+ Meer informatie

HUWELIJKSKEUZE MET ANDERSDENKENDEN OF TOTAAL ONKERKELIJKEN

7 minuten leestijd

In vele gemeenten zal het ongetwijfeld voorkomen dat jongeren met jongeren uit àndere kerken verkering hebben. Vaak gaat tenslotte één van de partners over. Het gebeurt dus niet altijd. Je hebt huwelijken waarin men kerkelijk gescheiden optrekt, al of niet deelnemend aan het onderlinge grensverkeer. Er zijn echter ook verlovingen die op het punt van de gemeenschappelijke kerkkeuze stukbreken.

Daarnaast worden er - helaas steeds meer - huwelijken gesloten met hen die tot geen enkele kerk behoren. Er zijn er die zelfs regelmatig ’s zondags meegaan. Je hebt er ook die zich totaal onkerkelijk blijven gedragen, al leggen ze de kerkelijke partner geen strobreed in de weg.

De vraag in kwestie is nu deze: hoe moeten wij over het één en ander oordelen? Ik begin met de huwelijkskeuze met totaal onkerkelijken.

Natuurlijk bestaan er in de groep van de „totaal onkerkelijken” verschillende variaties. Je hebt onkerkelijke jongeren die door middel van hun verkering smaak krijgen in de dienst van de HERE. Tenslotte komen ze op de belijdeniscatechisatie. In zulke ontwikkelingen kun je je alleen maar verheugen!

Deze afloop komt niet in alle dergelijke verkeringen voor. De onkerkelijke vriend of vriendin hobbelt misschien eerst kerkelijk mee maar laat het op den duur afweten. Mede afhankelijk van de instelling van de kerkelijke partij komt het tot een huwelijk of niet. Expres verwoord ik mij aldus: mede afhankelijk van de instelling van de kerkelijke partij. Want hier is niet minder de geestelijke en kerkelijke inventaris in geding. Je hebt immers jongeren die menen dat voor het geloof de kerk geen onmisbare factor is: je kunt best geloven zonder kerk. In het licht van de Heilige Schrift is dit een onhoudbare stelling, tenzij men onder geloven verstaat het aannemen van het bestaan van een hoger wezen. Wanneer men het geloof evenwel mag kennen als een liefdesrelatie tot de Here God in Christus, dan zal men nooit buiten de kerk kunnen. We hebben o.a. voeding nodig, begeleiding, onderwijs, contact. Daarnaast wil een ieder die de HERE liefheeft. Zijn geboden bewaren, waartoe ook die van het vierde gebod behoort. Wanneer men echter als kerkelijke de vreze des HEREN niet deelachtig is, zal men de onkerkelijkheid van de andere partij hoogstens als jammer, als belemmerend ervaren maar niet als principieel onverantwoord voor een huwelijk! Niet zelden zie je daarbij dat de kerkelijke al minder kerkelijk wordt. Ook in dezen gaat de regel op van „min maal plus is min”. Het negatieve wordt overheersend.

Op wie moeten we ons in ons pastoraat derhalve het meeste richten? Op onze eigen kerkelijke jongeren! We moeten hun de rechten van God voorhouden, de bekoorlijkheid van het dienen van de Here enz. Ze zullen dan ook meer begrip krijgen voor het Paulinische bevel om geen juk aan te trekken met een ongelovige (2 Kor. 6: 14). Je vormt dan geen gelijk span. Er mag geen gemeenschap bestaan tussen gerechtigheid en wetteloosheid, tussen licht en duisternis. In zo’n huwelijk mis je de geloofsbasis. Je kunt niet samen bidden. Je wordt niet door je man of vrouw geestelijk opgevangen. Je moet ontzaglijk veel alleen verwerken. Voor de verbondsopvoeding van de kinderen wordt dan heel veel van je gevraagd. In feite sta je er alleen voor! Tenvolle geldt in zulke huwelijken het bekende spreekwoord: twee geloven (geloof en on-geloof) op één kussen, daar slaapt de duivel tussen.

Er zijn jongeren en ouderen die zich voor deze zaal ten onrechte op de tekst van 1 Kor. 7 vers 16 beroepen: Want hoe kunt gij weten, vrouw, dat gij uw man zult redden? Of hoe kunt gij weten, man, dat gij uw vrouw zult redden? Men vergeet dan de achtergrond, het kader. Paulus spreekt over huwelijken waarin één van de partners door de evangelieverkondiging gelovig geworden is. Nu is het mogelijk dat de ongelovige partner het huwelijk beëindigen wil. De gelovige moet hem of haar - hoe erg dit ook is - dan laten gaan, niet tegenwerken. Nooit mag men zich beroepen op de mogelijkheid dat men toch de andere partij zal kunnen bekeren. Daar weet men niets van, zo betoogt Paulus. Het huwelijk is geen evangelisatie-instituut. We moeten uitgaan van de geopenbaarde dingen: geen huwelijkskeuze met totaal onkerkelijken.

En daarom zit er naar artikel 70 K.O. sub 1a een kerkelijke huwelijksbevestiging helemaal niet in. Hoe kan een onkerkelijke knielen zonder zich aan de Here God te willen uitleveren? Hoe kan hij of zij de bevestigingsvragen in alle eerlijkheid beantwoorden? Op geen enkele wijze mag een kerkeraad medewerken aan de opvoering van een stuk onwaarachtigheid.

Tot goed verstaan: een andere zaak is het als de eertijds onkerkelijke loopt op de wegen des Heren en belooft (gedoopt of niet) zich te zijner tijd te begeven tot de openbare geloofsbelijdenis.

Ik plaats nu een paar opmerkingen over het eerste probleem. De verloofde behoort tot een andere kerkgemeenschap. Hij of zij is dus een andere kerkleer toegedaan.

Het is machtig als beiden in de Here Jezus geloven. Zo voldoet men aan een vereiste voor het christelijke huwelijk. Maar waar moeten ze nu hun kerkelijk onderdak zoeken? Er zijn er die dit heel gemakkelijk en vlot oplossen: het meisje gaat natuurlijk over naar de kerk van de jongen! Voor deze stap heb ik altijd heel weinig waardering kunnen opbrengen. Daar ligt zelfs een stukje discriminatie achter èn van het meisje èn van de kerk van het meisje.

Grote waardering koester ik voor allen die het met de kerkkeuze heel moeilijk hebben, al worden zij in deze tijd van kerkelijke onverschilligheid zeldzaam. Hoe nu in concreto te handelen?

Allereerst moet goed voor de beide partners vaststaan dat men door de levensleiding van God van een bepaalde kerk (doop)lid is. Dat moet bloedserieus genomen worden. Vervolgens dient men na te trekken wat de leer van de eigen kerk inhoudt en die van de kerk van je verloofde. Er moet gelezen worden, geluisterd en gepraat, ook met de ambtsdragers (bij voorbeeld de dominees) van de twee kerken.

Tenslotte valt na eerlijke studie en open gesprek de beslissing. Jan wordt bijvoorbeeld gereformeerd. Je kunt dat jammer vinden, maar we eerbiedigen dit besluit, daar het op een verantwoorde wijze voor het aangezicht van de Here God genomen is.

Wat heb ik hiermee willen beklemtonen? We zullen als ambtsdragers moeten onderstrepen de noodzaak van de ene kerkkeuze en het serieuze kerkonderzoek. Laten wij deze belanghebbenden de helpende hand bieden door hun onder meer lectuur ter beschikking te stellen. Al behandelt het de kerkgeschiedenis tot 1967, het werk van ds. J.H. Velema „Kerk tussen klem en knoop” bewijst nog steeds uitnemende diensten.

Het is jammer als men niet tot een oplossing komt. Dat behoeft nog geen koppigheid te betekenen of een gevolg te zijn van een familietyrannie of van een kerkelijk exclusief denken. Het kan alles te maken hebben met principiële redenen. Ideaal is zo’n situatie niet. Er komt op het aanstaand huwelijk wel extra spanning te staan. Een nog intensiever pastoraat is dringend noodzakelijk.

De huwelijksbevestiging met andersdenkenden kan op moeilijkheden stuiten. Terecht besloot onze synode in 1944 dat een huwelijk waarin één der partijen niet behoort tot de Christelijke Gereformeerde Kerken en deze weigert te beloven dat de kinderen die God hun belieft te geven in de Christelijke Gereformeerde Kerken gedoopt zullen worden en ter catechisatie zullen gaan, niet kerkelijk bevestigd kan worden (art. 70 K.O. sub 1b). De kerkelijke gescheidenheid kèn immers de christelijke huwelijksgemeenschap in haar ontplooiing belemmeren en het grootbrengen van kinderen voor de Here schaden. Vandaar deze synodale bepaling.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.