+ Meer informatie

Vaderlandse Geschiedenis

10 minuten leestijd

Franse Furie (vervolg.) De vorige maal zagen wij, dat de antwerpse Magistraat de voor hun stad gekampeerde franse troepen niet vertrouwde en daarom in de nacht van 16 op 17 Jan. 1583 de wacht liet verdubbelen; tevens moesten alle vensters verlicht zijn.

's Morgens vroeg ging Anjou naar de Prins en vroeg of deze meeging om een revue te houden over de zoeven genoemde Fransen. Maar de Prins weigerde, bewerende dat hij ziek was.

's Middags, toen de Antwerpenaars aan het middagmaal zaten ging Anjou toch de revue .houden. Bij zijn troepen gekomen (3600 man), stelde hij zich aan het hoofd en onder 't geroep van „Ville gagnée. Tue! Tue!" stormde de bende de stad binnen, menende deze gewonnen te hebben. Ze drong door tot de Beurs en begon te plunderen.

Maar de burgers waren ditmaal goed wakker en dachten aan de spaanse Furie van voorheen. Direct werd de alarmklok geluid en het volk te wapen geroepen.

Het werd een hevig straatgevecht. Zelfs van de huizen en daken werden de Fransen bekogeld; de helft sneuvelde. De rest trok in grote verwarring weer ter poort uit, maar werd nu vanaf de stadsmuur onder vuur genomen.

Gelukkig, dat de Prins dadelijk de leiding van de tegenstand in handen nam; maar ook best begreep, dat hij nu tussen twee vuren zat. Te veel blijk van sympathie voor de ene kant zou hem natuurlijk een duw van de andere zij bezorgen. Enfin, hij wist de verbitterde burgers wat tot bedaren te brengen; anderzijds behielden veel gevangen Fransen door zijn voorspraak het leven.

En Anjou? IJskoud beweerde hij dat het hele opstootje een gevolg was van een soldatenruzie! Maar dat geloofde natuurlijk niemand.

Hij voelde wel, dat het uit was met zijn gezag. Ook tegen Brugge werd iets dergelijks uitgehaald, maar ook

dat liep mis. Beter slaagde hij te Dixmuiden, Duinkerken en Deiidermonde. Ten langen leste vertrok hij naar Frankrijk.

Ook Marnix had de wijk genomen. Toen hij zag, dat ze in Antwerpen aan 't bakkeleien waren, wercl hij zo ontmoedigd, dat hij naar Zeeland vluchtte.

Wat nu? De Prins had de grootste moeite het roer recht te houden. Groot was de verontwaardiging tegen Anjou, niet alleeri in de Nederlanden, maar ook in Engeland, Duitsland en onder de Hugenoten. De laatsten beschouwden hem als een groot draaibord.

Natuurlijk had men in deze landen nu heen kunnen gaan en zelfstandig de strijd gaan voeren. Het was eigenlijk het enig goede idee.

Maar de Prins begreep, dat daarvan niets terecht zou komen: er was te veel naijver onderling.

Uit politieke overwegingen besloot hij te gaan ijveren voor een verzoening met Anjou d.i. in feite het franse koningshuis en Engeland. Immers, wie weet of die beiden nog niet eens zouden samengaan.

Maar op een toekomstig huwelijk van Anjou, hoeveel moeite hij er ook voor deed, met de geslepen „politica" Elisabeth, moest men echter niet te veel rekenen. Zij hield niet op met haar „verloofde" te sollen, als een kat met een muis en noemde hem gekscherend, wegend zijn ver van fraaie lichaamsvorm, haar „kikkertje." Maar politiek is een vreemd ding; men kan nooit weten! Ook de Staten-Generaal waren hevig boos op Anjou en het kostte onze Prins heel wat hoofdbrekens de heren tot onderhandelen te bewegen. Tot overmaat van ramp begon onze landsheer nog een paar domme zetten uit te halen.

Ten eerste begon hij op te pijpen tegen de Staten-Generaal. Mijnheer was zeer verontwaardigd over de hem aangedane beledigingen! Tweedens kreeg onze goede Prins, die nog wel zoveel moeite deed om het been weer in het lid te krijgen, van alles te horen over zijn houding.

Gelukkig behield Oranje zijn kalmte te midden der golven en de onderhandelingen zouden voortgaan.

Beide partijen had hij tot verzoening en concessies aangemaand. Ook Frankrijk en Engeland trachtten op 's Prinsen dringend verzoek de Staten-Generaal en Anjou tot elkaar te brengen.

Want de Prins was ergens achter gekomen. In 't voorjaar van 1583 had Anjou getracht een verbinding met Parma tot stand te brengen of omgekeerd. Men begrijpt tot welke funeste gevolgen dit zou kunnen leiden.

Het onderhandelen begon dan, maar wilde niet vlotten. De Prins had zelfs van zijn vrienden heel wat moeten horen over het hernieuwen van de onderhandeling met Anjou. Persoonlijke beledigingen werden hem niet gespaard. Daarom besloot hij in Juli 1583 voorgoed naar Holland terug te keren. Even te voren (Maart) was de Prins hertrouwd met Louise de Coligny, weduwe de Téligny, die tegelijk met haar vader, admiraal de Coligny in de Bartholomeüs nacht was vermoord.

Vooral Hembyze en Dathenus in het Zuiden gingen hevig tegen Oranje te keer. Men had nog getracht een verzoening tot stand te brengen, maar het was mislukt. Zij verfoeiden zijn politiek, die steeds weer naar Frankrijk was gericht, ook in verband met het verloop van de keulse oorlog, waarop wij echter niet ingaan.

Eén was er, die van al dat geharrewar zijde spon en dat was de geslepen Parma. In het Zuiden waren 't nog maar een 9-tal steden, die zich, zij 't met grote moeite, tegenover de Spanjaarden handhaafden. Eindhoven en Steenbergen, beide belangrijke punten, werden door Parma genomen. Verder werkte hij met allerlei fraaie beloften, door geheime agenten rondgestrooid. Het verraad loerde aan alle kanten.

zucht-De gewesten Overijsel, Gelderland en Drente ten onder de last van de guerilla.

In Friesland was het volop ruzie.

Gelukkig voor ons, dat Parma zo te klagen had over geldgebrek. Spanje's schatkist was uitgeput.

Menige schone kans ging daardoor voor hem verloren. Verder smartten de Prins diep zekere familie gebeurtenissen, die zijn zaak ook zeer benadeelden,

Hij had namelijk een zwager, graaf Willem van den Berg. Deze was, tegen 's Prinsen zin, stadhouder van Gelderland geworden. Maar hij bleek een verrader te zijn. Hij speelde toch Parma Zutphen in handen.

Gevangen genomen werd hij met vrouw en drie zoons naar Delfshaven gevoerd.

Depressie. Het voorjaar van 1584 was uiterst gevaarlijk. De Prins zag de ondergang dezer landen nabij, als er niet spoedig hulp kwam opdagen.

De duitse Lutheranen waren hevig gekant tegen de nederlandse Calvinisten; Elisabeth bleef neutraal; in onze gewesten waren veel tegenstanders van 's Prinsen politiek: het hulp zoeken bij Frankrijk. Onder de laatste groep waren er, die meenden, dat men dan net zo goed weer met Spanje herenigen kon.

Toen heeft de Prins in Maart een tweetal brieven aan zijn broer Jan geschreven, die Prof. Blok beschouwt als zijn politiek testament, waarin hij zijn hulp zoeken bij Frankrijk verdedigt.

Ze zijn zeer belangrijk om te lezen; maar „extremisten" zullen het er helemaal niet eens mee zijn.

Jan van Nassau was vurig anti-rooms en dus ook al niet erg voor 's Prinsen politiek.

Voor belangstellenden wil ik enkele passage's vermelden. „Blijf gij, broeder, mij steunen met uw raad ter verdediging van de goede zaak, waartoe ik, zo God mij genade geeft, besloten ben mijn dagen te eindigen en nooit met de Spanjaard te verzoenen, wetende, dat zulk een verzoening veroorzaken zal, de ruïnering van de kerken dezer en anderer landen, een algemene tyrannie over alles in dit land en bijzonder de verwoesting van ons huis."

Hij zelf verklaarde zich tot het uiterste besloten ter verdediging van deze landen, van de godsdienst en de vrijheid, „hopende, dat God, door welk middel dan ook, mij niet verlaten zal in een zo rechtvaardige en nodige strijd, dat ik Hem smeek met mijn ganse hart."

Daarom wil hij standhouden en geen gevaren voor zich en de zijnen, schuwen, of zich schuldig maken aan een „ellendige verlating" (d.i. een in de steek laten van ons volk.)

En terwijl de Prins dit schreef, maakte Gent aanstalten om naar Parma over te schakelen, waarbij de naar de vijand overgelopen Hembyze medewerking verleende.

Voorname steden van Vlaanderen dreigden in de macht van Parma te vallen en terwijl de Prins met de Staten-Generaal doorgingen met de hernieuwing hunner onderhandelingen met Anjou, werd deze ernstig ziek en overleed op 10 Juni 1584, juist één maand voor dat de Prins het tijdelijke met het eeuwige verwisselde.

Merkwaardig is, wat Groen aangaande het sterven van Anjou vermeldt: „Hij wilde geen monnik of biechtvader, belijdende genoeg te betrouwen zijn zaligheid en vergiffenis zijner zonden door het bloedvergieten van Christus, de enige Zaligmaker."

Door zijn afsterven werd (tot ergernis en schrik van al wie streng 1 roomsgezind was), de gereformeerde koning van Navarre de naaste erfgenaam van de franse troon. (Gr.)

De grafelijke waardigheid Onderwijl was Holland en Zeeland weer begonnen de Prins over te halen de grafelijke waardigheid te aanvaarden.

Voorheen was hij er absoluut niet voor geweest. Nu deden de Staten dier gewesten weer een poging. Vooral de Landadvocaat Buys, de pensionaris van Rotterdam Oldenbarnevelt en die van Enkhuizen Mellson drongen er op aan.

Trouwens deze beide gewesten hadden de laatste jaren toch al een uitzonderingspositie in de kudde ingenomen. Genoemde heren hadden dan de voorwaarden opgesteld en deze waren niet mals.

Maurits heeft het later eens op soldaten manier ge-

zegd, dat hij zich liever van de haagse toren te pletter zou werpen, dan zulke voorwaarden aannemen!

't Was ook meer dan bar.

We vermelden enkele punten. De nieuwe graaf is souverein en de gewesten hebben dus niets meer te maken met het duitse Rijk.

Hij moet de privilegiën handhaven en zonder toestemming der Staten geen oorlog beginnen of vrede sluiten.

De staten mogen vergaderen, wanneer ze willen; dus ook zonder aanschrijving van de Prins.

Het uitschrijven van belastingen moet geschieden met eenparige bewilliging. Alleen voor defensie doeleinden is 3 A meerderheid voldoende.

Heeft de Prins voor zich en zijn huis een bede nodig, dan moet hij 't persoonlijk komen vragen!

De Prins krijgt een Raad van 12 personen ter zij, waarmee hij alle landszaken heeft te overleggen.

De openbare uitoefening der „ware christelijke gereformeerde religie" zal, met uitsluiting van andere, worden gehandhaafd, terwijl met toestemming der Statereerlang een algemene regeling zou worden gemaakt op de voet, dat niemand in zijn geloof en geweten mocht gemoeid worden.

(Men vergelijke dit eens met de Oldenbarnevelt voor de dordtse Synode!) van

De concept-voorwaarden werden nu ter goedkeuring rondgezonden. Eerst stokte het wel even door de tegenkanting van Gouda, Amsterdam en Zeeland, maar ook dat been kwam in 't lid.

De zaak werd vastgesteld en de Prins nam de voorwaarden aan, terwille van de goede zaak.

De inhuldiging werd bepaald op 12 Juli 1584.

Helaas, zover is het niet gekomen. Op 10 Juli trof hem het moordend lood van de gruwelijke booswicht Balthazar Gerards.

Dood van Willem van Oranje. De moordenaar was afkomstig uit Franehe-Comté. Na de mislukte poging om de Prins te doden door Jean Jaurequi, besloot hij een kans te wagen. Ja, hij geloofde aan een goddelijke zending in dezen! (Blok.)

Hij vervoegde zich bij 's Prinsen hofprediker ds Villers te Delft waar hij 't verhaal opdiste, dat zijn ouders Hugenoten waren en om des geloofs wille gedood waren.

De predikant zond hem naar onze gezant in Frankrijk. Juist in die tijd stierf Anjou en nu werd hij door de gezant op zijn verzoek belast, dit te gaan berichten aan de Prins.

Hij werd bij de Prins toegelaten in de slaapkamer. Welk een kans — maar hij had geen wapen bij zich!

Op 8 Juli — het is juist Zondag — loopt hij in het Prinsenhof rond om poolshoogte te nemen, hoe hij 't best ontsnappen kan. Gevraagd, waarom hij niet ter kerke gaat aan de overzij, geeft hij voor, dat zijn kleren in te desolate toestand verkeren. Hij ontvangt geld van de Prins en daarvoor koopt de booswicht van een lijf-

wacht soldaat een pistool en kogels. Daarmee zal hij het gruwelijk feit plegen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.