+ Meer informatie

Uit de Praktijk

5 minuten leestijd

6.

Het is reeds jaren geleden, dat een zekere vriend eens tot mij zei: Gods volk heeft wel eens voelhoorns”, en het is opmerkenswaardig, dat men soms mensen ontmoet en slechts enkele woorden gewisseld heeft, dat men dan gevoelt die eenheid en zegt: dat is het, hier hoor ik en gevoel ik het werk des Heeren in het hart van een arm en ellendig zondaar. Dat geeft band en overname. Maar men ontmoet ook wel mensen, die zeer gewichtig over Gods Woord kunnen spreken en over de weg der bekering zodat men er met belangstelling naar luistert, maar toch is er iets dat men in zichzelf denkt: ja, de woorden zijn wel goed, maar het is net of er iets stuit; ik kan dat zo maar niet verklaren, maar ik kan me er niet recht mee verenigen; ik mis iets, het lijkt me zo toe, dat ik hier wel klanken hoor, maar ’t is of dat ik het wezen van de zaak mis, ’t is of ik gevoel dat dit woorden zijn zonder het kennen der zaken in beginsel, de woorden schijnen zo overgenomen te zijn, al zijn ze op zichzelf rechtzinnig, neen, ik kan het zo niet overnemen. Deze ervaringen doen velen van Gods volk op, en nog temeer als daar aan toegevoegd worden sommige ervaringen en uitreddingen uit lichamelijke en tijdelijke noden, op vurig bidden en smeken om uit- en doorgeholpen te worden. Nu is het naar het Woord dat de Heere het geroep dergenen die in benauwdheid en nood verkeren, niet alleen horen wil, maar dat Hij ook wil uithelpen. Dat lezen wij ook van oud-Israël in de Richterentijd, het volk week af van de geboden en inzettingen des Heeren, en diende de afgoden, maar de Heere bracht door middel van de heidense volken Zijn volk in verdrukking en benauwdheid, en als de nood groot werd, riepen zij weer tot die God, Wiens dienst zij verlaten hadden, om hulp en redding en gaf de Heere hun uitkomst en redding door middel van een richter. Dan dienden zij weer de Heere. Maar dat duurde doorgaans niet zo lang, want zij vervielen weer tot de afgoden. De uitwendige nood was weer voorbij, het volk was uitgeholpen, maar waar was de vrucht van dit alles? Zij weken weer af, en bleven inwendig dezelfde, hun hart was niet vernieuwd.

Zo ontmoet men soms mensen die van krachtige uitreddingen kunnen spreken, die van ernstige ziekbedden zijn opgericht, of wonderlijk zijn doorgeholpen, en wanneer zij daarvan vertellen, zijn ze soms bewogen vanwege de verhoring van hun bidden en smeken. Maar vraagt men dan: hebben deze zaken ook enige vrucht afgeworpen betreffende de zielen op reis naar de eeuwigheid, dan moet men veelal het antwoord schuldig blijven. Dit bevonden wij ook eens op een huisbezoek. Zoals het behoort kwam ter sprake de noodzakelijkheid der bekering, en de wegen die de Heere wel belieft te gebruiken om zielen te overtuigen. Wij trachtten de mensen een weinig uit te halen, maar dat viel niet erg mee. Wij vonden omtrent de eerste beginselen geen weerklank, ook niet nadat we niet alleen voorgesteld hadden het rampzalig lot dat de mens zal treffen, indien hij heengaat zoals hij geboren is, maar ook het onuitsprekelijke voorrecht dergenen, die hier een ander leven hebben leren kennen. Toen was onze vraag, of men van de jeugd af altijd maar zo onbewogen, zonder dat men te doen kreeg met de eeuwige dingen, door het leven was gegaan, waarop één der huisgeoten ons vertelde, hoe hij enkele jaren geleden wonderlijk was door- en uitgeholpen. Hij moest een ernstige operatie ondergaan, waarover hij zeer bezwaard was, hij geraakte aan het bidden en zuchten tot God, en zo werd hij opgenomen in het ziekenhuis; de grote bezwaren gingen wijken, hij kon het gemakkelijk overgeven toen hij klaar gelegd werd voor de operatie, welke voorspoedig gebeurde; de herstelling ging voorspoedig, zodat hij verblijd tot de zijnen mocht wederkeren.

Breedvoerig werd ons dit medegedeeld, en daar dit reeds een aantal jaren geleden was voorgevallen, meenden wij te mogen vragen: wat heeft dit alles nu nagelaten voor uw persoonlijk leven, en wat is de vrucht hiervan geweest? Toen kon men geen antwoord geven. Wij merkten zo op uit het gesprokene, dat men geheel opging in het wonder der genezing, maar die vertedering voor de grote Wonderdoener werd zo gemist. Het had niet uitgewerkt die verslagenheid des harten, dat echte bukken en buigen vanwege die weldaad aan een vloekwaardig schepsel bewezen; men was met de weldaad niet onder de Heere gekomen. Nog gaven wij ter overdenking welke ervaringen Gods volk weleens mag opdoen in de weg van tijdelijke uitreddingen, hoe het voorvalt dat een ziel uitgeholpen, voor de Heere mag getuigen: Heere, Uw Woord is waarheid geweest, dat is mij groter dan de weldaad der uitredding, eindigende alzo inde Heere. Wat is de goedertierenheid des Heeren geweldig in zulke harten.

Zo zien wij, lezer, dat alle verlossing uit tijdelijke noden nog niet altijd is de verlossing van onze geestelijke nood.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.