met de weergave van de gewijzigde kerkorde-artikelen. De aangebrachte mutaties in de zogenaamde kleine letters zullen verwerkt worden in de hopelijk spoedig te verschijnen nieuwe editie van de kerkorde.

B. NIEUWE EN HERZIENE BIJLAGEN

1. bijlage 7

Reglement voor het studiefonds van de Theologische Universiteit

De synode besloot:

artikel 4 (Uitvoeringsregeling Studiefonds) te vervangen door de volgende

Regeling deputaten Studiefonds (regeling 2001)

1. Opdracht

Deputaten studiefonds werden door de generale synode van 1998 opgedragen, in aanmerking nemende het ter synode van 1998 dienaangaande besprokene, aan de generale synode van 2001 binnen de grens van maximaal ƒ 2,- (€ 0,91) per kerklid per jaar een andersoortige regeling ter definitieve vaststelling voor te leggen voor financiële steun aan studenten die geen gebruik kunnen maken van de studiefinancieringsregeling van de overheid.

2. Uitgangspunten nieuwe regeling

2.1. Oude verplichtingen (uit de voorlopige regelingen 1995 en 1998) blijven van kracht of worden zo mogelijk ingepast in de nieuwe regeling.

2.2. Een student moet zelf in zijn levensonderhoud kunnen voorzien. De nieuwe regeling is gericht op financiële ondersteuning van de studie, met de mogelijkheid (beperkt) aanvullend te lenen.

2.3. Een student kan geen beroep (meer) doen op studiefinanciering volgens de WSF.

3. Regeling 2001

3.1. Reikwijdte regeling

3.1.1. Een student die via het admissie-examen is toegelaten tot de studie aan de Theologische Universiteit Apeldoorn en geen recht heeft op studiefinanciering ingevolge de Wet Studie Financiering (WSF), maar kan aantonen dat hij zonder een soortgelijke financiering zijn studiekosten niet kan betalen, kan onder voorwaarden een bijdrage aanvragen ten laste van het studiefonds. Onder voorwaarden kan in combinatie daarmee ook een lening worden aangevraagd indien extra ondersteuning noodzakelijk is in de kosten van levensonderhoud.

3.1.2. Deputaten zullen geen ondersteuning toezeggen indien en zolang de hun ter beschikking gestelde financiële middelen daarvoor niet toereikend zijn.

3.1.3. Bij de toezegging zal worden vermeld dat de ondersteuning wordt verleend voor de periode waarvoor de begroting van deputaten is vastgesteld en zolang ondersteuning in deze periode nodig is, deputaten daarvoor de middelen beschikbaar hebben en zolang aan alle voorwaarden van de ondersteuning wordt voldaan. Voorts zal worden vermeld dat zo nodig verlenging zal plaatsvinden als een volgende Generale Synode daarvoor opnieuw voldoende middelen ter beschikking stelt.

3.2. De aanvraag

De aanvraag dient, op voorstel van het curatorium, te geschieden bij de secretaris van het deputaatschap voor het studiefonds vergezeld van een uitvoerige beschrijving van de financiële gezinssituatie.

3.3. Voorwaarden voor het verkrijgen van een studiebijdrage

3.3.1. Er bestaat geen recht op studiefinanciering.

3.3.2. Het netto-gezinsinkomen is niet hoger dan 60% van de voor dat jaar geldende bruto ziekenfondsgrens.

3.3.3. Het gezinsvermogen is per 1 januari van het jaar van aanvraag niet hoger dan €35.000.-.

Zie ook de bijlage ‘uitvoeringsregels en definities’

3.4. Studiebijdrage

Onder de in 3.3. genoemde voorwaarden kan een bijdrage worden verstrekt in de kosten van het collegegeld en de studiemiddelen tot een maximum van € 2.500.- per studiejaar. Zie ook de bijlage ‘uitvoeringsregels en definities’.

3.5. Vergoeding van reiskosten

3.5.1. Indien een student voldoet aan de voorwaarden voor een studiebijdrage volgens 3.3. en 3.4. kan hij in principe aanspraak maken op een tegemoetkoming in de reiskosten.

3.5.2. Een tegemoetkoming in de reiskosten wordt alleen gegeven indien de student geen recht heeft op andere reiskostenvergoedingen.

3.5.3. De hoogte van de tegemoetkoming wordt bepaald aan de hand van de door deputaten vastgestelde uitvoeringsregels.

Zie ook de bijlage ‘uitvoeringsregels en definities’

3.6. Voorwaarden voor het lenen

3.6.1. Er dient in principe recht te bestaan op een studiebijdrage volgens 3.3.

3.6.2. Aangetoond moet worden, dit ter beoordeling van deputaten studiefonds, dat naast de ondersteuning ten behoeve van de studie, extra ondersteuning nodig is in de kosten van levensonderhoud.

3.6.3. De totale studieschuld (inclusief de schuld bij de IBG) mag nooit meer bedragen dan € 35.000.-.

3.7. Lenen

3.7.1. Onder de in 3.6. genoemde voorwaarden kan bij het studiefonds een renteloze lening worden afgesloten tot een maximum van € 4.500,- per studiejaar en tot een maximum van € 13.500.- over de gehele studieperiode.

3.7.2. Wordt de aanvraag tijdens het studiejaar ingediend, dan wordt het maximum over dat studiejaar naar rato verminderd.

Zie ook de bijlage ‘uitvoeringsregels en definities’

3.8. Afbouw lening

3.8.1. Van de totaal bij het studiefonds opgebouwde lening wordt 30% afgebouwd in gelijke delen over het aantal jaren dat de aanvrager de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland dient tot het 65e levensjaar.

3.8.2. De overige 70% van deze lening dient in 15 jaar te worden afgelost, te beginnen drie jaar na het afsluiten van de studie. Deze aflossing geschiedt lineair in nader overeen te komen tijdvakken van hooguit één jaar.

3.9. Overige bepalingen

3.9.1. Indien de aanvrager bij overlijden nog een restant schuld heeft, vervalt deze.

3.9.2. Indien de aanvrager met vervroegd emeritaat gaat kunnen deputaten aan het curatorium voorstellen om het eventuele restant van de af te lossen lening geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden.

3.9.3. Indien de aanvrager geen predikant wordt of een benoeming tot bijzondere arbeid aanvaardt (art. 6 K.O.) of overgaat tot een andere staat des levens (art. 12 K.O.) of als predikant het verband van onze kerken verlaat, dient hij naast het verplicht af te lossen deel van de lening ook het op dat moment nog resterende deel van het oorspronkelijk kwijt te schelden deel van de lening af te lossen in nader overeen te komen termijnen.

3.9.4. De aanvrager wordt in kennis gesteld van de regeling en dient schriftelijk te verklaren dat hij instemt met de voorwaarden tot uitkeringen uit het studiefonds.

3.10. Hardheidsclausule

In bijzondere gevallen waarin de regeling niet voorziet of leidt tot een onredelijke uitwerking beslissen deputaten in overleg met het curatorium, voor zover de hun ter beschikking staande financiële middelen toereikend zijn.

4. Overgangsregeling

4.1. Studenten die onder de overgangsregeling 1998 vallen

Voor studenten die onder de ‘Voorlopige uitvoeringsregeling’ 1995 en de overgangsbepalingen bij de regeling 1998 vallen, blijven deze regelingen van kracht.

4.2. Studenten die onder de regeling 1998 vallen

Nu valt er één student onder deze regeling. Met hem en toekomstige studenten die een beroep doen op het studiefonds tot eind 2001 moet de afspraak worden gemaakt dat de termijn van die geldende ondersteuning eindigt op 31 augustus 2002.

5. Financiering en kosten

5.1. Uitgaande van 74.500 leden en een bijdrage van € 0,91 per lid per jaar is de te verwachten opbrengst over een periode van 3 jaar: € 203.385.-.

5.2. Indien 6 studenten gedurende 3 jaar een maximaal beroep zouden doen op het studiefonds, waarbij voor reiskosten gemiddeld € 1.150.- per student per jaar wordt gerekend, betekent dat een last van €146.700.-, zodat dan een reserve wordt opgebouwd van € 56.685.-.

5.3. Bij voorgaande berekening dient te worden bedacht dat de 6 studenten hun leenruimte hebben opgesoupeerd, hetgeen het studiefonds extra ruimte geeft in de volgende 2 jaar.

Uitvoeringsregels en definities.

Bijlage behorend bij Regeling deputaten Studiefonds (regeling 2001)

Netto gezinsinkomen (ad 3.3.2.)

Onder netto-gezinsinkomen wordt verstaan de som van:

1. netto inkomen uit arbeid en/of uit vroeger werk

2. resultaat uit overige werkzaamheden

3. winst uit onderneming

4. periodieke uitkeringen (uitgezonderd kinderbijslag)

5. huurwaardeforfait eigen woning

6. ontvangen heffingskorting en/of inkomstenbelasting

7. minus: betaalde inkomstenbelasting

een en ander over het kalenderjaar vóór het moment van aanvraag.

Gezinsvermogen (ad 3.3.3.)

Onder gezinsvermogen wordt verstaan het saldo van bezittingen en schulden per 1 januari van het jaar van aanvraag, waarbij de waarde van de eigen woning wordt bepaald aan de hand van de taxatie volgens de WOZ.

Studiebijdrage (ad 3.4.)

1. de studiebijdrage wordt na ingang van de regeling jaarlijks aangepast aan de inflatie volgens de consumentenprijsindexcijfers van het CBS van werknemersgezinnen met laag inkomen, totaal, 1995=100

2. aanpassing kan tevens plaats vinden indien de kosten van collegegeld en studie-middelen extra stijgen t.o.v. de inflatie

3. de studiebijdrage dient uiterlijk 2 maanden voor aanvang van het studiejaar (derhalve vóór 1 juli) te worden aangevraagd, onder overlegging van de hiervoor genoemde gegevens van het netto gezinsinkomen en het gezinsvermogen

4. in uitzonderingsgevallen, dit ter beoordeling van deputaten studiefonds, kan van de hiervoor genoemde termijn worden afgeweken, maar niet langer dan tot 1 oktober van dat studiejaar

5. indien de studiebijdrage wordt toegekend wordt in de maand september een voorschot verstrekt van 50% van de bijdrage. Vóór 1 april van het studiejaar dient een declaratie te worden ingediend, waarin de kosten van collegegeld en leermiddelen zijn gespecificeerd en waarbij de betalingsbewijzen zijn gevoegd, waarna het restant van de bijdrage wordt uitgekeerd

Vergoeding van reiskosten (ad 3.5.)

1. declaraties dienen per kwartaal te worden ingediend, waarbij wordt vermeld op welke dagen er ten behoeve van het volgen van colleges en het doen van tentamens gereisd is

2. basis voor vergoeding is het goedkoopste tarief openbaar vervoer tweede klasse

3. declaraties van reiskosten die langer dan een half jaar geleden zijn gemaakt komen niet meer voor vergoeding in aanmerking

4. de vergoeding van reiskosten is gemaximeerd op € 1.500,- per jaar, dit maximum wordt ieder jaar aangepast aan de stijging van de tarieven openbaar vervoer

Lenen (ad 3.7.)

Een aanvraag van een renteloze lening kan geschieden op elk moment tijdens de studieperiode dat de student in principe recht heeft op de studiebijdrage, ook al kan die bijdrage pas het volgende studiejaar ingaan.

2. bijlage 19a

Instructie voor de deputaten Buitenlandse Zending

De synode besloot goedkeuring te hechten aan de volgende instructie:

artikel 1: samenstelling deputaten

De deputaten Buitenlandse Zending zijn deputaten, benoemd door de generale synode, door de vier particuliere synoden en door de zendende gemeenten.

artikel 2: taak deputaten

Aan de deputaten is opgedragen te zorgen voor de praktische uitvoering van de bepalingen, vastgelegd in de regeling voor de Buitenlandse Zending. Daarbij zien zij erop toe dat de zendende gemeenten hun taak uitvoeren, zoals in deze regeling omschreven. Ze zijn geroepen de geestelijke en stoffelijke belangen van de Buitenlandse Zending te behartigen.

artikel 3: werkwijze deputaten

De deputaten dienen voor hun wijze van werken de volgende bepalingen in acht te nemen:

a. ze zijn geroepen het werk op de verschillende zendingsterreinen en binnen de bestaande zendingsprojecten te begeleiden en te zoeken naar nieuwe mogelijkheden om het evangelie in de wereld te verkondigen, waar mogelijk in samenwerking met andere kerken van gereformeerde belijdenis;

b. aan hen is opgedragen de opleiding tot het dienen in het werk van de Buitenlandse Zending te regelen. Zij leggen de manier waarop dit dient te gebeuren ter goedkeuring voor aan de generale synode. Voordat werkers worden uitgezonden, zullen deputaten zich ervan overtuigen dat de opleiding tot het gewenste resultaat heeft geleid;

c. aan hen is ook opgedragen voor de bibliotheek en het archief van de Buitenlandse Zending te zorgen. Een en ander geschiedt in goed overleg met het dienstenbureau in Veenendaal.

artikel 4: financieel beheer

Met de penningmeester hebben de deputaten het beheer van de gelden onder de volgende bepalingen:

a. zij zorgen voor een goede bewaarplaats en eventuele belegging van de gelden;

b. zij bepalen de traktementen / salarissen van de zendingsarbeiders;

c. zij zorgen—geheel en gedeeltelijk—voor het levensonderhoud van de algemeen voorzitter en de eerste secretaris;

d. zij zijn bevoegd de reiskosten van de deputaten en andere uitgaven, nodig voor hun arbeid, uit de generale kas te voteren;

e. zij zijn gehouden telkenmale rekening en verantwoording te doen uitsluitend aan de generale synode.

artikel 5: rapportage

De deputaten rapporteren over hun werkzaamheden aan elke particuliere en generale synode. Zij zenden elk jaar een overzicht van hun werkzaamheden aan de kerkenraden.

3. bijlage 33a

Klachtenprocedure ingeval van misbruik van pastorale en andere kerkelijke gezagsrelaties

De synode besloot:

de hiernavolgende klachtenprocedure vast te stellen en met het oog daarop een klachtencommissie te benoemen.

I. Begrippenomschrijving

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. misbruik van gezagsrelatie:

iedere uiting van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag, opzettelijk of onopzettelijk, door een pastorale of andere kerkelijke medewerker, waardoor ten opzichte van een gemeentelid, vanuit de gezagspositie, vertrouwen geschonden wordt en de grens van persoonlijke integriteit overschreden wordt en welke derhalve op gespannen voet staat met datgene wat ons in Gods Woord wordt voorgehouden ten aanzien van de omgang met de naaste.

Dit kan seksueel getinte uitingen betreffen, maar ook ander intimiderend gedrag;

b. klacht:

een bij de klachtencommissie of bij een kerkenraad(slid) naar voren gebracht bezwaar tegen een onder a. bedoelde uiting;

c. klager:

degene die een klacht indient bij de klachtencommissie of een kerkenraad(slid). Ten behoeve van een minderjarige of een onder curatele gestelde treedt diens wettelijke vertegenwoordiger op;

d. aangeklaagde:

de pastorale of andere kerkelijke medewerker tegen wie de klacht is gericht;

e. (klachten)commissie:

de door de generale synode benoemde landelijke commissie, die bevoegd is een, al dan niet via kerkenraad of meldpunt binnengekomen, klacht in behandeling te nemen;

f. meldpunt:

een centraal punt, waar deskundige medewerkers terzake van misbruik van gezagsrelaties en klachtenprocedure informatie en advies kunnen geven. Deze medewerkers kunnen zonodig verwijzen naar de klachtencommissie en een intensievere vorm van hulpverlening. Tevens kunnen zij een klager of aangeklaagde begeleiden tijdens en na de procedure van de klachtencommissie;

g. vertrouwenspersoon:

degene die op verzoek van een klager of aangeklaagde diens belangen mede behartigt, dan wel als diens vertegenwoordiger of gemachtigde optreedt. Dit kan een medewerker van het meldpunt zijn.

II. Taak, bevoegdheid en samenstelling klachtencommissie

Artikel 2

De door de generale synode benoemde klachtencommissie, voluit geheten ‘klachtencommissie inzake misbruik van pastorale en andere kerkelijke gezagsrelaties’, heeft tot taak bij haar of bij een kerkenraad binnengekomen klachten te bezien op de ontvankelijkheid, en deze in dat geval nader te onderzoeken en te beoordelen op de al dan niet gegrondheid.

In zich voordoende gevallen wordt advies uitgebracht over de afdoening van de zaak aan de kerkenraad van de gemeente waartoe de aangeklaagde behoort.

Artikel 3

De klachtencommissie is bevoegd kennis te nemen van een klacht indien de klager, al dan niet door tussenkomst van de kerkenraad of de vertrouwenspersoon, de klacht schriftelijk indient en ook overigens voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 5.

Artikel 4

1. De klachtencommissie dient zodanig te zijn samengesteld dat een deskundige en onpartijdige behandeling van klachten zoveel mogelijk gewaarborgd is.

2. De klachtencommissie, die minstens evenveel vrouwen als mannen telt, bestaat minimaal uit vier en maximaal uit zes leden, afkomstig uit alle ressorten van de particuliere synodes en geselecteerd uit het juridisch veld, de hulpverlening en het kerkelijk pastoraat.

Er is een voorzitter en een plv. voorzitter, een secretaris en een plv. secretaris.

3. Daarnaast benoemt de generale synode een aantal deskundigen, die zich op afroep beschikbaar stellen om eventueel ad hoc in de commissie te participeren.

4. Benoeming van de commissieleden geldt voor drie jaar. Herbenoeming is vier keer mogelijk.

De zittingsduur van een lid, dat is benoemd op een tussentijds opengevallen plaats, is gelijk aan de duur van de resterende zittingsperiode van het lid in wiens plaats de benoeming plaatsvindt.

De generale synode kan een benoeming om dringende redenen ook tussentijds beëindigen.

5. De commissie kan zich laten bijstaan door externe adviseurs, zonodig uit andere kerkgenootschappen, die zich conformeren aan de door de generale synode te stellen voorwaarden.

6. Het karakter van de klachtenprocedure verplicht de leden van de klachtencommissie, de daarnaast benoemde deskundigen en de externe adviseurs tot volstrekte geheimhouding.

III. Ontvankelijkheid van de klacht

Artikel 5

1. Een ieder die lid is, of geweest is, van een Christelijke Gereformeerde kerk, hetzij als belijdend lid, hetzij als dooplid, hetzij als meelevend lid, kan bij de commissie een klacht indienen tegen degene die misbruik maakte van zijn gezagsrelatie.

2. Een derde, zijnde een persoon, die geen lid is of geweest is van een Christelijke Gereformeerde kerk, kan een klacht indienen indien misbruik van een kerkelijke gezagsrelatie is gemaakt tijdens een functioneel contact met de aangeklaagde of voortvloeiend uit een contact met de aangeklaagde.

3. Een klacht dient zo spoedig mogelijk te worden ingediend, maar blijft ontvankelijk zolang de aangeklaagde op zijn verantwoordelijkheid kan worden aangesproken.

4. Een klacht wordt schriftelijk ingediend bij de commissie. Dit kan zowel rechtstreeks door de klager, als via een (lid van de) kerkenraad en via een vertrouwenspersoon.

5. Een klacht bevat naast de naam van de klager(s) en een dagtekening, ten minste:

a.een omschrijving van de uiting die aangegeven wordt als misbruik van de gezagsrelatie;

b. het tijdstip of de periode waarop deze betrekking heeft;

c. de identiteit van de aangeklaagde(n), en

d.een overzicht van door de klager(s) ondernomen stappen en eventueel daarop betrekking hebbende stukken.

IV. Doorzending

Artikel 6

1. Indien een klacht wordt ingediend bij een kerkenraad(slid) wordt deze zo spoedig mogelijk ter behandeling doorgezonden naar de klachtencommissie.

2. De kerkenraad informeert klager over de doorzending naar de commissie en wijst de klager op de mogelijkheid een vertrouwenspersoon in te schakelen.

V. Procedure klachtbehandeling

Artikel 7

1. De secretaris van de klachtencommissie bevestigt aan de klager binnen een week schriftelijk de ontvangst van de klacht en informeert de klager over de werkwijze van de commissie en wijst voorzover nog nodig op de mogelijkheid een vertrouwenspersoon in te schakelen

2. De secretaris informeert eveneens binnen een week de aangeklaagde over het feit dat een klacht is binnengekomen en zendt hem een afschrift van de klacht en eventuele andere schriftelijke stukken. Ook de aangeklaagde wordt geïnformeerd over de werkwijze van de commissie en de mogelijkheid een vertrouwenspersoon in te schakelen.

Artikel 8

De secretaris en de voorzitter gaan na of de klacht ontvankelijk is. Is dit niet het geval dan worden klager en aangeklaagde daarover zo spoedig mogelijk, met toelichting, geïnformeerd, evenals, ingeval van doorzending, de betreffende kerkenraad.

Artikel 9

1. Is de klacht ontvankelijk dan roept de (plv) secretaris de klachtencommissie bijeen teneinde te overleggen in welke samenstelling van drie personen de klacht behandeld zal worden.

In beginsel zullen dit zijn: de voorzitter of de plv. voorzitter, de secretaris of de plv. secretaris en een lid, geen van allen uit de regio van de particuliere synode(s), waaruit klager en aangeklaagde afkomstig zijn. De commissie dient gemengd (m/v) te zijn samengesteld.

2. De commissie bepaalt binnen 6 weken na ontvangst van de klacht de datum en de plaats (en) waar klager en aangeklaagde door de commissie zullen worden gehoord. De hoorzitting vindt plaats binnen 8 weken.

Artikel 10

1. De secretaris zendt klager en aangeklaagde minstens 14 dagen voor de hoorzitting een oproep, met eventuele aanvullende stukken, die op de zaak betrekking hebben, voorzover deze naar de mening van de commissie voor doorzending in aanmerking komen.

2. Tot 10 dagen voor de hoorzitting kunnen partijen nadere stukken indienen. De secretaris zendt deze door aan de andere partij, met de beperking genoemd in het vorige lid.

Artikeln 11

1. De hoorzittingen van de commissie zijn besloten. De secretaris maakt van iedere zitting een schriftelijk verslag, bestemd voor partijen en de commissie.

2. Klager en aangeklaagde worden in beginsel in eerste instantie afzonderlijk en daarna in eikaars aanwezigheid gehoord.

De klachtencommissie kan ambtshalve of op verzoek beslissen partijen afzonderlijk te horen indien aannemelijk is dat het gezamenlijk horen een zorgvuldige behandeling zal belemmeren. In het laatste geval worden klager en aangeklaagde op de hoogte gesteld van hetgeen verhandeld werd tijdens het verhoor waarbij hij/zij niet aanwezig was.

3. Op verzoek van een van de partijen kan de hoorzitting worden aangehouden tot maximaal zes maanden na ontvangst van de klacht. De commissie is bevoegd in het belang van het onderzoek of in het belang van een der partijen deze termijn te verlengen.

Zowel klager als aangeklaagde wordt op de hoogte gesteld van aanhouding en verlenging.

4. Indien de aangeklaagde de klacht ongegrond verklaart kan de klachtencommissie een onderzoek vragen van een terzake deskundige.

5. Indien klager naast de klacht tevens aangifte heeft gedaan van een strafbaar feit wordt de behandeling van de klachtencommissie opgeschort in afwachting van de resultaten van het onderzoek in de strafzaak.

6. Indien klager een klacht intrekt, behoudt de klachtencommissie zich het recht voor een onderzoek in te stellen naar de reden van de intrekking.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.