+ Meer informatie

OVER DE WERKGROEP HOMOSEXUALITEIT IN CHRISTELIJKE GEREF. EN NEDERLANDS GEREF. KRING *)

4 minuten leestijd

De hierboven genoemde werkgroep is de laatste maanden nogal eens in het nieuws geweest. De brochure „Luisteren naar elkaar……” werd aan kerkeraden, jeugdverenigingen, bijbelkringen en kerkbladen toegezonden. In verschillende bladen verscheen een kritische bespreking. In Opbouw van 11-10 ’85 schreef br. C. Huizinga een antwoord aan de werkgroep, n.a.v. een door de werkgroep geschreven reaktie op een bijdrage van hem in Koers over het Aids-virus onder homosexuelen.

Ik heb er behoefte aan mijn positie, als ook die van br. P.C. van Wijk, ten opzichte van de werkgroep te verduidelijken. In den lande worden onze namen regelmatig genoemd in verband met de werkgroep. En niet ten onrechte, want zowel Van Wijk als ik hebben jarenlang deel uitgemaakt van de werkgroep en hebben mede aan de wieg van de werkgroep gestaan.

In de zomer van 1984 heb ik mijn medewerking aan de werkgroep beëindigd. Van Wijk korte tijd later. We hebben daar officieel nooit enig bericht van gedaan in de kerkelijke pers, omdat we er geen behoefte aan hadden de indruk te wekken dat we ons tegen de werkgroep gekeerd zouden hebben. De werkgroep zelf heeft het in al haar publicaties in het midden gelaten of wij nog deel uitmaakten van de werkgroep.

De reaktie van de werkgroep op het artikel van br. Huizinga, is voor ons aanleiding om onze positie publiek te verduidelijken. Wij vinden deze reaktie, waarin op geen enkele wijze de wil aanwezig is om te luisteren naar een wel zeer kritische stem, beneden de maat. Wij achten br. Huizinga hoog vanwege de fijnzinnigheid, waarmee hij de opvattingen van anderen bespreekt of weerlegt.

We kunnen ons de gevoeligheid van vele homosexuelen heel goed voorstellen, wanneer de ziekte Aids ter sprake komt. De wijze waarop dit bijvoorbeeld in de V.S. gebeurt, is werkelijk ontstellend. Daar worden Aids-patiënten als paria’s behandeld. Geïsoleerd en uitgeworpen.

Toch laat de felle reaktie van de werkgroep zich niet alleen uit dit Aids-drama verklaren. Ten diepste wil men niet dat het „homosexuele leven” op welke wijze dan ook ter diskussie wordt gesteld. Daar moeten hetero’s vanaf blijven. Dat is iets wat homo’s zelf moeten uitmaken. Men wil eigenlijk geen enkel argument horen, waarin homosexuele omgang onder kritiek wordt gesteld.

Dat klinkt hard. Ik besef dat heel goed, maar dit punt is dan ook het aangelegen punt, waarop de werkgroep èn Van Wijk en ik uit elkaar zijn gegaan.

Binnen de werkgroep werd verschillend gedacht over het verstaan van de Schrift. De bijdragen in de brochure „Luisteren naar elkaar…..” weerspiegelen dat verschil ook. Maar nog gevoeliger ligt het, wanneer het gaat over vragen rondom de sexualiteit. Want de sexualiteit heeft direkt te maken met iemands identiteit. Wie zichzelf op welke wijze dan ook wil manifesteren als homo, wie trots is op zijn/haar homo-zijn, voor hem/haar is de homosexuele beleving iets onopgeefbaars. De verschillende homobewegingen stellen zich ten doel dit homo-zijn zo sterk mogelijk te profileren, waarbij de kreet „hoera, ik ben een homo” de slogan is die de homo-emancipatie kort samenvat. Je bent homo met alles er op en er aan.
ledere terughoudendheid t.a.v. de sexualiteit wordt in homosexuele kring gezien als een aanslag op de identiteit. Daarmee ontneem je iemand iets dat er wezenlijk bij hoort.

Toch belemmert juist deze opstelling een gesprek over wat nu onderwerp van gesprek moet kunnen zijn. En datzelfde geldt ook voor de stelling die telkenmale geponeerd wordt: „Als het om de liefde gaat, wat kan daar dan voor slechts aan zijn?”

De liefde is m.i. niet de enige norm, die voor een relatie tot gelding gemaakt moet worden. Liefde is het hart van de wet, het hart van het gebod. De motor, waardoor Gods geboden heilzaam voor een mens gaan funktioneren. Wie zich op de liefde beroept als de uiteindelijke norm, trekt zich in feite terug uit de diskussie.

Wanneer ik de Schrift leg naast de situatie, waarin we vandaag leven, dan ben ik steeds meer geneigd om te zeggen, meer nog dan in mijn bijdrage aan de brochure, de weg van de onthouding is verre te verkiezen boven de weg die vele homosexuelen tenslotte niet blijken aan te kunnen. Zeker in de wereld van de mannelijke homosexuelen is het ontbreken van de heilzame polariteit van het mannelijke en het vrouwelijke, zoals de Here die in de schepping van de mens gegeven heeft, één van de oorzaken, waardoor men een vaste relatie niet aankan en er vaak meerdere vluchtige relaties op na houdt.

De signalen, die ik de laatste tijd opvang uit homosexuele gemeenschappen, stellen mij bepaald niet gerust.

Op dit punt ben ik geneigd meer afstand te nemen van mijn eigen konklusies, zoals ik die in mijn bijdrage „In liefde gebonden” verwoord heb.

Sliedrecht

*) Van de redactie:

In een vorig nummer werd een bespreking gewijd aan het rapport „Luisteren naar elkaar”. Daarbij is ingegaan op wat een van de auteurs, ds.J.Bouma, Ned. Geref. predikant in Sliedrecht, had geschreven. Na het verschijnen van die bespreking troffen we in „Opbouw”, het blad van de Ned. Geref. Kerken, het nummer van 29 november 1985, het volgende artikel aan. Met toestemming van de auteur wordt het in z’n geheel hier overgenomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.