+ Meer informatie

Psychologie als empirische antropologie*

29 minuten leestijd

1. Inleiding

Het is al eens eerder opgemerkt dat de hedendaagse psychologie meer weg heeft van een antropologie dan van een wetenschap die zich met slechts een enkel aspect van de werkelijkheid bezig houdt. Het werkterrein van de psychologie reikt van de psychofysiologie tot de sociale psychologie, zij handelt over informatieverwerkingsprocessen en persoonlijkheidsmodellen, men kan bij haar terecht voor een beter begrip van allerlei fijnzinnige menselijke interacties zoals in de psychotherapie als wel voor de bestudering van elementaire conditioneringsprocessen. De suggestie wordt wel gewekt dat met de psychologie 'de' mens pas echt in zicht is gekomen. Ouweneel lijkt met deze trend eigenlijk niet zo ongelukkig te zijn. In zijn jongste boek treffen we dezelfde breedheid aan. Wanneer hij de huidige psychologie typeert als 'empirische antropologie' (p.17), richt zijn aandacht zich niet zozeer op de tweede term als wel op de eerste. De psychologie mag van hem best empirisch zijn, mits zij de wijsgerige voorvragen maar niet uit het oog verliest. In eerste instantie is het hem dan ook om een beantwoording van deze voorvragen te doen. Dat de psychologie zich al lang niet meer bij uitstek bezig houdt met het psychische in de zin van het 'sensitieve' (de zintuigen en het gevoel), is voor hem een teken dat deze wetenschap heeft ingezien dat de mens meer is dan een machine die zintuigelijke indrukken verwerkt en van een subjectief tintje voorziet. De psychologie heeft volgens hem oog gekregen voor de spirituele dimensie, d.w.z. voor de mens als een reflexief en handelend wezen in relatie tot cultuur en medemens. Het is evenwel van meetaf duidelijk dat Ouweneel op de gangbare (door hem als 'seculier' bestempelde) psychologie ook veel tegen heeft. In essentie gaan zijn bezwaren terug op het feit dat deze psychologie onjuiste, d.w.z. niet-christelijke, antwoorden geeft op de wijsgerige voorvragen. Met name heeft zij geen oog voor de centrale betekenis van het menselijk hart, een term die door de auteur wisselend in een bijbelse en in Dooyeweerdiaanse (technisch-wijsgerige) zin gebruikt wordt. Dit vitium originis werkt, hoe impliciet soms ook, door in de resultaten van het vakwetenschappelijk onderzoek door psychologen. Ouweneel zelf is voorstander van niets minder dan een bijbelgetrouwe christelijke psychologie. Zijn boek wil daarvan een proeve zijn. Gegeven deze doelstelling is de werkwijze van de auteur allszins begrijpelijk. In eerste instantie houdt hij zich bezig met genoemde voorvragen. Hij ontwikkelt een wijsgerige structuurleer van de mens, welke een sterke verwantschap vertoont met de kosmologie en antropologie van H. Dooyeweerd. Vervolgens laat hij deze wijsgerige structuurleer fungeren a) als kritisch instrument voor een grootscheepse schifting van wat wel en wat niet uit de 'seculiere' psychologie bruikbaar is in een christelijke psychologie; en b) als het geraamte dat bekleed gaat worden met de uitgezuiverde en geherinterpreteerde elementen uit genoemde seculiere psychologie. Wat men verder ook van het boek moge vinden, men zal de auteur moeten nageven dat hij zich met grote volharding en op logische en heldere wijze van zijn taak heeft gekweten. Het boek is een consequente en integere uitwerking van de zojuist geschetste uitgangspositie. Men hoeft bovendien slechts de literatuurverwijzingen op te slaan om onder de indruk te geraken van de grote hoeveelheid materiaal welke verwerkt is. Alleen al als compilatie van wat er zoal speelt in de diverse onderzoeksvelden getuigt dit werk van een zeldzame werk- en denkkracht. Dit spreekt te meer wanneer men bedenkt dat de auteur de reuzezwaai heeft moeten maken van zijn oorspronkelijke vakgebied, de biologie, naar de hier aan de orde zijnde tak van wetenschap. Het is i.v.m. het vervolg van de bespreking wellicht dienstig reeds hier de vraag te stellen of wat Ouweneel biedt inderdaad 'psychologie' is. Ik meen dat dit slechts tot op zekere hoogte het geval is. De ondertitel van het boek, 'Een christelijke kijk op het mentale leven', geeft eigenlijk beter weer wat de auteur bezig houdt. Preciezer nog zou het zijn te stellen dat dit boek een christelijk-wijsgerige doordenking en herordening c.q. herinterpretatie is van wat de huidige psychologie te bieden heeft. Om recht te doen aan de auteur zal ik mijn vragen over dit punt opschorten tot het eind en eerst een vrij uitvoerige uiteenzetting geven van de inhoud van dit boek. Enkele minder fundamentele bezwaren mijnerzijds zullen in het voorbijgaan worden aangestipt.

2. De inhoud van het boek

Het eerste hoofdstuk, getiteld 'Psychologie en christendom', bevat een eerste nog globale schets van de bedoelingen van de auteur. Ouweneel blijkt op geen enkele manier te willen 'uitgaan van 'de' gangbare humanistische psychologie', maar streeft naar een 'radicaal-christelijke psychologie die bovendien als 'zeef' kan fungeren om de bruikbare 'krenten' uit de psychologische literatuur te vissen en te ontgiftigen' (pp.32, 33). Uit dit laatste citaat blijkt m.i. het meta-niveau waarop Ouweneels psychologie zich beweegt. Foute oplossingen van het probleem van de relaties tussen christendom en psychologie zijn zijns inziens het 'reductionistische model', waarin het religieuze wordt herleid tot slechts een psychisch verschijnsel; het 'dualistische model', dat psychologie en bijbel c.q. theologie strikt van elkaar scheidt; het 'biblicistische model', dat een psychologie wil optrekken uit louter bijbelse gegevens; en het 'integrationistische model', dat een mengeling biedt van bijbelse noties en gangbare psychologische opvattingen. Wat betreft dit laatste model is Ouweneel van mening dat het 'wezensvreemde componenten' (bedoeld zijn: de bijbele noties en allerlei opvattingen uit de seculiere psychologie) wil samenvoegen tot één geheel. Integrationisten 'gaan' op één of andere manier toch nog 'uit' van de gangbare psychologie. Ouweneel wil dat niet. Het zou afbreuk doen aan het radicaalchristelijke van de psychologie die hij voorstaat. Terecht - doch ook nogal uitdagend in de richting van de Vrije Universiteit (pp.31, 32) - stelt hij dat de schaarse pogingen tot een doordenking van de psychologie vanuit christelijk standpunt consistentie en radicaliteit missen. In het grondleggend werk van Dooyeweerd en Vollenhoven ziet de auteur evenwel een aanzet tot een dergelijke bezinning. In het tweede hoofdstuk, dat het opschrift 'Grondslagen van de psychologie' draagt, biedt Ouweneel eerst een christelijk-wijsgerige structuurleer van de mens geënt op de kosmologie en antropologie van met name Dooyeweerd. De modaliteiten- of aspectenleer van laatstgenoemde wordt gewijzigd in die zin dat een nieuwe modaliteit (de perceptieve modaliteit) wordt geïntroduceerd tussen de biotische en de sensitieve modaliteit in en dat de negen hoogste modaliteiten (te weten het analytische, het historische, het linguale, het sociale, het economische, het esthetische, het juridische, het ethische en het pistische) nu als sub-aspecten onder het spirituele aspect worden gevoegd. De term 'spiritueel' is ook nieuw en fungeert als verzamelbegrip voor de genoemde subaspecten. Voor beide wijzigingen is wel wat te zeggen, althans binnen het kader van de wijsgerige antropologie. Wel heb ik moeite met de aanduiding 'perceptief' voor het nieuw geïntroduceerde aspect, daar de auteur als zinkern voor dit aspect de niet-gereflecteerde gewaarwording (dus het bewustzijn in zijn meest elementaire vorm) aanwijst en vervolgens reflexen, instincten en tendenties aanmerkt als primair door dit aspect gekwalificeerd. Het gaat mij wat te ver om van reflexen, instincten en tendenties te stellen dat deze krachtens hun geaardheid per definitie gekenmerkt worden door een elementaire vorm van bewustzijn. Niet alleen maakt de auteur het zich zo wel erg moeilijk om nog van onbewuste strevingen te spreken (het onbewuste komt pas aan de orde in het laatste hoofdstuk, p.310, en ook dan neigt hij er toe de betekenis van onbewuste factoren in het gedrag van mensen te minimaliseren), ook wordt het wat onduidelijk onder welk aspect de zintuigelijke perceptie gaat ressorteren.

Nadat de auteur vervolgens middels een uiteenzetting over de entiteitenleer en het hart zijn antropologische structuurleer heeft ontvouwd en heeft geconfronteerd met niet-christelijke antropologieën, daarbij m.n. ingaande op de lichaam-ziel problematiek, komt hij toe aan de vraag hoe de psycholoog zijn kennis verwerft. Ondanks een duik in de geschiedenis van de filosofie en de bespreking van enkele waarheidstheorieën blijkt het kennisprobleem in de psychologie voor Ouweneel toch vooral een structuurprobleem te zijn. Het gaat kennelijk voornamelijk om een adequate stratificatie van kennis, uit te werken in de methodologie van de psychologie. Geen woord hoort men over het hermeneutische aspect in de kennisverwerving van de psycholoog: dat de psycholoog zijn object (immers: een mens) ook wel eens zou kunnen beïnvloeden of dat de psycholoog van de interactie met het object van onderzoek systematisch zijn gezichtspunt zou kunnen maken, lijkt Ouweneel af te doen met de opmerking, dat het verschil tussen de fysicus en de psycholoog slechts gradueel is en met name is gelegen in de onderscheiden mate van nauwkeurigheid die beiden in hun onderzoek kunnen bereiken. De fysicus kan een temperatuur meten van 73,4582° Celsius en de psycholoog mag al blij zijn als hij van het IQ kan zeggen dat het tussen de 120 en de 125 ligt (p.96). Afgezien van deze verbazingwekkend naïeve passage komen er ook enkele mooie gedeelten in dit hoofdstuk voor, bijv. over het persoon-zijn (pp.61, 62). Bovendien heeft dit hoofdstuk de verdienste dat het de complexe antropologie van de wijsbegeerte der wetsidee op heldere en bevattelijke wijze weergeeft. In 'Ontwikkelingen van de psychologie', het derde hoofdstuk, gaat de auteur in op de geschiedenis van de psychologie. Hij bespreekt o.a. de fysiologische psychologie uit de 19e eeuw, de dieptepsychologie, het behaviourisme, de zgn. humanistische psychologie, de cognitieve (waaronder de Gestalt-) psychologie en de existentialistische psychologie, om deze vervolgens af te zetten tegen het 'christelijk psychologisch paradigma'. Ouweneel blijkt nogal te spreken over de cognitieve psychologie, die hij 'als een stap in de richting van de christelijke psychologie' aanmerkt (p.126), en wel omdat zij als eerste de hogere, spirituele, subaspecten thematiseerde. Minder goed komt de psychoanalyse ervan af, die door Ouweneel mijns inziens te veel in een naturalistische (vgl. p.325) en biologistische hoek wordt gedrukt. In de naoorlogse psychoanalytische beweging wordt naar mijn oordeel Freuds drifttheorie, met zijn o.a. biologistische strekking, in ongeclausuleerde vorm eigenlijk door vrijwel niemand meer gedeeld. Veel meer nadruk is komen te liggen op motieven, daarnaast is er veel meer aandacht voor de mens als symboliserend wezen. Wanneer de auteur stelt dat van de psychologen Freud 'er het meest voor verantwoordelijk is dat in onze eeuw de ideeën van echte morele schuld en van persoonlijke verantwoordelijkheid sterk aan waarde hebben ingeboet' (p.115), ben ik met de nodige reserve bereid het eerste bij te vallen, maar ontken ik toch het tweede (Freuds voorname rol in het verdwijnen van de idee van persoonlijke verantwoordelijkheid). Wanneer Freud zich de vraag stelt of de neurose berust op reële verleiding of op fantasie, dan beslist hij ten gunste van het laatste. Kinderen zijn niet het willoze slachtoffer van wat de ouders hen aandoen, zij doen zelf in hun beleving van alles met wat zij ondergaan. De kinderlijke fantasie is z.i. de wortel van de neurose. Hierop berust ook de mogelijkheid van psychotherapie. Mensen kunnen tegenover hun neurotische conflicten een verantwoordelijke houding aannemen, zij zijn van hun conflicten niet zonder meer het slachtoffer. In het vierde hoofdstuk, onder de titel 'De mentale structuren', wordt vervolgens een brede uitwerking geboden van de boven geschetste grondpositie in de richting van de empirische psychologie. De strakke indeling blijft gehandhaafd. Eerst wordt dus het biotisch substraat besproken, hierna achtereenvolgens de perceptieve structuur, de sensitieve structuur en de spirituele structuur. Van deze laatste structuur worden in dit hoofdstuk alleen de sociale en de linguale subaspecten besproken. Deze indeling wordt vervolgens nog weer gecompliceerd doordat in de perceptieve, de sensitieve en de spirituele structuur elk resp. drie dimensies worden onderscheiden. In de perceptieve structuur zijn dit de eerder reeds vermelde reflexmatige, instinctieve en tendentieve dimensie; in de sensitieve structuur de affectieve, de impulsieve en de emotieve dimensie; en in de spirituele structuur de cognitieve, de imaginatief-creatieve en de conatieve (d.i. strevende) dimensie. Het gaat hier om deels traditionele onderscheidingen opgekomen uit de psychologie als onderzoeksveld. Dit onderscheid tussen het cognitieve, het imaginatieve en het conatieve treffen we overigens ook aan in Dooyeweerds beschrijving van de actstructuur. Dooyeweerd legt echter meer nadruk op het feit dat deze vermogens zich presenteren als acten en bijgevolg gekenmerkt worden door een intentionele structuur (d.w.z. per definitie gericht zijn op 'iemand' of 'iets'). Het onderscheid tussen (modale en entitaire) structuren en acten wordt door Ouweneel wel genoemd (pp.54-57), maar in de latere hoofdstukken niet verder gethematiseerd. Hij beperkt zich tot het signaleren van drie 'actbepalende factoren', te weten de constitutie (aanleg), operante (aangeleerde) en motivationele factoren. Deze factoren keren in de latere hoofdstukken wèl weer terug. Ik heb echter het gevoel dat van het onderscheid tussen acten en entiteiten in (de vakfilosofie van) de psychologie meer te maken valt. Een ander punt dat ik wil signaleren is dat met de introductie van de 'dimensies' Ouweneel de enigszins apriorische en deductieve benadering, nl. unilateraal van aspectenleer naar de vakwetenschap toe, tijdelijk opschort om ruimte te geven aan onderscheidingen zoals die in het vakgebied zelf zijn opgekomen. Terecht dunkt me, maar het wordt dan wel een punt of deze vak wetenschappelijke onderscheidingen een even onaantastbare status hebben als de onderscheidingen met een primair wijsgerige achtergrond. Overigens kan men niet zeggen dat de schrijver op de resultaten van empirisch onderzoek oppervlakkig is ingegaan. Integendeel, bij zulke uiteenlopende onderzoekterreinen als de motivatie- en de leerpsychologie, de persoonlijkheidstheorie, het emotie-, geheugen- en hersenonderzoek wordt vrij uitvoerig stil gestaan. Wel komen naar mijn smaak het waarnemen (het perceptieonderzoek) en het denken (m.n. het informatieverwerkingsparadigma in de cognitieve psychologie) er wat bekaaid vanaf. In het vijfde hoofdstuk wordt vervolgens ingegaan op 'De normale persoonlijkheid'. Er is een gedeelte over het 'ethos' en een gedeelte handelend over het 'hart'. Onder ethos verstaat Ouweneel (in navolging van A. Troost) de religieus-ethische gesteldheid van het hart. Het ethos is om zo te zeggen tussen geschakeld tussen het hart, dat zich geheel aan wetenschappelijk onderzoek onttrekt en de handelings- c.q. de lichaamsstructuur van de mens, die zich uiteraard wel leent voor wetenschappelijk onderzoek. Ouweneel bespreekt onderzoek van Piaget en Kohlberg over de ontwikkeling van de morele argumentatie, voorts gaat hij in op de zgn. cognitieve dissonantie, agressie en delinquentie etc. Hij stelt dat het ethos van de individuele persoon kan worden afgemeten aan de relatie tussen drie factoren, iemands objectieve behoeften, subjectieve verlangens en persoonlijke waarden. Hij neemt deze termen ruim: behoeften, verlangens en waarden strekken zich uit van het fysiek bestaan van de mens (honger, dorst) tot diens religieuze leven. Zijn deze factoren niet onderling met elkaar in overeenstemming dan treedt dissonantie op, die in de praktijk vaak wordt 'opgelost' door zelfbedrog. Zware rokers, met een grote behoefte aan dit genotmiddel, maar tegelijk niet in staat hun rookgedrag in overeenstemming te brengen met allerlei persoonlijke waarden (gezond leven), spiegelen zichzelf vaak voor dat het met de risico's voor de gezondheid wel meevalt (opa van 90 jaar rookt toch ook). Ik vraag mij af of het door de schrijver besproken onderzoek en ook zijn eigen trias van behoeften, verlangens en waarden wel zo exclusief betrekking heeft op het ethos van de mens. Bovendien wat verheldert het, om onderzoek als dit zo specifiek te betrekken op en te belichten vanuit de ethische gesteldheid van het menselijk hart? In het volgende gedeelte, over het hart, wordt ingegaan op het geweten, de liefde en de religieuze ervaring. Ouweneel bespreekt o.a. onderzoek naar de conditionering van het geweten, naar de autoritaire persoonlijkheid en naar verschillende typen van religieusiteit. Het bezwaar van zojuist t.a.v. het ethos, nl. de relevantie van het geciteerde onderzoek voor de aan de orde zijnde mentale structuur, doet zich hier veel minder gevoelen. Het zesde en laatste hoofdstuk gaat tenslotte in op 'De abnormale persoonlijkheid'. De auteur beweegt zich hier in hoofdzaak op het terrein van de psychiatrie en de psychotherapie. Er zijn vier onderdelen, achtereenvolgens de mentale pathologie met o.a. een beschouwing over het ziektebegrip, de etiologie van de mentale pathologie, de mentale therapie en tot slot de christelijke aspecten daarvan. Ik vind dit hoofdstuk het minst geslaagd. In de bespreking van de mentale pathologie herhaalt het zich (bijv. over de psychose pp.298, 301, 305) en - wat erger is - het bevat onjuistheden en eenzijdigheden: schizofrenie wordt een neurologische ziekte genoemd (p.305), de fobie wordt curieus genoeg ingedeeld bij de stoornissen in de imaginatief-creatieve dimensie (alsof het een vorm van inbeelding is, p.300), de term psychopathie wordt in een veel te ruime zin gebruikt (o.a. als verzamelnaam voor alle persoonlijkheidsstoornissen p.303), van de afweermechanismen wordt gesteld dat zij bewust (i.p.v. onbewust) gehanteerde verdedigingstaktieken zijn (p.309, was het maar zo!), om het bij deze bloemlezing maar te houden. Er staan enkele verouderde gegevens in, m.n. in het hoofdstukje psychofarmacologie, waar o.a. broom en barbituraten nog worden opgevoerd als belangrijkste slaap- en kalmeringsmiddelen (p.324). Echt veel te ver gaat de schrijver wanneer hij zegt: 'Farmaca helpen de problemen te camoufleren . . . mentale therapie helpt de problemen op te lossen' (p.325); of: dat de psychoanalyse 'heel het menselijk gedrag herleidt tot het (sensitief-impulsieve) driftleven' (p.333); of dat voor problemen die 'dichter' bij het hart liggen dan sociale nood of lichamelijke kwalen 'hulpverlening zonder evangelisatie oppervlakkig lapwerk i s . . . geen hulp in optima forma' (p.336; de term 'lapwerk' voor niet-christelijke hulpverlening wordt ook gebezigd op pp.333 en 334). Bedenkelijk vind ik ook zijn opmerking naar aanleiding van één van de effectstudies van psychotherapie, waarbij bleek dat psychotherapie nauwelijks minder effect had dan psychofarmacotherapie bij ernstige mentale stoornissen (hoe ernstig? welke stoornissen?), nl. dat uit dit onderzoek blijkt dat het 'heel wat minder vanzelfsprekend en heel wat minder noodzakelijk is een ernstig hulpbehoevende persoon naar een medisch specialist (huisarts, zenuwarts, psychiater) door te sturen dan tamelijk algemeen wordt aangenomen' (p.329). Mijn bezwaren richten zich met name tegen het gedeelte dat handelt over psychotherapie en dat tot strekking heeft: a) 'dat psychotherapie in feite een gewoon sociaal beïnvloedingsproces is, net als bijv. onderwijs en gezondheidszorg' (pp.330, 355); en b) dat psychotherapie eigenlijk net zo goed door amateurs als door professionele krachten kan worden uitgevoerd, mits deze amateurs bereid zijn zich te verdiepen in (christelijk-) psychologische literatuur, 'waarvan (zegt Ouweneel) dit boek een bescheiden specimen wil zijn'((!) p.343, vgl. ook 337). In feite is Ouweneels bezwaar tegen professionalisme slechts gebaseerd op één onderzoek (J.L. Shelton & R. Madrazo- Peterson 1978), dat zich bovendien beperkt tot de gedragstherapie (in casu systematische desensitizatie), welke zoals bekend een veel 'truc'-achtiger karakter heeft dan andere vormen van psychotherapie. Wanneer Ouweneel suggereert dat grote groepen mensen in psychotherapie zijn die evengoed geholpen zouden kunnen worden met een minder professionele vorm van hulpverlening, kan hij best gelijk hebben. Wanneer hij stelt dat de door hem voorgestane boëthologie (christelijke hulpverleningswetenschap) in tegenstelling tot alle andere vormen van psychotherapie rekening houdt met het hart van de mens, wil ik dat graag aannemen. Ook kan ik hem nog volgen wanneer hij zegt dat mentale stoornissen in de regel zeer verweven zijn met het religieuze leven. Maar het gaat me te ver om alle mensen die in psychische nood verkeren over één kam te scheren en van hen te zeggen dat men een kans laat liggen wanneer de hulpverlening niet gepaard gaat met een expliciet pleidooi voor een kiezen voor God en de verlossing door Jezus Christus. Er is een groep mensen bij wie een dergelijke aanpak veel te globaal is. Dit zijn mensen met bepd&lde conflicten of stoornissen en die gebaat zijn bij bepéalde vormen en intensiteiten van psychotherapie. Deze mensen hebben recht op deskundigheid, m.n. op het gebied van de gevoelsmatige connotaties van menselijke interacties en op het gebied van de emotionele identiteit. Psychotherapie voor déze mensen is een ambacht, door de aanstaande therapeut te leren door jarenlange training onder supervisie. Uit dit boek leert men het niet. Het bevat geen woord over contra-indicaties voor bepaalde vormen en intensiteiten van psychotherapie. Men zoekt tevergeefs naar een beschouwing over bijv. 'rouwprocessen'. Het somt allerlei op zich nuttige wetenswaardigheden op, maar het gaat nauwelijks in op wat nu juist de essentie is van psychotherapie in bovenbedoelde zin, nl. het systematisch hanteren van een relatie c.q. relaties (volgens de definitie van W.K. van Dijk). Met opzet formuleer ik mijn bezwaren nogal uitvoerig. De lezerskring voor dit boek is potentieel nogal breed. Ik zou het, ondanks alle goede (en bijbelse) woorden die aan het pastoraat worden gewijd, jammer vinden als dit boek met name gelezen zou worden om de laatste zestig bladzijden, welke m.i. het zwakste gedeelte daarvan vormen. Ouweneel onderbouwt zijn betoog, ook is hij zorgvuldig genoeg om de werkterreinen van pastor, psychotherapeut en maatschappelijk werker van elkaar te onderscheiden, toch blijft - en dat lijkt me voor aanstaande pscyhologen, psychiaters en maatschappelijk werkers van grote betekenis - de indruk hangen dat psychotherapeutische scholing eigenlijk niet nodig is en dat je met enige psychologische kennis gewapend (bijv. Ouweneels boek) al een heel eind komt. Als mensen aan deze suggestie gehoor zouden geven, zou ik dit toch een ongelukkig neveneffect vinden van dit overigens in tal van opzichten stimulerende boek. Ik heb de indruk - maar kan dit hier niet voldoende uitwerken - dat er binnen de gevestigde psychotherapeutische kaders wel ruimte is om ais christen-therapeut te fungeren. Bovendien laten de meeste methoden een bespreken van religieuze vragen en conflicten toe, zij het dat dit in de regel niet zal uitlopen op een vorm van evangelisatie. Persoonlijk meen ik dat de processen die zich in een langer durende psychotherapie voordoen zo intens en zo specifiek zijn, dat evangelisatie alleen maar grote verwarring teweeg zou brengen en geen genezing. Het is dus de specificiteit van de interacties tussen therapeut en cliënt die een professionaliteit rechtvaardigt, welke zich in beperkte mate en selectief op bepaalde categorieën patiënten richt en evangelisatie opschort c.q. aan anderen overlaat. Het boek als geheel overziend meen ik dat de auteur niettegenstaande alle kritiek die men op zijn arbeid kan hebben een boek heeft geschreven waar niemand om heen kan, die zich ambtshalve of uit interesse bezig houdt met christelijke bezinning op de voorvragen van de psychologie en hulpverlening. De auteur heeft een standpunt en of men het met dit standpunt eens is of niet, hij werkt het zo consistent en op zo'n niveau uit, dat men gedwongen wordt tot nadere bezinning. De discussie kan voorlopig weer voort. Eerlijk gezegd zie ik het boek ook het liefst in die hoedanigheid, als discussiestuk, en niet bijv. als richtlijn voor christelijke hulpverlening. Deze waardering neemt niet weg dat ik tenslotte nog een tweetal punten van kritiek van meer algemene aard wil aansnijden. Deze betreffen (1) de pretentie van dit boek, nl. proeve van een christelijke psychologie te zijn en (2) de plaats en betekenis van het hart in de empirische discussie.

3. Proeve van een christelijke psychologie?

We vroegen ons reeds af of wat Ouweneel onder de vlag psychologie presenteert, niet beter kan worden getypeerd als een christelijk-wijsgerige doordenking en herordening c.q. herinterpretatie van de gangbare psychologie. Als Ouweneel van deze laatste stelt dat zij het karakter heeft van een empirische antropologie, dringt zich de vraag op of ditzelfde niet gezegd kan worden van zijn eigen boek. Dat dit een meer dan terminologische kwestie is, kan ik misschien het beste duidelijk maken door de vraag nog iets uit te werken, en wel in twee richtingen. In de eerste plaats naar de kant van Ouweneel: gegeven het feit dat hij een wijsgérige structuurleer laat fungeren als het geraamte van zijn christelijke psychologie, kan men zich afvragen a) of de wijsgerige termen hun specifiek wijsgerige betekenis niet allengs zullen verliezen en een te psychologische invulling gaan krijgen; en b) of aldus nog recht kan worden gedaan aan het legitieme element in het reductionisme dat vakwetenschappelijke theorieën in het algemeen en bijgevolg ook psychologische theorieën kenmerkt. In de tweede plaats is er ook een vraag naar de zijde van de academische psychologie en Ouweneels kijk daarop, nl. c) of aan deze psychologie niet ten onrechte een antropologische en daarmee (als mensvisie) normatieve strekking wordt toegeschreven. Is dat niet te veel eer voor een terrein van wetenschap dat zo heterogeen is en dat zoveel los van elkaar staande reductionistische kijkjes op de mens een plaats geeft? En d) wordt dan bovendien niet te veel voorbijgegaan aan het feit dat in tegenstelling tot de wijsgerige antropologie, welke gericht is op het totaal c.q. de vervlechting van de structuren tot één geheel, het vakwetenschappelijk onderzoek zich richt op het detail en daardoor per definitie een isolerend en abstraherend karakter heeft? Ouweneel zegt een psychologie te bieden, welke in feite een empirisch aangeklede antropologie blijkt te zijn, en wel als alternatief voor een psychologie die zijns inziens antropologische trekken heeft, welke laatste evenwel mijns inziens juist gekritiseerd dienen te worden. Onbedoeld wekt Ouweneel de suggestie dat mensen als Skinner, Freud, Rogers en Wilson afgedacht van de onjuiste inhoud van hun visies het volste recht hebben hun deelinzichten in de mens te verheffen tot mensvisie! Ik denk dat Ouweneel zich veel minder genoodzaakt had gevoeld om met een eigen alternatief voor de dag te komen, als hij de vermeende antropologische status van de psychologie had gekritiseerd. Bovendien had hij zijn eigen werk dan niet opgezadeld met de bewijslast die nu eenmaal eigen is aan een empirische beoefening van de vakwetenschap (intersubjectieve toetsing en controleerbaarheid), want dan had hij zijn werk kunnen laten zijn wat het nu veelszins al is: een antropologische kritiek op de grensoverschrijdingen van de academische psychologie. Hoezeer ook op elkaar aangewezen, wijsbegeerte en vakwetenschap blijven twee verschillende disciplines. Ouweneel neigt ertoe beide in elkaar te doen overlopen. De praktijk wijst uit dat er ook bij hem dan óf kortsluitingen ontstaan óf dat de zaken onverbonden naast elkaar blijven staan. Zo wil hij in een christelijke persoonlijkheidstheorie voluit het bijbelse persoonzijn thematiseren. Teder mens is door het verschillend hart een unieke persoonlijkheid' (p.62), echter van de (christelijke) persoonlijkheidstheorie zegt Ouweneel dat zij 'een echte 'theorie' is, d.i. een afstandelijke, abstraherende, onderscheidende, analyserende beschouwing . ..' (p.27). M.i.verdraagt abstractie zich niet met een in beeld krijgen van het unieke van de mens. In tweede instantie onderscheidt de auteur dan het temperament, d.w.z. de constitutionele bio-psychische aanleg, van het karakter, d.w.z. het totaal van gedragseigenschappen in (o.a.) hun bepaaldheid door het hart (p.165). Zijn temperamentenleer blijkt een weergave van de (nogal reductionistische) opvattingen van Eysinck. Ouweneel zegt dan direct hierop dat binnen de 'wijde constitutionele grenzen van (iemands) temperament' er voldoende speelruimte is om toch te spreken van een 'heel nieuw karakter' door het geloof en de wedergeboorte in Christus. Deze tweedeling weerspiegelt zich ook bij de bespreking van de mentale pathologie, waar enkele bekende persoonlijkheidsstoornissen worden genoemd onder het hoofdstukje constitutionele pathologische toestanden (Ouweneel neigt er dan m.i. toe te veel als constitutioneel aan te merken), terwijl anderzijds ook 'stoornissen in het hart' worden onderscheiden (pp.303,304). M.i. is er van kortsluiting sprake wanneer de auteur het persoon-zijn ter sprake wil brengen in een ook door hem als abstract gekwalificeerde persoonlijkheidstheorie, terwijl van onverbondenheid sprake is waar hij de verhouding tussen temperament en karakter verwoordt met termen als 'speelruimte' (vgl. p.303, waar deze term ook gebruikt wordt). Terzijde merk ik op dat hieruit ook de voorzichtige conclusie kan worden getrokken dat het netto resultaat van Ouweneels intenties toch ook weer niet zó verschilt van dat van de door hem gewraakte 'integrationisten'.

4. Het hart en empirisch onderzoek

Wat betreft de plaats en betekenis van het hart in de empirische discussie kan om te beginnen gewezen worden op de paradox, dat Ouweneel stelt dat het hart als het religieuze centrum van de persoonlijkheid zich niet leent voor empirisch-wetenschappelijk onderzoek (o.a. p.61), terwijl hij er in zijn boek, dat toch van wetenschappelijke aard is, vele bladzijden aan wijdt. Nu zegt de auteur op een gegeven moment uitdrukkelijk dat een christelijke psychologie ook boven het empirisch gegevene zal uitgaan, zij heet ergens zelfs 'transcendente' (of 'transcendentale', d.i. 'op het hart gerichte') 'psychologie' (p.135). Ouweneel bedoelt dat er menselijk gedrag is dat niet te begrijpen is als men het hart er buiten laat, terwijl toch tegelijk dit hart niet toegankelijk is voor empirisch onderzoek. Kennis van het hart verkrijgt men slechts van hart tot hart (p.61). M.i. impliceert dit dat de christelijke persoonlijkheidstheorie die het hart niet buiten haakjes wil plaatsen, zal bestaan uit een theoretisch en een niet-theoretisch deel. Zoals we al zagen maakt Ouweneel dit onderscheid niet. Sterker nog, telkens weer neigt hij er toe de werking van het hart ook op voor empirisch onderzoek in principe toegankelijke terreinen te traceren. Eensdeels leidt dit dan tot een onduidelijke vorm van nevenschikking, bijv. wanneer Ouweneel de 'motivatiepsychologie' bespreekt en naast andere, duidelijk wel voor empirisch onderzoek vatbare vormen van motivatie de spiritueel gekwalificeerde motivatie onderscheidt, welke laatste uiteindelijk onder leiding staat van het hart. De nevenschikking in de systematiek suggereert dat het om gelijkwaardige factoren gaat (p.56,146,198; vgl. ook p.343), terwijl toch zoals elders blijkt dat niet de bedoeling is van de schrijver. Door formuleringen als 'het hart, dat leiding geeft' te bezigen en door deze vervolgens in verband te brengen met motivationele processen zoals deze in de academische psychologie bestudeerd worden, wordt op zijn minst gesuggereerd dat het toch ook wel weer meevalt met het niet empirisch lokaliseerbare karakter van het hart. Anderdeels spreekt Ouweneel (ogenschijnlijk?) dwars door alle indelingen heen zeer inhoudelijk over het hart wanneer hij het bijbelse spreken aanhaalt (overigens behartigenswaardige passages) en als hij het heeft over zelfbesef, liefde en religieuze ervaring (pp.259, 261-280). M.i. speelt in dit alles niet alleen een onduidelijkheid over wat Ouweneel onder 'theorie' verstaat; ook zijn positie t.o.v. Dooyeweerd lijkt in dit opzicht onvoldoende uitgekristalliseerd (pp.45,64). Het was immers Dooyeweerd die er sterk de nadruk op legde dat het hart zich aan iedere theoretische bezinning onttrekt. Dooyeweerd gaf daarmee echter geen vrijbrief om voluit het bijbelse spreken in zijn hartsconcept te mengen, integendeel zijn opvattingen ter zake bleven een sterk abstracte en wijsgerig-systematische betekenis houden. Ouweneel volgt tot op zekere hoogte Dooyeweerd, nl. in het beklemtonen van het theoretisch niet te fixeren karakter van het hart. Maar de overige wijsgerige connotaties bij Dooyeweerd laat hij voor wat zij zijn, om vervolgens brede plaats in te ruimen voor het bijbelse spreken. Echter op bepaalde plaatsen, bij de bespreking van de actstructuur, het lichaam-ziel dualisme en het 'ik' (resp. pp.54,72-75 en 198), ziet hij zich toch genoodzaakt tot een meer theoretische verantwoording. Merkwaardig genoeg neigt hij dan juist tot een reïficatie van de wijsgerige betekenis van termen als hart, act en ik, d.w.z. genoemde termen lijken dan verzelfstandigd te worden en te veel op het empirische vlak te worden geprojecteerd. Zo toont Ouweneel voorkeur voor een interactie-theorie tussen ik (geest) en lichaam, zij het dat hij zich verzet tegen de substantialistische interpretatie van deze opvatting. Er is niet een geestessubstantie die inwerkt op een materiële substantie. Wat is er wel? Misschien wel een nog onbegrepen en onontdekte interactie van verschillende typen van energie ((!) p.76), met een 'ik' dat als krachtveld dit systeem reguleert. Ouweneel staat met deze suggestie op de rand van een nieuw monisme. In elk geval krijgt het 'ik' hier een zekere belichaming zodat het als term in een relatie kan optreden. Dit weerspiegelt zich vervolgens ook wanneer Ouweneel een bepaalde tijdsvolgorde postuleert tussen act en actie, wilsbeslissing (ik) en daad. Deze veronderstelling wordt tenslotte ook nog in verband gebracht met neurofysiologisch onderzoek, dat uitwees dat over de hersenschors als geheel eerst een 'readiness'-potentiaal wordt opgebouwd, die zich vervolgens op het allerlaatste moment in een bepaald gebiedje concentreert (bijv. dat voor de grijpbeweging met de hand) om dan te leiden tot de geïntendeerde actie (grijpen). Ouweneel suggereert dus dat de tijdssequentie tussen wilsintentie en wilsdaad zich rechtstreeks weerspiegelt in het biotisch substraat. M.i. is deze suggestie uiterst problematisch. Ouweneels taalgebruik is vatbaar voor de kritiek door G. Ryle uitgebracht op de 'ghost-in-the-machine' theorie (hij heeft het bijv. over het ik als 'stuurman', p.72, vgl. p.199). Het onderscheid tussen act en actie, tussen intentie en daad, heeft een primair wijsgerige achtergrond en is bijgevolg van logische aard. Dit onderscheid slaat (ook bij Dooyeweerd) niet op een reële en aanwijsbare sequentie van in de tijd zich afspelende processen. Ik ben bovendien van mening dat de psychofysische interactietheorie van Popper & Eccles (in'The selfand its brain'), waarvoor Ouweneel nogal geporteerd lijkt te zijn, vanwege de aan deze theorie inherente problematiek rond vrijheid en determinisme en rond de notie 'causaliteit' moeilijk verenigbaar is met de opvattingen van Dooyeweerd op dit punt. Met deze opmerkingen wil ik uiteraard niets afdoen aan de waarde van neurofysiologisch onderzoek m.b.t. de bestudering van het menselijk handelen. Slechts wil ik waarschuwen voor te haastige extrapolaties naar het terrein van de wijsgerige antropologie.

5. Conclusie

Ik zie, samenvattend, dit boek niet als 'handboek' voor een 'christelijke psychologie' of voor een 'christelijke hulpverleningswetenschap'. Daarvoor roepen m.n. het eerste en het laatste hoofdstuk te veel vragen op. Ik ben mij er ook van bewust hier en daar bepaald geen malse kritiek op dit boek te hebben geleverd. Laat het een aanwijzing zijn dat ik het in ieder geval serieus heb genomen. Sterker nog: laat het uitdrukking zijn van mijn wens dat dit boek ook door anderen serieus genomen wordt. Het laatste dat dit boek zou mogen overkomen is dat het doodgezwegen wordt. Protestantschristelijke, principiële bezinning op de grondvragen van psychologie (en psychiatrie) is er in deze omvang en met zo'n diepgang en systematiek welbeschouwd na Bavinck en Waterink niet meer geweest in het Nederlandse taalgebied. Ik kan deze studie dan ook aanbevelen aan ieder die overtuigd is of zich wil laten overtuigen van het belang van een dergelijke principiële bezinning.


Drs. G. Glas (geboren in 1954) is als arts-assistent psychiatrie verbonden aan het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam. Adres: Rijksstraatweg 13, 1396 JC Baambrugge.

Noot:
* Bespreking van W. J. Ouweneel, Psychologie: een christelijke kijk op het mentale leven (Uitgebreide, meer wetenschappelijke pendant van het boek Hart en ziel). Buijten & Schipperheijn, Amsterdam, 1984; 376 pp.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.