+ Meer informatie

HET HUWELIJK

3 minuten leestijd

Niet zonder ouders of vrienden (I).

Het aangaan van een verloving is voor jonge mensen van groot gewicht. Maar het is ook een publieke zaak. Zo dikwijls hoort men het zeggen: Dat is een zaak tussen ons, daar heeft niemand zich mee te bemoeien.

Ja ware het vaak niet zo, ook bij onze jongemannen en jongedochters, die belijders van Gods Woord zijn, dat hun feitelijke practijk is: hier hebben we alleen met onszelf 'te rekenen en niet met de Heere.

Dat wordt zelden zo bruut uitgesproken: Maar nu de praktijk ?

Straks, als het tijdstip daar is, dat ze in de echt zullen verbonden worden, klinkt het hun uit het huwelijksformulier tegen: „Alzo dat allen, die tot hun jaren gekomen zijn, en de gave der onthouding niet hebben, naar het bevel van God, verbonden en schuldig zijn, zich tot de huwelijke staat, naar Christelijke ordening, met weten en wil hunner ouders, of voogden en vrienden, te begeven.

Het huwelijk is, naar Gods Woord, onontbindbaar; het geldt Voor het leven. Alleen de dood maakt hiei 4 een scheiding. Van de verloving kan dat niet worden beweerd. Maar normaal volgt daar tóch het huwelijk op. Ook die verloving is een openbare zaak. Daarom dient na de eerste kennismaking zo spoedig mogelijk een 'openlijke verklaring te volgen. Maar deze dient eveneens met weten en wil van de ouders te geschieden.

Men zij niet van gedachte, dat de verloving uitslüitend een zaak tussen de twee jonge mensen is en dat, nu ja, als ze trouwplannen hebben, het vroeg genoeg is, om dan aan de ouders om een formele toestemming te vragen. Neen, óók, - ja eerst en voornamelijk, dienen ze bij hun verloving hun ouders te raadplegen. Hebben ze geen ouders meer, dan treden daarvoor voogden in de plaats; andere familieleden, grootouders, ooms en tantes, ja ook vrienden. Het is betamelijk, dat men dezen daarin raadpleegt eer een voorlopige verbintenis tot stand komt. Daarin ligt een erkenning en betrachting van Gods wet, welke in het vijfde gebod zegt: Eert uw vader én uw moeder — da, t ik mijn vader en mijn moeder en allen, die over mij gesteld zijn, alle eer, liefde en trouw bewijze, en mij hunner goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe, zegt onze catechismus (vr. 104).

Wij staan niet op onszelf onder de mensen. En het is niet zo, dat wij een huwelijksvereniging zoeken met een ander, ' om dan samen los van het maatschappelijk^en familieleven te staan als een klein eilandje te midden van de mensenzee. God heeft ons met banden gebonden in volkerengemeenschap, kerkelijke gemeenschap, familiegemeenschap, vriendengemeenschap. Daar kunnen en mogen wij ons 'niet uit losrukken. De banden van Gods wet binden 'ons niet alleen overeenkomstig de eerste tafel van de wet des Heeren, .maar ook* overeenkomstig de tweede tafel aan onze naaste. Daarom wordt in het eerste gebod van de tweede tafel aanstonds gesproken van het gezag onder de mensen.

Het is de revolutionaire dwaling van de ongebonden dopersen, dat ze, onder voorgeven van aan de Heere onderdanig te zijn, verwerpen alle ordening, onder de mensen gesteld. In strijd met Gods heilig Woord is dit, want zij worden vermaand, alle menselijke ordening onderdanig te zijn. Zo is het ook in zake huwelijk en verloving. Ons komt de vermaning voor: Desgelijks gij jongen, zijt de ouden onderdanig: en zijt elkander onderdanig: zijt met de ootmoedigheid bekleed, want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.