+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

6 minuten leestijd

41

Wij mogen luisteren naar de verbondsonderhandelingen van de Heere met Mensziel en van Mensziel met de Heere, tot verbinding aan elkander. Steeds inniger komt de Heere Zich aan de stad en de stad aan de Heere te verbinden.

Al biddende heeft Mensziel zich aan de Heere verbonden in afhankelijkheid van Zijn genade. En dat mag hier nog meer diepgang bekomen. Het komt in alles aan op die innerlijke verbondenheid aan de Heere om zo liefelijk op Hem te leunen en te steunen.

Daarop antwoordde de Vorst: „Indien Ik in uw stad kom wilt gij dan wel toestaan dat ik daar vervolge en uitvoere tegen Mijn en uw vijanden, hetgeen Ik in Mijn hart heb? Ja, wilt gij lijden en strijden voor Mijn naam en zaak?”

Hierop hernamen zij: „Wij weten niet wat we doen zullen, eertijds konden we niet denken, dat we zulke verraders van El-Schaddai wezen zouden, gelijk wij ons daarna getoond hebben. Wat zullen we dan tot onze Heere zeggen?” Hij vertrouwe niet op Zijn heiligen. Want en wij bekennen dat met droefheid, dat we vanwege onze verdorvenheid tot alle kwaad in staat zijn.

Dat de Vorst in ons kasteel kome wonen en onze stad tot een garnizoenplaats make. Hij zette Zijn edele kapiteins en oorlogshelden over ons. Ja, Hij overwinne ons met Zijn liefde en bemachtige ons met Zijn genade. En dan zal Hij waarlijk meer met ons zijn en ons helpen dan Hij was en deed deze morgen, toen ons pardon werd voorgelezen. We zullen ons met onze Vorst en met Zijn wegen verenigen en met Zijn Woord uitvallen tegen de machtige.”

Nog één woord en dan hebben Uw knechten gedaan en we willen U niet langer moeilijk vallen. Wij kennen niet de diepten van Uw wijsheid, onze Vorst. Wie is er, die, door Zijn rede beheerst en geleid, zou kunnen denken dat uit al die bittere beproevingen waarmee wij eerst beproefd werden, zoveel zoetigheid zou voortkomen als wij nu genieten? Heere, dat nu toch Uw licht voor ons heenga en dat Uw liefde ons achtervolge. Ja, neem ons bij de hand en leid ons door Uw raad en laat deze gedachte altoos in ons hart blijven, dat alle dingen ten beste voor Uw dienaars zullen zijn. Kom Gij in ons Mensziel en doe wat Gij wilt, zodoende wilt Gij ons bewaren voor zondigen en maken dat we Uw majesteit zullen dienen.”

Hierop gaf de Vorst ten antwoord: „Ga heen in vrede naar uw huizen. Ik wil Mij gaarne in deze naar uw begeerte voegen. Ik zal Mijn koninklijke legertent opnemen, Mijn macht voor Oogpoort op morgen doen afbreken en zo uw stad recht in trekken. Ik Zelf zal Uw kasteel bezetten, Ik zal Mijn krijgslieden in u leggen; ga nog meer dingen in Mensziel doen, gelijk nooit, nooit enige natie, landschap of koninkrijk onder de hemel heeft gezien noch ervaren.”

Toen juichte de ganse stad en ging in vrede een iegelijk naar zijn huis. Zij verhaalden ook aan hun vrienden en verwanten het goede dat Immanuël aan Mensziel had toegezegd. „En morgen,” riepen ze, „zal Hij in onze stad trekken en zullen Hij en de Zijnen hun woonplaats in Mensziel neme.”

Als vanzelf kwamen de burgers tot voorbereiding voor de heerlijke dag die aanstaande was, schone bloemen te plukken op het heerlijke veld van Zijn beloften om de Koning met de geur van Zijn bloemen in de vervulling van Zijn beloften te begroeten. Want het was toch al uit Hem en door Hem en zo wensten de burgers met al het goede in Hem te eindigen. Daar werd geen wanklank gehoord, niet de minste tegenstand ontdekt.

Op de gestelde tijd nu werden de poorten open gezet, de oudsten en aanzienlijken van Mensziel gingen Hem allen tegemoet om Hem met al de liefde van hun hart te begroeten. Hij brak dan op en al Zijn dienaars in Mensziel binnentrekkend. Hij Zelf in gouden wapenen en rijdend in Zijn koninklijke koets. De bezuinen bliezen rondom Hem, terwijl de vaandels ontrold in de wind staken en Zijn tienduizenden Zijn voetstappen nawandelden, terwijl de oudsten van de stad al huppelende voor Hem heengingen tot ze aan de poorten van het kasteel kwamen.

Ondertussen waren de muren vervuld met de treden van de inwoners, die vast op en neder gingen om zich over de intrede van de gezegende Vorst en Zijn koninklijk heir te verheugen. De galerijen, de traliën en de vensters, tot de toppen der huizen, alles was bezet met allerlei slag van mensen, allen begerig om te zien hoe hun stad met het goede vervuld zou worden. Toen Hij nu zo diep in de stad was getrokken, dat Hij tot aan het huis van de registermeester was genaderd, zo beval Hij dat iemand zou heen gaan tot kapitein Geloof om te vernemen of het kasteel van Mensziel wel in orde gebracht was om Zijn koninklijke tegenwoordigheid te ontvangen, want de reiniging en bereiding van ’t kasteel was kapitein Geloof opgedragen, en kreeg een bevestigend antwoord. En dat alles is geschied” opdat Christus door het geloof in Uw harten wone en gij in de liefde geworsteld en gegrond zijt.”

Toen werd kapitein Geloof gelast met al zijn kennis van Hem en vertrouwen in Hem, vorst Immanuël in het kasteel met een welkomstkus te begroeten. En zo heeft het geloof dat door de liefde werkt zich op een Gode welbehagelijke wijze van zijn taak gekweten.

Mijnheer Wil nam de kapiteins Oordeel en Uitvoering met al de hunnen in zijn huis omdat hij van de Vorst gesteld was om onder Hem te regeren ten goede van Mensziel. De kapiteins van Immanuëls macht waren door de ganse stad ingekwartierd. Maar kapitein Geloof en de zijnen bleven in het kasteel.

Zie, de Heere heeft grote dingen gedaan. Hij heeft de wonderen van Zijn genade heerlijk gemaakt in Mensziel. Een beleving die alle beschouwing te boven gaat.

De prins Immanuël was nu zowel om Zijn persoon en daden, als om Zijn ganse gedrag de oudste en aanzienlijkste in Mensziel zo aangenaam, zo verrukkend, zo begeerlijk, dat ze dachten nooit genoeg van Hem te zullen hebben. Dus baden zij Hem, schoon het kasteel van Mensziel Zijn verblijfplaats was, en ze wensten dat Hij daar voor eeuwig zou blijven wonen. Dat het Hem toch believen mocht, hun straten, hun huizen en het volk van Mensziel dikwijls te bezoeken. „Want,” zeiden ze, „Uw tegenwoordigheid, Uw gezicht, Uw woorden, o geduchte Souverein, zijn het leven, de sterkte en de zenuwen van de stad door U verkoren. Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israëls. Op U hebben onze vaders vertrouwd, zij hebben vertrouwd en Gij hebt hen geholpen. Tot u hebben zij geroepen en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd en zijn niet beschaamd geworden.”

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.