+ Meer informatie

Naarde katechisatie

6 minuten leestijd

131

DE WET DES HEEREN. (1).

De goede werken, waartoe de Heere Zijn volk bearbeidt, zullen naar een zuivere maatstaf geschieden. Zij zijn niet op ’s mensen goeddunken gegrond, maar op zuivere kennis, wat God wil en hoe Hij wil gevreesd en gediend worden. Die maatstaf is niet het GEWETEN, want dat werkt niet zuiver meer vanwege de zonde. En de één heeft een ruimer geweten dan de andere onder de mensen. Ja, al wordt het geweten bij Gods kinderen gereinigd van dode werken, het kan toch niet als zuivere maatstaf dienen, daar hun beste werken nog met zonde bevlekt en bezoedeld zijn.

De alleen zuivere maatstaf of zuivere toetsteen is GODS WET! Zij is de uitdrukking en openbaring van Gods Wil. Wat God als „echt” ijkt, keurt, is echt, zuiver. En wat niet daaraan beantwoordt, is kwaad, zonde. Daarom is „zonde” OVERTREDING van Gods Wet. Wat zich LOSMAAKT van Gods Wet komt onder haar vloek. „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven staat in het Boek der Wet, om dat te doen.” Gal. 3 : 10.

Zo is dus de Wet des Heeren de uitdrukking en openbaring van Gods WIL.

Alle leven functioneert naar wetten. „Zijns is de zee; z’ is door Zijn kracht met al het droge voortgebracht; ’t moet alles naar Zijn wetten horen”, zo zingen we uit psalm 95.

Geldt dit al het geschapene, hoeveel te meer de mens als het pronkjuweel van Gods schepping! Maar, zo zult u vragen, Adam had toch geen wetboek, waaruit hij de uitdrukking van Gods wil kon aflezen? Neen, in die vorm niet. Gods Wet was in zijn hart INGESCHREVEN of ingeschapen. De mens droeg het BEELD GODS. En dat beeld bestond in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. Het was zijn volkomen aard en lust om God lief te hebben boven alles en zijn naaste als zichzelf.

Maar we weten het: de mens heeft het niet goed gedacht, God in erkentenis te houden. Hij heeft de gemeenschap met God verbroken. Gevolg daarvan was, dat hij dan ook het BEELD GODS verloren heeft, de ware kennis, gerechtigheid en heiligheid.

Het heeft God echter behaagd naar Zijn eeuwige verkiezende liefde en wijsheid een weg te openen tot het herstel van Zijn beeld, in de zending van Zijn Zoon, in Diens verlossingswerk, door namelijk de verwerving en TOEPASSING van het heil. Dat betrof dus ook de ware kennis, van Zijn WEZEN, van Zijn DEUGDEN en van Zijn WERKEN. Tot die ware kennis bracht de Heere Adam en Eva na hun diepe val, na hun moed- en vrijwillige ongehoorzaamheid ten opzichte van Zijn wil en wet.

Daarom was het noodzakelijk, dat God Zijn BIJZONDERE openbaring gaf, Zijn heilsopenbaring in Christus. Deze vinden we in de z.g.n. „moederbelofte”: „Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw”. Deze belofte wordt „moeder”belofte genoemd, omdat al de verdere beloften aangaande het heil in Christus in het Oude Testament nadere uitwerking zijn van die eerste Belofte.

Maar hoe stond het nu met Gods WET na de val?

Ook die heeft God opnieuw geopenbaard. Neen, niet direct in de vorm zoals God die gaf op Sinaï, in de tien geboden. Toch maakte God Zijn wil bekend aan de Vaderen vóór Mozes’ tijd. Deze openbaring werd mondeling overgebracht van de vaderen aan de kinderen, zoals we in het begin van onze katechisatie-lessen hebben besproken. De ware vromen van die tijd verkregen een zuivere kennis van hetgeen naar Gods wil is. We lezen, dat Abraham zijn kinderen en zijn huize bevelen moest geven, opdat zij de weg des Heeren zouden houden om te doen gerechtigheid en gericht. Gen. 18 : 19.

Toen de Heere Israël uit Egypte had uitgeleid heeft Hij Abraham’s zaad tot een afgezonderd volk gesteld om onder dit volk te wonen. Daartoe gaf de Heere Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten, dat het daarin zou wandelen en dat het dus niet zou zijn en doen als de heidenen, die naar het goeddunken van hun eigen hart leefden, ofschoon zij krachtens de ingeschapen wet verantwoordelijk bleven naar Rom. 2 : 14 en 15. Om Israël nu te leren, hòè het naar Gods wil in Zijn wegen en inzettingen zou wandelen, heeft de Heere op Sinaï Zijn wetten gegeven. Het was de ZEDEWET, de tien geboden, de CEREMONIëLE wetten en de BURGERLIJKE wetten. De ceremoniële wetten bedoelden heel het godsdienstige leven van Israël te regelen, alles wat de TABERNAKELDIENST omvatte; priesterdiensten, de offers, de reinigingen enz. Al de ceremoniële diensten en de voorwerpen van dé tabernakel waren AFSCHADUWINGEN van Christus en van Zijn werk.

De BURGERLIJKE wetten waren de z.g.n. politie-wetten, welke het maatschappelijke leven van Israël regelden.

Deze beide soort wetten, die ceremoniële en burgerlijke wetten moest Israël onderhouden. Aangezien het alleen SCHADUWACHTIGE wetten waren en door Christus vervuld zijn, golden die alleen voor Israël, voor óns niet meer.

Maar waarom zijn deze wetten dan toch voor ons in het Oude Testament bewaard gebleven, daar zij toch geen normatieve waarde voor ons hebben? Wel, omdat zij voor ons HISTORISCHE waarde zouden blijven hebben. En dit is van grote betekenis en van groot belang voor de Nieuw Testamentische Kerk. Niet alleen ten opzichte van al hetgeen is vervuld door Christus, maar ook om in al die schaduwen te zien de rijkdom van Christus en van Zijn Middelaarswerk!

Velen achten het Oude Testament als afgedaan. Zij houden het alleen bij het Nieuwe Testament. Dat komt, omdat men blind is voor die rijkdom van Christus en van Zijn Middelaarswerk, dat in het Oude Testament is afgebeeld. Dat geldt ook van de psalmen. Men wil liever liederen, gezangen, want daarin gaat het ten minste over Jezus, over Hem aan te nemen enz. Ach, wat een verblinding en geestelijke armoede! Want hoe heerlijk en rijk wordt Christus al sprekende ingevoerd en is Zijn werk bezongen door Gods vromen onder het Oude Verbond. Denk maar eens aan de psalmen 2, 8, 16, 21, 22, 23, 24, 31, 38, 40, 45, 54 - 59, 68, 72, 89, 98, 110 en zovele meer.

Ook in onze kerk wordt de zucht om toch ook gezangen te zingen in de eredienst gaandeweg groter. Hoe is het mogelijk, daar de vader der afscheiding, Ds. de Cock, ook om zijn verwerping van de gezangen werd veroordeeld. En bovendien, heeft de Kerk in haar bloeitijdperk kort na de Reformatie niet vastgesteld om te blijven bij het zingen van de psalmen met slechts enkele berijmingen, zoals van de Wet des Heeren, de lofzangen van Zacharias, Maria en Simeon en enkele andere?

We zien echter, dat onze tijd weer verstreken is en we dus moeten eindigen.

Maar om nog even terug te komen op hetgeen we opmerkten over het zien van de Christus Gods en van Zijn werk, in het Oude Testament voorzegd en afgebeeld, willen we eraan toevoegen, dat het noodzakelijk is GEOPENDE ogen der ziel te ontvangen, een geopend hart, om op deze zaken acht te nemen, die te verstaan en in te leven, voor ’t eerst of bij vernieuwing. Smeken we om die genade, om de werking van Gods Geest.

„Geef mij verstand, met Godd’lijk licht bestraald, Dan zal mijn oog op Uwe wetten staren.”

„Want d’ oop’ning van Uw woorden zal gewis, Gelijk een ücht, het donker op doen klaren;

Zij geeft verstand aan slechten, wien ’t gemis van zulk een glans een eeuw’ge nacht zou baren.”

Urk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.