+ Meer informatie

"Ik had gedacht: het klopt precies. Maar nu werd ik opeens afgezet"

Ouderling in een emigrantenkerk

9 minuten leestijd

„Als er in Zeeland geen watersnood was geweest, had ik niet kunnen emigreren." Landverhuizers waren welkom in Canada, maar dienden minstens vier kinderen van boven de 16 jaar mee te brengen. Zover was Leen Nieuwenhuyzen nog lang niet toen hij in 1953 naar de Nieuwe Wereld wilde. Als gevolg van de ramp kon de Krabbendijkenaar toch vertrekken. Als ouderling maakte hij daarna bijna de gehele geschiedenis van een van de immigrantengemeenten mee.

Op 11 september 1953 zette het Krabbendijker gezin voet op Canadese bodem. Dat gebeurde niet vanaf de loopplank van een schip, maar vanaf een vliegtuigtrap, want de Nieuwenhuyzens behoorden tot de eerste emigranten die hun nieuwe vaderland door de lucht bereikten. De vliegreis duurde achttien uur.
In Canada wist Nieuwenhuyzen alleen dat hij naar Hillsburg in Ontario moest. „Waar dat lag en hoe het daar was, wisten we niet. We hadden één naam doorgekregen: Spekman. We landden in Montreal, zouden dan de trein naar Toronto opzoeken en vervolgens moesten we in Hillsburg zien te komen." De urenlange treinreis zou pas de volgende morgen beginnen, dus Nieuwenhuyzen moest onderdak voor de nacht proberen te vinden. Bij het station zag hij echter een trein waarop "Toronto" stond. „Ga er maar in", zei hij tegen zijn kinderen. Hij dacht: Hoe eerder we vertrekken, hoe eerder we aankomen. „De conducteur zal op de kaartjes wel gezien hebben dat de datum niet klopte, maar hij zei niets. Alles wordt bestuurd, want in deze trein zat een vrouw die op ons toekwam en behulpzaam vroeg waar we heen moesten. „Naar Toronto, maar hoe het daarna moet, weten we nog niet", zei ik. „M'n man is van de emigratie. Hij staat in Toronto te wachten en zal je wel verder helpen", zei ze. Dat was een grote opluchting."

Vertraagde noodhulp
In de late avond werd het gezin per auto naar Hillsburg vervoerd. Daar werden ze allang niet meer verwacht. Na de ramp had de Gereformeerde Kerk in het dorp vol mededogen besloten twintig "vloedgezinnen" te adopteren. De emigratie zou betaald worden en voor woning en werkplek werd gezorgd. Dat was mooi aangeboden, maar er kwam aanvankelijk niemand. Toen Nieuwenhuyzen na meer dan een halfjaar arriveerde, was daar al niet meer op gerekend. Er was werk gereserveerd geweest, maar dat was inmiddels alweer aan anderen gegeven. "Spekman", die naam had Nieuwenhuyzen meegekregen. Het bleek een ouderling van de Gereformeerde Kerk te zijn, en die was bereid hen op weg te helpen. Nieuwenhuyzen kreeg werk in een lederfabriek. Ook een huis was spoedig gevonden. Het vinden van kerkelijk onderdak was moeilijker, en dat terwijl hij geëmigreerd was met de gedachte dat de Heere hem in het buitenland nog zou gebruiken. „In Krabbendijke was ik op een morgen wakker geworden en toen was het net alsof ik in den vreemde was. Heel eigenaardig. Meer en meer kreeg ik het gevoel dat ik moest emigreren. Dat was natuurlijk een grote stap."

Niet naar Rotterdam
Zijn predikant, ds. J.B. Bel, dacht overigens dat er een andere reden voor de emigratie was. Toen Nieuwenhuyzen afscheid kwam nemen, vroeg ds. Bel: „Moet jij niet naar Rotterdam? Dan zul je er toch wel komen, hoor." Hij dacht dat zijn gemeentelid naar het buitenland vluchtte vanwege een roeping tot het predikambt en dat hij zich niet bij het curatorium in Rotterdam wilde melden. Er wachtte echter een andere taak. De landverhuizer vertelde iets van de werkzaamheden die hij daarmee gehad had. Na zijn emigratie las Nieuwenhuyzen aanvankelijk thuis preken. Op een avond, eind 1953, kwam hij uit zijn werk en zei hij tegen zijn vrouw: „Vanavond gebeurt er nog wat." „Ik kreeg zo bij me: „God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen" (Gen. 21:6b). Die avond kwamen er inderdaad enkele mensen aan de deur. Ik kende hen niet. Ze vertelden dat ze 's zondags in een huis bij Orangeville met enkele gezinnen bij elkaar kwamen. De man die de preken las, ging echter weg. Hoe ze aan mijn naam en adres gekomen waren, weet ik niet, maar ze kwamen vragen of ik voortaan voor hen wilde lezen."

Nieuwenhuyzen was blij, want hij zag het als een vervulling van de gedachte dat er in Canada werk voor hem te doen was. Later die week begon het echter zo te sneeuwen dat niemand de straat meer op kon. De leesdiensten gingen niet door. „Ik had gedacht: Het klopt precies. Maar nu werd ik opeens afgezet." Vanaf de volgende zondag hield Nieuwenhuyzen echter diensten in zijn woning. De mensen die kwamen luisteren, bleven de hele dag. Nieuwenhuyzen las twee preken en gaf belijdeniscatechisatie. Een jonge vrouw trok tussen de diensten met de kinderen naar de bovenverdieping en hield daar zondagsschool. Ds. W.C. Lamain zegde toe te zijner tijd een Gereformeerde gemeente te zullen stichten.

Geen lid, toch...
Het liep echter anders. Nieuwenhuyzen verloor zijn baan en verhuisde naar Smithville. Op een avond kreeg hij daar een vroegere dorpsgenoot uit Krabbendijke op bezoek. Henk van Koeveringe meldde dat ds. Lamain zou komen preken in de stad St. Catharines. Daar had de predikant op 7 juli 1952 een gemeente geïnstitueerd en een verbouwd schooltje als kerk in gebruik genomen. Dat er na de weekdienst ledenvergadering gehouden zou worden, wist Nieuwenhuyzen niet. Zijn chauffeur moest daarheen, dus Nieuwenhuyzen bleef er ook maar bij zitten. Die avond werd geprobeerd een derde diaken te verkiezen. Een van de kandidaten trok zich echter terug en vervolgens werd Nieuwenhuyzen op het dubbeltal geplaatst, hoewel hij niet eens lid van de gemeente was. Het was tekenend voor de gemoedelijke sfeer in de jonge emigrantengemeenten.
Nieuwenhuyzen werd gekozen, maar sputterde tegen: Ik woon ver weg en ik kom hier voor het eerst en... „Wil je jezelf voor de kerk hier geven?" vroeg ds. Lamain. „Tja..., dat is wat anders." „Dan praten we nergens meer over." Voor praten was ook weinig tijd meer. De predikant maakte de vele uren durende reis van Michigan naar Ontario niet zo vaak, dus Nieuwenhuyzen werd rap lid, de volgende dag werd hij al bevestigd en tevens werd zijn jongste dochter gedoopt. Het was inmiddels 27 februari 1955, een memorabele datum: Die zondag werd ook voor het eerst een Engelstalige dienst gehouden. Op 10 november in datzelfde jaar werd Nieuwenhuyzen ouderling en dat ambt bekleedt hij inmiddels meer dan vier decennia.

Dertig dollar
Nieuwenhuyzen verdiende de kost jarenlang in het constructiebedrijf dat hij was begonnen. De eerste tijd hadden veel emigranten het arm. „Wij hebben echter nooit gebrek behoeven te lijden, hoewel we het eerste jaar niet veel hadden. De Heere heeft altijd bijzonder voor ons gezorgd."
In die eerste jaren kwam ds. J. van Zweden eens in St. Catharines preken. Hij logeerde met zijn vrouw in huize Nieuwenhuyzen. De predikant wilde nooit geld van de arme immigranten in ontvangst nemen. Toen men hem toch eens een bedrag wilde geven, bestemde hij het voor een preekstoeltje, want dat was er nog niet. „Toen hij later voor het eerst iets aannam, kreeg hij dertig dollar. Twee weken daarna kreeg ik echter een envelop. Er zat dertig dollar in, met een briefje van ds. Van Zweden: 'Ik kan het toch niet doen. Hier is het geld weer terug; jij kunt het beter gebruiken dan ik.'" Nieuwenhuyzen noemt het voorval typerend voor de hechte band die er was. „Je hielp elkaar. Toen enkele leden een oude auto hadden aangeschaft, haalden ze anderen 's zondags op." Er kwam ook een echtpaar op een geleende motorfiets. De meeste leden gingen tussen de diensten niet naar huis. In het souterrain van de kerk of buiten op het grasveld werd het meegebrachte brood opgegeten. Tussen de diensten werden ook de catechisaties gehouden.

Generator
In het eerste kerkje kwam de gemeente acht jaar bijeen. Op 1 mei 1960 leidde Nieuwenhuyzen er de laatste dienst. „Vele herinneringen kwamen boven", memoreerde hij later in het jubileumboek van de gemeente. „Voor het geestelijk leven was het een goede tijd geweest. Soms leek het een hemel op aarde. De predikanten spraken soms met opening en onder de mensen waren er veel die met indrukken bezet waren. Het gebeurde wel als we een preek moesten lezen, dat we ervoeren dat de Heere ervan afwist. We hoefden het niet altijd alleen te doen."
In 1960 namen ds. G. Zwerus en ds. W.C. Lamain een van de mennonieten gekochte kerk in gebruik. Het echtpaar Nieuwenhuyzen nam van 1960 tot 1964 het kosterschap waar. Dat leidde nog eens tot een komisch incident. Er moest iets vervangen worden, dus de kosteres wilde dat haar dochter prijsopgave zou vragen.
„Nee, nee, u moet het ook leren", vond Willy. „Wat moet ik dan zeggen?" zei haar moeder een beetje benauwd. „This is the janitor of the church": met de koster van de kerk. Mevrouw Nieuwenhuyzen draaide het nummer en meldde zich: „This is the generator of the church": Met de generator van de kerk... Het scheelde in de uitspraak maar één lettergreep. Het dochterke maakte zich zeer vrolijk... De kerk in Vineland deed ruim zestien jaar dienst. Op 8 december 1976 werd in St. Catharines een nieuw bedehuis geopend.

Gods trouw
Sinds de jaren zeventig wordt Nieuwenhuyzen steevast afgevaardigd naar de synode en al vanaf 1974 is hij lid van het curatorium. Tijdens vacante perioden werd hij voorzitter van de kerkenraad. In 1981 werd ds. A. Vergunst voor de tweede maal predikant in de Verenigde Staten. Vanuit Kalamazoo wilde hij ook naar St. Catharines komen om te preken. „Hij pakte zijn boekje en zei: 'Ik wil iedere maand wel komen.' Ik zei: 'Wacht nu maar even tot u de operatie gehad hebt voordat u het opschrijft.' Het was alsof hij een klap kreeg. Hij stak het boekje weg en pakte mijn arm vast. Het was alsof we voelden dat het voorbij was. Eigenaardig was dat, ik denk er nog wel eens aan terug." De operatie aan de halsslagader slaagde, maar door een complicatie raakte de predikant in coma. Op 21 november is hij op 55-jarige leeftijd overleden. Moeilijke tijden zijn in St. Catharines aangebroken toen zich in 1994 een scheuring in de gemeente voordeed. Nieuwenhuyzen bleef ouderling in de Gereformeerde gemeente. „Met zulke gebeurtenissen ben je dag en nacht bezig. Je hebt de gemeente zien ontwikkelen en de geslachten zien opgroeien en als er dan na veertig jaar een scheiding valt, is dat pijnlijk. Ik zag ook al het werk op me afkomen, omdat het aantal ambtsdragers veel kleiner werd. Ik voelde me wel eens als een moedeloze Elia onder de jeneverboom. Maar de Heere heeft willen sterken. Dan moet ik zeggen: Wie ben ik geweest en Wie is daarentegen de Heere voor me geweest..."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.