+ Meer informatie

DRIE VRAGEN UIT DE VROEGE KERK Kerkvaders komen op kerkvisitatie…

8 minuten leestijd

Het zal niemand ontgaan zijn, dat de kerk in het West-Europa van onze dagen meer en meer in een minderheidspositie is geraakt. Allerwegen klinkt de roep om in die situatie in de leer te gaan bij de eerste christenen en het oor te luister te leggen bij diverse stemmen uit de Vroege Kerk.

KERKVISITATIE DOOR DRIE BROEDERS UIT DE VROEGE KERK

Het zal, vermoed ik, wel tegen die achtergrond zijn dat de redactie van Ambtelijk Contact mij vroeg een artikel te wijden aan de vraag wat wij als christenen in de minderheid vandaag kunnen leren uit de geschiedenis van de Vroege Kerk. Met de Vroege Kerk bedoelen we die periode in de kerkgeschiedenis, die - globaal gezien - duurt van Pinksteren tot ongeveer 500 na Christus. Die periode is een bijzonder boeiend tijdvak in de kerkgeschiedenis, waaruit ook voor vandaag veel te leren valt en waarin heel veel verschillende stemmen hebben geklonken.1 In dit artikel kan ik slechts een enkel punt aanstippen.

Om enkele lessen uit de Vroege Kerk op een heldere wijze door te geven, laat ik in dit artikel een drietal broeders uit de Vroege Kerk bij ons een denkbeeldige kerkvisitatie afleggen. Van harte hoop ik dat we naar hun vragen zullen luisteren en dat ze ons stof tot bezinning geven.

CYPRIANUS:

(HOE) BEZINT U ZICH OP HET ONDERWERP ‘BEKERING’?

De eerste vraag wordt gesteld door Cyprianus. Hij leefde in de derde eeuw na Christus. Omstreeks het jaar 245 kwam hij tot bekering. Enkele jaren daarna werd hij bisschop van de christelijke gemeente te Carthago (Noord-Afrika). Als bisschop heeft hij leiding gegeven aan zijn gemeente in een veelbewogen tijd. Vervolgingen vonden plaats en een ernstige pestepidemie greep om zich heen.

Als Cyprianus als kerkvisitator ter vergadering komt, neemt hij beleefd kennis van allerlei activiteiten die de gemeente organiseert. Hij hoort over buurtmiddagen, jongerenwerkers, gemeentedagen en koffieochtenden. Maar dan stelt hij zijn vraag: Bezint u zich ook op het onderwerp ‘bekering’? En wat verstaat u daar eigenlijk onder?

Cyprianus licht zijn vraag toe in een klein boekje, getiteld ‘Aan Donatus’.2 In dat boekje laat hij een denkbeeldige christen vertellen over zijn bekering. Als we dat boekje lezen, vallen veel dingen op. Ik noem drie in het oog springende punten.

a. Allereerst bevat het boekje een indringende, realistische tekening van de verdorvenheid van deze wereld en van het menselijk hart.

b. In de tweede plaats wordt daartegenover het genadekarakter en het wonder van de (eerste) bekering getekend. Het is een ‘geschenk van God’, iets dat van de kant van mensen onmogelijk is, en alleen bij God vandaan toch mogelijk is.

c. In de derde plaats wordt over de bekering op een verstaanbare, nodigende, wervende manier geschreven.

Als we kennisgenomen hebben van dit boekje van Cyprianus, scherpt dat zijn vraag nog wat aan en blijken vanuit zijn gedachtegoed deze vragen te stellen:

• Zijn we ons nog bewust van de tegenstelling tussen ‘het schema van deze wereld’ en het leven van Gods pelgrims?

• Zeeft, naast de dagelijkse bekering, ook de eerste of principiële bekering onze aandacht en zijn we werkelijk overtuigd van de noodzaak van deze bekering?

• Zpreekt we over de bekering op een Bijbelse en tegelijk nodigende manier? Met gemeenteleden én met mensen buiten de gemeente?

Overigens is Cyprianus’ boekje wel beschouwd als de voorloper van wat wellicht het bekendste boek is uit de Vroege Kerk: de Confessiones (Belijdenissen of Lofprijzingen) van Augustinus. En passant attendeer ik u op dat boek, dat een nog meer gerijpte visie op dit onderwerp bevat.

IGNATIUS: BENT U EEN KERK ONDER HET KRUIS?

Tot de visitatoren behoort nog een tweede broeder uit de Vroege Kerk. Zijn naam is Ignatius. Hij was bisschop van Antiochië. Als we letten op zijn levensloop en vooral op zijn levenseinde, is zijn vraag een indrukwekkende. Ignatius werd namelijk vanwege de zaak van Christus veroordeeld ‘ad bestias’: hij moest in Rome voor de beesten geworpen worden. Op zijn reis naar Rome schreef hij een zevental Deze bloedgetuige vraagt ons nu vanuit zijn brieven, of er in onze gemeente leden zijn die lijden om Christus’ wil. Laten we die vraag als ambtsdragers eerst op onszelf betrekken: Weten wij persoonlijk iets van het lijden om Christus’ wil? En als dat in ons leven helemaal ontbreekt, hoe komt dat dan? Ignatius’ vraag heeft in de tweede plaats ook betrekking op de gemeente, waarin we mogen dienen.

• Weten wij als ambtsdragers ook van de moeiten die jongeren en ouderen in hun (werk)omgeving kunnen ervaren vanwege het uitkomen voor de Naam van de Heere?

• Ze zijn er, ook in onze gemeenten, die dag in dag uit spottende opmerkingen, ruw taalgebruik en veelvuldig vloeken moeten aanhoren. Ze zijn er die hun werk moeten verrichten, terwijl ze tegen wil en dank aan goddeloze muziek en vunzige programma’s worden blootgesteld. Ze zijn er van wie het hun verlangen is om de zondag te heiligen, maar die juist daarom hun werk dreigen kwijt te raken.

• Weten we ook van én rekenen we met de kracht van het vlees, dat altijd maar één ding wil: onder dit lijden uitkomen?

• Spreken we met ouderen en jongeren over de gevaren van een wereld die in het boze ligt?

• Spreken we over onze kleine kracht en grote bereidheid om toch maar toe te geven en het compromis te zoeken?

• Spreken we ook over de God van Daniël en zijn drie vrienden, Die bij machte is om Zijn kinderen te bewaren?

TERTULLIANUS: HOE WORDT DE BIJBELSE VREEMDELINGSCHAP BELEEFD?

We haasten ons naar de derde broeder uit de Vroege Kerk. Zijn naam is Tertullianus. Iets eerder dan de eerste visitator leefde hij in het noord-Afrikaanse Carthago.

Daar kwam hij op volwassen leeftijd tot bekering. Vanaf dat moment stelde hij zijn talenten in dienst van het christelijk geloof en schreef hij allerlei – vooral kleine – geschriften, waarin hij zijn medechristenen onderwijs geeft over het christelijke leven.

Tertullianus’ geschriften zijn voor het overgrote deel alleen in een gedateerde vertaling te lezen. Enkele boekjes zijn recent vertaald.

Tertullianus is niet bang om in zijn geschriften concreet te zijn. Zo legt hij de vinger bij het bezoek aan theaters en sportwedstrijden, waarin allerlei seksuele uitspattingen en de verheerlijking van het lichaam centraal staan.3 Ook schrijft hij over de manier waarop we ons kleden en verzorgen. Is die eerbaar en ingetogen?4 De hoofdbedekking van vrouwen in de samenkomsten van de gemeente wordt eveneens aan de orde gesteld.

En nu zit dezelfde Tertullianus bij u in de kerkenraadskamer. Hij stelt de vraag: Hoe wordt de vreemdelingschap in de praktijk van iedere dag beleefd? Zijn uw gemeenteleden eigenlijk wel vreemdelingen in deze wereld? Onderscheiden de kerkenraadsleden zich als christen van hun omgeving?

Laten we vanuit de praktische geschriften van Tertullianus wat concrete lijnen doortrekken naar vandaag.

• Het theater van Tertullianus’ dagen is veel huiskamers binnengedrongen. Hoe is onze houding tegenover films en dvd’s, die voor het overgrote deel bol staan van allerlei zonden tegen Gods geboden? Hoe gaan we om met de gevaren van (on) gefilterd internet?

• Welke positie nemen we in tegenover sportfestijnen die heel Nederland in hun greep lijken te hebben en waar Gods eer, Gods Naam en Gods dag ontheiligd worden?

• Hoe gaan we om met geld en goed?

• Hebben we als ambtsdragers oog en hart voor diegenen die de vreemdelingschap heel pijnlijk ervaren in hun woon- of werkomgeving?

• Welke aandacht besteden we als kerkenraad aan mensen die kritiekloos het schema van deze wereld volgen? Hoe geven we gestalte aan de opdracht om hen te vermanen?

Laten we er nog even op letten, dat deze vragen ons worden gesteld vanuit het oeuvre van iemand uit de tijd dat christenen hun lege plaats in het stadion soms met de marteldood moesten bekopen.

TENSLOTTE

Drie broeders uit de Vroege Kerk brachten ons een denkbeeldig bezoek en stelden ons hun vragen. Me dunkt, hun vragen hebben voor de Christelijke Gereformeerde Kerken anno 2013 voldoende relevantie.

Drs. Ruis is predikant van de CGK te Damwoude. Hij studeerde zowel aan de Universiteit Utrecht als aan de TUA af op de Vroege Kerk. Inmiddels heeft hij zijn studieterrein verlegd naar de periode van de Schotse ‘Second Reformation’ (David Dickson, James Durham, Hugh Binning e.a.)

1 Zie voor Nederlandstalige literatuur met een inleidend karakter bijvoorbeeld A. Baars, ‘Vreemdelingschap in de Vroege Kerk’, in G.C. den Hertog en H.G.L. Peels (red.), Vreemdelingen en bijwoners. Opstellen rond een urgent theologisch thema, Apeldoorn 2012, 11-55; Eginhard Meijering, Geschiedenis van het vroege Christendom: Van de jood Jezus van Nazareth tot de Romeinse keizer Constantijn, Amsterdam 2004; J. van Oort, Jeruzalem en Babylon. Een onderzoek van Augustinus’ De stad van God en de bronnen van zijn leer der twee steden (rijken), ’s-Gravenhage 1986.

2 Nederlandse vertaling: Cyprianus, Bidden in een boze wereld. Twee pamfletten uit het vroege christendom. Aan Donatus & Aan Demetrianus, ingeleid, bezorgd en vertaald door Vincent Hunink, Budel (Damon) 2006.

3 De spectaculis. Nederlandse vertaling: Tertullianus, Apologeticum en andere geschriften uit Tertullianus’ voor-montanistischen tijd, ingeleid, vertaald en toegelicht door Christine Mohrmann, Utrecht/Brussel 1951.

4 De cultu feminarum. Nederlandse vertaling: W. Kok, Tertullianus De cultu feminarum, met inleiding, vertaling en commentaar, Dokkum 1944.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.