+ Meer informatie

„Men heeft, ergens, mijn vrouw geslacht”

9 minuten leestijd

Vijf gedichten op één dag. Voor Jacob Presser (geboren in 1899) was 22 april 1943 „een zieke dag zoals ik er maar zelden heb gekend. De latere Amsterdamse hoogleraar geschiedenis is vooral bekend als schrijver van het lijvige boek Ondergang. Wat minder mensen weten, is dat Presser gedichten schreef. Bijna tweehonderd van die gedichten gaan over de wegvoering van zijn vrouw Debora Appel.

Op 18 maart 1943 werd Debora gearresteerd, toen zij haar jarige moeder wilde bezoeken. Zonder Jodenster en met een primitief vervalst persoonsbewijs werd zij bij een treincontrole aangehouden. Een ontsnappingspoging op het station mislukte en had tot gevolg dat zij als strafgeval naar Westerbork op transport werd gesteld.

Voor Presser was de arrestatie meer dan een nachtmerrie: de historicus was tot over z’n oren verliefd op zijn vrouw en doodsbang dat zijn ”oogappel” iets zou overkomen. Die liefde en zorg waren overigens wederzijds. Niet voor niets had het stel in mei 1940 geprobeerd zichzelf van het leven te beroven: liever samen sterven, dan leven zonder de ander.

Pressers bezorgdheid over het lot van zijn geliefde uitte zich in een poëtische onrust. Vier dagen na de verdwijning van Dé, zoals hij zijn vrouw liefkozend noemde, schreef hij zijn eerste gedicht over haar. Een paar maanden later, toen Presser was ondergedoken op de Veluwe, verscheen een bundeltje met 35 gedichten, illegaal gedrukt in Barneveld. De „gek die leeft en verzen schrijft” zou drie jaar lang blijven dichten en in totaal 195 gedichten op papier zetten.

Voor Presser waren de gedichten een uitlaatklep:

Kon ik de woorden maar doen open-bersten,

De taal versplinteren, waar ik verwoed

Maar noodgedwongen het gevoel in perste

Dat zich niet uiten kan, maar uiten moet.

Een klein deel van deze gedichten –56 in totaal– werd uitgegeven in de bundel ”Orpheus en Ahasverus”, die vier keer werd gedrukt en herdrukt. Opmerkelijk is dat Presser zijn dichtbundel ”een dagboek in gedichten” noemt. De gedichten zijn dan ook allemaal gedateerd.

Presser beschrijft zichzelf in de gedichten afwisselend als Orpheus en Ahasverus. Orpheus daalde, volgens de Griekse mythologie, af in de onderwereld om zijn geliefde Eurydice terug te vragen. Ahasverus was de naam van de ”wandelende Jood”, die volgens een Duits volksverhaal zou hebben geweigerd Jezus op weg naar Golgotha in zijn huis te laten rusten en daarom werd veroordeeld tot een rusteloos zwerven.

Binnen een paar dagen na Dé’s arrestatie schreef Presser vijf gedichten. In het eerste gedicht, geschreven op 22 maart 1943, gaat hij er niet zonder meer vanuit dat zijn geliefde ongeschonden terugkeert:

Wie weet, hoe ver, in leed en pijn,

Wij zullen hebben rondgezworven,

Voordat wij weer tezamen zijn.

Het tweede gedicht heeft een ander karakter en maakt duidelijk wat Pressers verwachting is bij dat leed en die pijn:

Een lentemorgen trad je uit ons huis,

In een dun bloesje, zonnig en tevreden

En geen van beiden hoorde ’t zacht geruisch

Of zag de vale schaduw neergegleden

Van ’t noodlot wiekend boven ’t jonge hoofd,

Dat glimlachend zich nog eens naar me wendde…

Ik heb een ganschen nacht en dag geloofd,

Dat ik die vlotte, lichte tred herkende

En toen niet meer. Toen kwam het formulier

Met naam en stempel, nummer van barak,

Verzoek om warme kleeren.

Ach, toen brak Mijn hart natuurlijk niet. Mijn oogen zagen

Jou ergens ver, aan een rivier

Van Babylon de slavenketen dragen.

Presser wist toen niet van de aankomende dood van Dé. Zijn ogen zagen haar ”ergens” een ”slavenketen” dragen. Kennelijk dacht hij dat ze ergens dwangarbeid zou moeten verrichten. De werkelijkheid was anders: op 26 maart 1943 zou Debora aankomen in Sobibor. Volgens de kroniekschrijver Loe de Jong is ze waarschijnlijk diezelfde dag „na aankomst in een primitieve gaskamer met meer dan twaalfhonderd lotgenoten om het leven gebracht.”

Presser bleef hopen en vrezen. In het voorwoord van ”De nacht der Girondijnen”, het Boekenweekgeschenk dat Presser later schreef, beschreef zijn collega Herzberg die spanning: „Wat is Polen? Men weet het niet. Men weet alleen dat er iets afgrijselijks dreigt. Men gelooft niet aan de dood. Ook zij, die de gaskamers zijn ingegaan, hebben daar niet aan geloofd. Waarom niet? Omdat men overmeesterd is door angst. Men dringt de gedachte weg. Maar hoe meer men dat doet, hoe meer men die angst voelt groeien.”

In zijn eigen beeldspraak zwierf Presser tussen hel en hemel, maar hij sloot de mogelijkheid van het weerzien niet uit. Ook al werd zijn toon somberder naarmate de tijd verstreek, zeker weten deed hij niets. Daarom bleef hij hopen en schreef hij op 28 april 1943:

Thans strijd je alleen de schrikkelijke strijd

Tegen vuil, honger, ziekte, die je worgen,

Die ieder moeten worgen mettertijd.

Ook op 14 juli van dat jaar leek hij rekening te houden met de dood van Debora; níet door moord, maar door het zware leven:

Ik voel haar sterven in ’t verre land,

Ik voel de krachten haar begeven,

Verwelkend als een tere plant.

Wij zullen elkaar niet wedervinden.

Ondanks die sombere conclusie ‘leeft’ Dé nog in het gedicht dat Presser op 9 mei 1944 dichtte:

Dat zij èn hier èn ginder leeft.

Ginds in een kamp, als een slavin.

In vuil, in honger en eczeem.

De vele „pieken en dalen” in de gedichten laten Pressers hoop en wanhoop op een indringende manier zien. Op 16 juni 1944 vermoedde Presser dat zij is gestorven, „vermorzeld en verrot.” Op 27 juni was het „misschien, misschien.” Twee dagen later, op 29 juni, was ze „gestorven, zonder rouw” en ook anderhalve week later doemde op 10 juli het „massagraf” op. En toch: op 18 augustus vroeg hij zich af hoe zijn „de weg naar huis [moet] hervinden” in haar slechte conditie.

Die hoop –of misschien beter: die aanvankelijke verwachting– op een weerzien is een ander terugkerend thema. Op 3 april 1943 dichtte hij: „Misschien komt zij toch nog terug, misschien. Misschien zal ik haar wederzien.” En vijf dagen later, op 8 april: „Misschien zie ik je weer.” Een maand later op 1 mei: „Hoe zal het weerzien zijn?”

De eerste keer dat Presser expliciet de mogelijkheid opperde dat Debora al gestorven is, was op 16 april 1943: „Geen levend wezen ontsteeg ooit massagraf.” Wist Presser van de moordpartijen zoals die in Babi Jar, waar op 29 en 30 september 1941 bijna 34.000 Joden uit Kiev werden neergeschoten? Het lijkt niet waarschijnlijk, want het duurt zo’n tien maanden voor de mogelijkheid dat Debora is gedood opnieuw ter sprake komt. Op 15 januari 1944 schreef Presser –in een gedicht dat hijzelf een van de mooiste vond, die hij ooit had geschreven– over zijn „thans gestorven ik” dat een „andere dode zacht begroet.”

Daarna volgden de gedichten waarin leven en dood elkaar afwisselen, tot Presser op 2 mei 1945 de dood leek te hebben geaccepteerd:

Men heeft, ergens, mijn vrouw geslacht.

Ik weet niet waar; nooit zal ’k het weten.

Men heeft, denk ik, ook haar verkracht,

Vertrapt en in de kalk gesmeten.

Zij was verzoend met elke dood

En toch, ze hield zoveel van ’t leven.

Rijk was haar ziel, haar liefde groot.

God moge haar moordenaars vergeven.

Van de 56 gedichten in de bundel ”Orpheus en Ahasverus” zijn er 24 die nadrukkelijk ingaan op de vraag wat Debora is overkomen. Twee gedichten suggereren dat zij een gruwelijks „slavenleven” leidt. Drie gedichten lijken uit te gaan van de gedachte dat erbarmelijke levensomstandigheden zullen leiden tot de dood. Nog eens drie gedichten hinken op twee gedachten –leven of dood, dood of leven– en hebben de onzekerheid als thema. In zeven andere gedichten lijkt Presser te berusten in de zekerheid van de dood, maar opvallend genoeg gaan niet minder dan negen gedichten over de mogelijkheid van een weerzien.

Zelfs het laatste gedicht in de bundel, dat nota bene dateert van 13 augustus 1945, sluit die hoop-tegen-beter-weten-in niet uit:

Wat heeft men toch met jou gedaan?

Men heeft je arme lijf vernield.

Het is begraven en vergaan

Dat lijf, waarvoor ik lag geknield: […]

Misschien, o God, is ’t toch niet waar,

Misschien hoor ’k straks toch weer die zucht,

Die zucht van liefde, als toen, als toen.

’t Was toch wel waar. Niet eerder dan in 1948 ontving Presser bericht van de dood van Dé in Sobibor. Hij was toen al ingetrokken bij een jonge weduwe, die met drie jonge kinderen was achtergebleven. En ook al woonde hij dicht bij het huis waar hij zes jaar met Dé had gewoond, Presser heeft tot zijn dood op 30 april 1970 geen stap meer in de Roerstraat gezet:

Want elke stem is hier herhaling

En elke steen herinnering.

Het zonlicht zelf is als de straling

Van wie voor altijd van mij ging.

Het dagboek in gedichten van Presser onderstreept de stelling van de Leidse historicus Bart van der Boom. In april 2012 verscheen zijn boek ”Wij weten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust”, waarin Van der Boom beweert dat Nederlanders niets met zekerheid wisten over de Holocaust. „Er waren wel vermoedens en geruchten, en die waren weinig opwekkend.” Daarom deden de Nederlanders niets, aldus Van der Boom: „Niet uit onverschilligheid, lafheid of antisemitisme, maar uit onwetendheid.”

Zijn boek was een steen in de geschiedenisvijver. Het water spatte hoog op: Van der Boom heeft forse kritiek over zich heen gekregen. Vakgenoten van het NIOD verweten hem bijvoorbeeld „een onverdedigbare vorm van geschiedschrijving” te hebben beoefend en een „discutabel uitgangspunt” te hanteren.

Toch verschilt de conclusie van Van der Boom niet veel van die van Presser. In zijn standaardwerk over de Ondergang staat: „Er bestond geen wetenschap. Er bestond geen onweersprekelijk gerecht-vaardigd vermoeden.” En verderop: „Vernietiging? Dwaasheid. Méér dan dwaasheid.”

Met Presser gaven ook Abel Herzberg en Loe de Jong een ontkennend antwoord op de vraag of Nederlanders ‘het’ wisten. Pas in de jaren negentig klonken andere geluiden, toen historica Nanda van der Zee beweerde dat de Nederlandse elite het niet had willen horen.


Dood en graf in Geuzenliederen

Niet alleen de gedichten van Presser tonen de onzekerheid over het lot van de Joodse Nederlanders. Andere gedichten vertonen eenzelfde beeld. In het ”Geuzenliedboek” besteden bijvoorbeeld vijf gedichten aandacht aan het lot van de Joden, maar geen van die gedichten geeft aanleiding te denken dat de schrijvers kennis hadden van Holocaust. Dat de Duitse intentie niet veel goeds beloofde voor de Joden staat buiten kijf: de woorden ”dood” en ”graf” laten daar geen twijfel over bestaan. Dat betekent echter niet dat de dichters dachten dat Joden direct gedood zouden worden.


Vermoedens en geruchten

Ook de gedichten uit de collectie verzetsliteratuur van het NIOD laten geen onduidelijkheid bestaat over de dodelijke intentie van de deportaties. Toch lijken de meeste schrijvers te verwachten dat de Joden voorafgaand aan die dood een „slavenleven” zouden lijden. Van planmatige moord lijkt geen sprake te zijn.




Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.