+ Meer informatie

‘ZWEERT GANSELIJK NIET’ over de eed

8 minuten leestijd

Hieronder ga ik in kort bestek in op de wijze waarop men vandaag de dag in Nederland omgaat met de eed, die de ouerheid bij onderscheiden gelegenheden van ons vraagt. Voorbeelden daarvan zijn de eed bij getuigenuerklaringen in een rechtszaak, een parlementaire enquête, het aanvaarden van een openbarefunctie, bij medische beroepen etc. Daarbij is er fors onderscheid tussen wat gangbaar is in onze huidige (seculiere) Nederlandse samenleving enerzijds en de christelijtee gemeente anderzijds. Ik begin bij de laatste.

DE GEMEENTE VAN CHRISTUS

De woorden hierboven – hier geciteerd volgens de Statenvertaling - zijn ongetwijfeld de duidelijkste en scherpste woorden in de Schrift over de eed. Het zijn woorden van de Here Jezus Christus zelf. Ze stammen uit het vijfde hoofdstuk van het evangelie volgens Mattheüs. Ze maken deel uit van wat – wellicht – de grondwet van het Koninkrijk der Hemelen mag worden genoemd. Na de zaligsprekingen (5:1-11) en de tekening van de positie van de discipelen in de wereld (5:13-16), gaat de Heiland in gesprek met de wetgeving van het Oude Testament (‘wat tot de ouden gezegd is’). De Heiland geeft - zou je kunnen zeggen - een commentaar op de wetgeving van het OT. Het bijzondere van dit commentaar is niet dat de wetgeving van het OT vervallen wordt verklaard. Integendeel, zij wordt aangescherpt. Vandaar de voortdurende tegenstelling in dit Bijbelgedeelte: ‘Gij hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is’ …en ‘maar Ik zeg u …’

Nu zijn die aanscherpingen zeer radicaal:

• de wet en de profeten worden niet ontbonden, maar vervuld (vs. 17);

• je mag niet alleen niet doodslaan, maar zelfs niet in toorn leven met je broeder (vs. 21-22);

• je mag niet alleen niet echtbreken, maar zelfs niet een vrouw aanzien om haar te begeren (vs. 27-8);

• je mag je vrouw niet ‘zomaar’ met een scheidbrief wegzenden, dan enkel en uitsluitend bij ontucht;

• je mag niet alleen je eed niet breken, maar in het geheel niet zweren. Laat je ja ja zijn en je nee nee (vs. 33, 37);

• niet oog om oog en tand om tand geldt, maar de boze niet wederstaan (vs. 38-39);

• je moet niet alleen je naaste liefhebben en je vijand haten, maar je vijanden liefhebben en voor hen bidden (vs. 43-44).

• Het slotvers van de perikoop is van een onthutsende scherpte: ‘Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is’ (vs. 48).

Centraal in deze ‘grondwet’ van het Koninkrijk van God staan de woorden uit Mattheüs 5:33-27: ‘Wederom hebt gij gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult uw eed niet breken, doch aan de Here uw eden gestand doen. Maar Ik zegu, in het geheel niet te zweren: bij de hemel niet, omdat hij de troon van God is; bij de aarde niet, omdat zij de voetbank zijner voeten is; bij Jeruzalem niet, omdat het de stad van de grote Koning is; ook bij uw hoofd zult gij niet zweren, omdat gij niet één haar wit kunt maken of zwart. Laat het ja, dat gij zegt, ja zijn, en het neen, neen; wat daar bovenuit gaat, is uit den boze.’ Een eenvoudig ‘ja’ volstaat. Alles wat daar bovenuit gaat is uit den boze. Ook het woord van de apostel Jakobus (5:12) beklemtoont dat, als hij schrijft: ‘Maar vooral, broeders, zweert niet, noch bij de hemel, noch bij de aarde, noch welke andere eed ook. Laat uw ja bij u ja zijn en neen neen, opdat gij niet onder het oordeel valt.’

In de gemeente van de Here Jezus Christus is voor de eed geen plaats. Voor het aangezicht van God en in de gemeente van Christus volstaat ‘ja’ en ‘nee’. Daar behoort ons ja ‘ja’ te zijn en ons nee ‘nee’. Wat daar bovenuit gaat, is menselijke hoogmoed.

DE SAMENLEVING

Nu behoort dat laatste – de betrouwbaarheid van ons ja en nee - uiteraard ook in onze Nederlandse samenleving het geval te zijn. Het verschil met de gemeente van Christus is echter dat de overheid geen onderscheid maakt op grond van religie of levensovertuiging. Onze Nederlandse samenleving, de Staat der Nederlanden, is een ‘seculiere’ staat: zij heeft geen voorkeur voor een bepaalde religie of levensovertuiging. De overheid discrimineert niet, althans behoort dat niet te doen. Het eerste artikel van de Grondwet stipuleert dat ook: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.’ Het gaat hier om een van de meest fundamentele beginselen van onze rechtsorde. De staat is seculier. Kerk en staat zijn gescheiden en religies en levensbeschouwingen worden gelijkelijk behandeld, mits zij zich aan de wet houden.1 De overheid behoort derhalve ook in religieus opzicht tolerant te zijn. De overheid dwingt mensen weliswaar niet om tolerant te denken. Van de overheid mag echter wel verwacht worden religieuze of ideologische uitingen te bestrijden die de rechtsstaat fundamenteel bedreigen. Het vorenstaande impliceert, dat er (een zekere) keuzevrijheid is op het gebied van het zweren. De meest gebruikelijke eedsformule in ons land is dan ook: Zo waarlijk helpe mij God almachtig of, indien men geen religie aanhangt, Dat beloof ik.2

Toch lijkt er in de ‘Eedswet’ van 17 juli 1911 ook ruimte te worden gelaten voor andere dan de beide hiervoor genoemde formuleringen. In voornoemde wet is namelijk de toevoeging opgenomen ‘tenzij hij aan zijn godsdienstige gezindheid den plicht ontleent den eed, de belofte of de bevestiging op andere wijze te doen’. Dit zou (kunnen) betekenen, dat ook andere eedsformules mogelijk moeten zijn. In de praktijk is dat reeds in beperkte mate het geval. Militairen en gemeenteambtenaren mogen de islamitische eed afleggen (‘Zo waarlijk helpe mij Allah de Erharmer, de Barmhartige’), rijksambtenaren, politieke ambtsdragers (Kamerleden, wethouders, statenleden en politieagenten) mogen dat niet.

Hier is het gelijkheidsprincipe in het geding. Het is vergelijkbaar met de vrijheid van onderwijs: je kunt moslims niet verbieden een islamitische school te beginnen als christenen wel hun eigen scholen hebben. Prof. Oldenhuis3 acht het dan ook merkwaardig, dat een deel van de Tweede Kamer niet-christelijke gelovigen slechts wil verwijzen naar de belofte en hen – zodoende – de mogelijkheid ontneemt hun eigen religieuze keuze te maken bij het afleggen van de eed. Wat je zelf wenst, behoor je ook een ander niet te weigeren.’ In dit verband is het pijnlijk, dat partijen die in de christelijke traditie staan, soms zoveel moeite hebben om de rechten voor religie in het publieke domein op gelijke wijze te delen met niet of anders gelovigen.

Voor een goed verstaan: het gaat mij in deze schets ‘slechts’ om de eed in het publieke domein. Het gaat niet om het ‘ja’ of neen’ binnen de christelijke gemeente. Nederland is geen christelijke natie. Ik noemde daarom de overheid seculier, te weten religieus neutraal. En daarmee zijn we terug bij het begin, namelijk bij artikel 1 van de grondwet: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.’ Dat is iets anders dan neutraliteit. De overheid kiest echter wel positie. Zij garandeert allen die in Nederland wonen dezelfde rechten. Daarover ging het in dit artikel. De wettelijke vrijheid om de eed af te leggen onder aanroeping van de autoriteit waarin men persoonlijk gelooft of waaraan men het meest hecht, is een onvervreemdbaar recht.

Zo zijn er dus twee onderscheiden domeinen. In de gemeente van de Here Jezus Christus zweren wij niet. Daarmee begon deze schets. Daar geldt: laat uw ja ja zijn en uw neen neen. In de samenleving bekrachtigen wij echter niet zelden ons ja of neen met een eed volgens de daartoe geldende regels. De scheiding van kerk en staat betekent dan ook niet een scheiding van religie en politiek, al is dat vaak een gangbare opvatting. Wel is de consequentie ervan dat de

    wet
het hoogste gezag heeft en de religie mag er zijn, indien en voor zover religie of uitingen van religie niet in strijd zijn met de Wet. Het eerste lid van artikel 6 van de
    Nederlandse Grondwet
geeft dat duidelijk aan: Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantuwordelijkheid volgens de wet. Ook de
    godsdienstvrijheid
is derhalve beperkt.

Drs. G.L. Born (1944) was legerpredikant; momenteel vervult hij in de kerken de functies van voorzitter van deputaten toezicht aan de TUA en lid van deputaten contact met de overheid

1 Secularistische staten gaan een stap verder: zij willen religie zoveel mogelijk uit het openbare (en het liefst ook uit het persoonlijke) leven verbannen. ‘Seculier’ is geen ideologie en ‘democratie’ en ‘tolerantie’ zijn dat ook niet.

2 Afwijking van deze beide formules is niet toegestaan. Henk Koetsier wilde na Auschwitz de toevoeging ‘almachtig’ niet meer gebruiken. En verzocht die toevoeging te mogen weglaten bij zijn beëdiging als lid van Provinciale Staten. Dat mocht niet. Uiteindelijk koos hij voor de formulering: ‘Dat verklaar en beloof ik. Zo waarlijk helpe mij God.’ Ook een arrest van de Raad van State (LJN AD8743, Raad van State200005735/) bevestigde in 2002 dat er geen derde weg is naast de eed en de belofte.

3 Prof. Mr. Dr. KT. Oldenhuis is sinds 2005 bijzonder hoogleraar Religie en Recht bij de Faculteit Rechtsgeleerdheid en de Faculteit Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap. Hij is verbonden aan de vakgroep Privaatrecht en Notarieel Recht van de RUG. Naast publicaties over religie en recht heeft prof. Oldenhuis geschreven over aansprakelijkheidsrecht en huurrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.