+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

42.

Met klaarheid heeft de Pelgrim gesproken vanuit zijn genadestaat, want uit kracht daarvan reist hij naar de stad, die fundamenten heeft. Hij heeft gesproken vanuit de oefeningen en beproevingen van het geloof tot wasdom van het geestelijk leven in heiligmaking en heerlijkmaking.

Dat het verderf der zonde hem nog aankleeft, heeft zijn oorzaak niet in de Heere en ook niet in het werk van Zijn genade, want dat haat de zonde, maar in zijn afkomst vanuit de stad Verderf.

In al deze gesprekken sprak de Pelgrim tot eer van zijn Koning. Het is ten voile recht en redelijk de dienst van zonde en satan vaarwel te zeggen en met beslistheid des harten het aangezicht naar Sion te keren. Wederrechtelijk heeft satan ons van de Heere afgetrokken. Daarin was hij geheel bedriegelijk werkzaam en zo handelt hij nog. Maar gelukkig, de Pelgrim doorzag het en wederstond hem. Maar nu, Apollyon barstte nu in hevige woede los en sprak: „Ik ben een vijand van deze Vorst; ik haat Zijn Persoon, Zijn wetten en Zijn volk; Ik ben opzettelijk gekomen om u tegen te staan op deze weg”.

Er is in de duisternis van de hel om hem overleg gepleegd en uit kracht daarvan staat de vorst der duisternis nu met een bijzondere opdracht tegenover dit kind des lichts. En dat zou niet plaats gevonden hebben zo deze reiziger naar Sion maar slordig geweest was in zijn levenswandel. Hij wordt tegengestaan daar hij godzalig wil leven in Christus Jezus. Maar in het aankleven van de Heere leeft hij met de Heere en vandaar zijn grote vrijmoedigheid in het spreken: „Zie toe Apollyon, wat gij doet! Ik bevind mij op de Koninklijke weg, de weg der heiligmaking. Weet wel wat gij doet en neem u in acht!”

Van een luisteren naar of overgave aan de vijand is hier geen sprake. De heldenmoed van het geloof wordt in het hart van de Pelgrim gevonden, daar het bij hem eenvertrouwen is op de Heere. U kunt er zeker van zijn dat hij deze strijd strijdt met een biddend hart. Maar desniettemin staat hij hier in elke handeling voor de grote verantwoordelijkheid zijn strijd te strijden tot den bloede toe. En dat heeft hij aanvaard. Hij wil in elk geval liever sterven dan zich overgeven aan de vijand om levensbehoud. Wie goed en bloed niet over heeft voor de naam en zaak des Heeren deinst terug voor hetgeen nu gaat gebeuren.

Daarop breidde Apollyon zijn vlerken uit over de gehele breedte van de weg, en zei: „Ik koester hoegenaamd geen vrees in deze zaak. Bereid u voor om te sterven, want ik zweer bij de afgrond der hel, dat gij geen stap verder zult gaan! Ik wil uw ziel verderven”. Terwijl hij zo sprak, wierp hij een vurige pijl naar de borst van de Pelgrim, maar deze had zijn schild in de hand, waarmee hij hem opving en zo het gevaar afwendde.

O, wat een zegen is hem geschonken, toen het schild hem ter hand gesteld werd en dat hij geloofskracht en kennis had om het doeltreffend te hanteren.

Nu trok de Pelgrim zijn zwaard, want hij zag, dat het tijd was zich uit alle macht te verdedigen. Maar Apollyon wilde hem daartoe de tijd niet laten. Hij wierp een hageljacht van pijlen op de Pelgrim en hoe deze ook trachtte zich te verdedigen, hij werd verwond aan het hoofd, aan handen en voeten. Daardoor werd de Pelgrim enigszins aan het wijken gebracht, doch toen Apollyon hiervan voordeel wilde trekken, spandede Pelgrim zich opnieuw in en bood uit alle macht weerstand. Dit hield zo meer dan een halve dag aan, totdat de Pelgrim bijna al zijn kracht had uitgeput, want door bloedverlies wegens al de hem toegebrachte wonden, was hij zwakker en zwakker geworden.

Het is geen geringe zaak als uw ziel verwond wordt met een hageljacht van Gode onterende woorden en lasteringen, tot bloedens toe verwond te zijn daar uw ziel de Heere aankleeft en liefheeft. Uw hart bloedt daarover als uit duizend wonden. En toch is met dat alles de strijd nog niet beëindigd.

Zodra Apollyon de gelegenheid gunstig zag, drong hij met geweld op hem aan en er ontstond zulk een worsteling, dat de Pelgrim op de grond viel, terwijl het zwaard hem uit de hand vloog. Apollyon riep hem toe: ”Nu heb ik u in mijn macht!” En met deze woorden drukte hij hem zo tegen de grond, dat de Pelgrim aan het behoud van zijn leven begon te wanhopen. Maar God had het anders besloten en toen Apollyon de beslissende slag wilde toebrengen en de Pelgrim doden, gelukte het deze een hand los te wringen en zijn zwaard te grijpen. Met de woorden: „Verblijd u niet over mij, mijn vijand; wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan”, bracht hij hem zulk een dodelijke wonde toe, dat hij terugdeinsde, alsof zijn laatste uur geslagen was. Toen de Pelgrim dit bemerkte, viel hij hem opnieuw aan, zeggende: „Ja, in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, Die ons heeft liefgehad”.

Hier sprak de Pelgrim niet van zijn opstaan in het vertrouwen op zijn kracht, maar op de kracht van de opgestane Heiland. Het betekent in de grond der zaak, in de opstanding van Christus ben ik weder opgestaan, kon ik niet ondergaan. En daarop doelt ook Micha 7:8. In de opstanding van Christus is de overwinning van het strijdende volk, het triomferen over de vorst der duisternis. Met dat zwaard wordt hij tot op de dag van heden, als hij denkt het gewonnen te hebben, dodelijk verwond door het volk, dat dapper heeft leren strijden voor de naam en zaak des Heeren. Wat een keerpunt in de strijd door zijn vertrouwen op de opstanding van Christus. Het gaf de Pelgrim moed en kracht zijn vijand opnieuw aan te vallen, om hem op de vlucht te jagen met dit woord: „Ja, in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, Die ons heeft liefgehad”.

De overwinning van Christus is een eeuwige, een allesbeslissende overwinning. Zij overtreft alle overwinnaars, daar elke overwinning in eigen kracht slechts een tijdelijke overwinning is. In deze overwinning is geen verlies te betreuren, het hart verblijdt zich en gaat zich al strijdende steeds meer verblijden in de liefde des Heeren.

Apollyon breidde nu nog eens zijn drakenvlerken uit en spoedde zich weg, zodat de Pelgrim hem niet meer zag. En dat doet ons denken aan het woord van Jakobus 4 : 7: „Zo onderwerpt u dan Gode; wederstaat de duivel, en hij zal van u vlieden”.

Nu kan niemand, die het niet zelf gezien en gehoord heeft, zich een denkbeeld vormen van het oorverscheurend en afgrijselijk gillen en brullen, dat Apollyon deed horen, zolang de strijd aanhield. Het was een geluid, zoals alleen een draak kan voortbrengen, terwijl de Pelgrim niet anders vermocht dan zuchten en weeklagen. Er was geen zweem van hoop op zijn gezicht te bespeuren, voor hij bemerkte, dat hij Apollyon met zijn tweesnijdend zwaard gewond had. Eerst toen begon hij blijmoedig te glimlachen en hief hij vrolijk het hoofd naar boven. Het was de zwaarste strijd die ik ooit zag.

Toen de worsteling ten einde was, riep de Pelgrim uit: „Ik zal de Heere loven, Die mij uit de muil des leeuwen verlost heeft, Die mij heeft bijgestaan tegen Apollyon”.


Beëlzebul, deez’ vijands opperheer,
Op mijn verderf belust,
Zond hem wel toegerust,
Ten strijde tegen mij. Fel, keer op keer,
Viel hij mij aan; soms scheen geen hope meer,
Maar mij ter hulp verscheen vorst Michaël,
Ik zwaaide het zwaard, verdreef de vijand snel.
Nu zal die Vorst altoos mijn loflied rijzen,
Zijn heilige naam zal ik zeeg’nend, dankend prijzen.


A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.