+ Meer informatie

„GELIJKE BEHANDELING”

9 minuten leestijd

De titel van dit artikel is ontleend aan „Het voorontwerp van een wet gelijke behande- ling”. Dit in een geel omslag uitgegeven geschrift bevat „Wetsontwerp en memorie van toelichting”. Het is verkrijgbaar gesteld door het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk.

Zoals intussen door besprekingen in de pers, voor de radio en in bijeenkomsten bekend is geworden, wil dit Voorontwerp discriminatie in onze samenleving bestrijden. Dat er van een Voorontwerp gesproken wordt, wil zeggen: Dit wetsvoorstel is nog niet bij de Tweede Kamer ingediend. Het wordt aan het Nederlandse volk aangeboden. leder kan hierover zijn mening geven. Gezien de discussie die op vergaderingen en in de pers (al- thans in een deel daarvan) ontstaan is, mag verwacht worden, dat het Ministerie nog al wat reacties heeft ontvangen.

De bedoeling van het Voorontwerp komt hierop neer: Bij een benoeming in welke functie ook, mag niemand meer geweerd worden „op grond van geslacht, homifilie of huwelijkse Staat”. Hetzelfde geldt van hen die onderwijs willen ontvangen.

Het Voorontwerp acht het een onrechtvaardige ongelijkheid, als bijvoorbeeld een schoolbestuur, of de directie van een ziekenhuis of bejaardencentrum een man of vrouw zou weigeren in dienst te nemen, alleen vanwege het feit dat deze persoon onge- huwd samenwoont, of omdat hij een homofilie relatie onderhoudt.

Dit wetsontwerp heeft een verstrekkende betekenis. Het wekt de indruk dat hiermee een stuk ongelijkheid in de samenleving wordt weggenomen. Dat er recht gedaan wordt, doordat discriminatie wordt bestreden. Op de achtergrond ligt echter een visie op gelijkheid, die van levensbeschouwelijke aard is. Het gaat om méér dan om de gelijk- waardigheid van alle mensen. Het gaat om het wegnemen van consequenties die aan een verschillende levenshouding en levenspraktijk verbonden zijn.

Op de conferentie van ambtsdragers, die 24 oktober in Amersfoort werd gehouden, is uitvoerig gesproken over „alternatieve samenlevingsvormen”. Wat daar werd gezegd - men kan de tekst van de lezingen en overzicht van de discussie in de voorgaande num- mers vinden - wordt door dit Voorontwerp als een vorm van discriminatie aangemerkt. In Nederland moet niet alleen ieder vrij zijn om het ongehuwd samenwonen als een ge- lijk aanvaardbaar alternatief van het huwelijk te praktizeren. Hetzelfde geldt van homofilie. Daarin treffen we een gelijkwaardige vorm van seksualiteit aan als in de heterofi- lie. Met deze termen is bedoeld resp. de gerichtheid op iemand van hetzelfde of van het andere geslacht.

Men houdt in Nederland nog wel de vrijheid van meningsuiting. Men kan in het open- baar zeggen dat men deze alternativen bijbels niet aanvaardbaar vindt. In zoverre blijft er in onze samenleving recht en ruimte voor een conferentie als welke we gehad hebben. Wie aan de daar voorgedragen gedachtengang echter praktische consequenties wil verbinden, valt onder het vonnis, dat dit Voorontwerp velt. Hij behoort tot hen die dis- crimineren. Dat is niet langer geoorloofd. Er wordt in dit Voorontwerp geen strafmaat bepaald in geval van overtreding van de wet. Er wordt een commissie in het leven geroepen, die deze overtredingen signaleert. Zij kan overtreders aan de publieke schand- paal nagelen, zodat tegen hen via de media een hetze kan worden ontketend. Verder kan degene die de wet overtreedt via een civiele procedure voor de rechter gedaagd worden.

Het Voorontwerp spreekt over „gelijke behandeling”. Het doet, alsof deze gelijke be- handeling een vanzelfsprekende zaak is. Het gaat ervan uit dat het maken van onder- scheid op grond van geslacht, homofilie, dan wel huwelijkse staat of gezinsverantwoor- delijkheid, onrechtvaardig is. Met betrekking tot homofilie wordt gezegd dat het niet gaat om een moreel oordeel.

Dat is nu juist het punt, dat bij heel het wetsontwerp in geding is. Het gaat in de hou- ding tegenover ongehuwd samenwonen en homofilie wel degelijk om morele oordelen. Het gaat om een levenspraktijk waarbij vanuit het Evangelie normen gehanteerd dienen te worden. Dan kan men maar niet zeggen: ieder heeft recht op gelijke behandeling. Dan kan men een bestuur of directie niet verbieden jemand in dienst te nemen, die een levenspraktijk voert, welke naar het oordeel van het bestuur zich niet verdraagt met een leven naar Gods geboden.

Wat de overheid in dit voorontwerp doet, is het bepalen van grenzen, waaraan ieder burger zich in de samenleving dient te houden. Dat zijn grenzen op het gebied van de zedelijkheid. Met dit voorontwerp kiest de overheid voor een bepaalde zedelijkheid. Zij legt deze bindend aan de burgers op. Zij zegt: wie in strijd met het door de wet bepaalde handelt, begaat onrecht. Derhalve dient hij aan de kaak gesteld, en mogelijk zelfs bestraft te worden.

Met dit wetsontwerp is de vrijheid van godsdienst in geding. Burgers houden het recht om hun zedelijk oordeel te vormen. De kerk houdt het recht om over zedelijkheid te spreken, gelijk zij meent te moeten doen. Christenen wordt echter verboden overeen- komstig hun op grond van het Evangelie gevormde oordeel te handelen. Ouderlingen (en predikanten) mogen in conferentie bijeenkomen. Wat zij daar echter met elkaar vanuit de Heilige Schrift bespreken en het oordeel waartoe zij komen, mag echter niet in praktijk gebracht worden.

Wel in zoverre de kerk het recht houdt haar leden te vermanen, en eventueel zelfs tucht toe te passen. Die vrijheid wordt de kerk niet ontnomen. Wel wordt aan kerkle- den het recht ontzegd om mensen die vermaand moeten worden, niet aan een school, niet in een functie binnen zieken- en bejaardenzorg te benoemen.

Hier wordt een scheiding aangebracht tussen belijden en beleven, tussen geloof en wandel, die niemand op enig terrein zou aanvaarden. Immers, de moderne radicaliteit dringt aan op eenheid van woord en daad. Die eenheid wordt aan christenen onmoge- lijk gemaakt. Ais zij van oordeel zijn dat de Bijbel een bepaalde levenspraktijk afwijst, zegt de overheid: Het op grond van die levenspraktijk iemand niet benoemen achten wij een vorm van onrecht. Dat is discriminatie. Dat verbieden wij. Christenen worden gehinderd in het doorvoeren van wat zij op grond van hun geloofsovertuiging menen te moeten doen. Om het wat scherp te stellen: Als een onderwijzer ongehuwd samen- woont of een homofiele relatie heeft, ligt het voor de hand dat hij, als dat zo te pas komt, daarover niet zwijgt, maar spreekt. Hij zal vanuit deze levenspraktijk de kinde- ren seksuele voorlichting geven. Een schoolbestuur heeft niet het recht om deze man (of vrouw) op grond van deze handelwijze niet te benoemen. Hiermee grijpt de overheid ook in op het recht van vrijheid van vereniging. Bij activiteiten en inrichtingen moeten de burgers een bepaald gedrag aanvaarden. Wie dat gedrag afwijst en daarin zijn geloofsovertuiging volgt, wordt van discriminatie beschuldigd.

Het is volstrekt inconsequent om de kerken op haar eigen terrein de vrijheid te laten te oordelen en te handelen, zoals zij menen te moeten doen, en voor de rest van het maat- schappelijk verkeer deze vrijheid aan banden te leggen. Dat leidt tot een zeer beperkte vorm van godsdienstvrijheid. We komen deze vorm ook tegen in communistische landen. Daar heet de kerk vrijheid te hebben om haar eigen overtuiging uit te spreken. Nimmer kan de kerk onder zulk een regime echter in het publieke leven consequenties aan haar overtuiging verbinden. De vrijheid - voorzover deze er in die landen al is - is geheel beperkt tot de sfeer van de eredienst. Ik onderschat niet de verschillen tussen de vrijheid die dit wetsontwerp de kerk laat, èn de tegenwerking die de kerk in dergelijke landen ook op het terrein van haar eredienst ondervindt. Wel zeg ik dat wat in dit voorontwerp wordt voorgesteld de tekenen draagt van een totalitaire staat. De overheid be- slist over de zedelijkheid die burgers in het onderlinge verkeer in acht moeten nemen. Het gaat er maar niet om dat christenen zeggen: wij zijn van mening dat ieder zich naar onze normen moet gedragen. Er is onderscheid tussen kerk en volk. Wat in de kerk van de leden gevraagd mag worden, kan daarom nog niet van elke burger gevraagd worden. Het gaat in dit voorontwerp erom dat christenen niet langer naar hun overtuiging mogen handelen. De overheid noemt deze overtuiging discriminerend. Daarmee velt zij een zedelijk oordeel over deze overtuiging.

Men moet zich afvragen hoe lang christenen nog de gelegenheid behouden om vrijuit te spreken. Als de praktische consequenties niet langer getrokken mogen worden, dan lijkt het een kwestie van tijd om te besluiten dat ook de afkeurende mening niet meer geuit mag worden. Men zal niet langer via radio en krant herinnerd willen worden aan het pleidooi voor een zedelijkheid die juist bij wetgeving buiten de deur is gezet. Men behoeft zich over de inspanning van actiegroepen geen illusies te maken. Als men ziet wat er nu al gebeurt tegen hen, die de nieuwe moraal uit het diepst van hun hart afwij- zen, dan moet deze wet als een aanmoediging gezien worden om op dat pad verder te gaan. Het is volstrekt inconsequent om de daad van niet benoemen discriminerend te noemen, en het uitspreken van de gedachtengang die aan die daad ten grondslag ligt, niet van dat odium te voorzien. Geen weldenkend mens kan het bij die tweeslachtig- heid uithouden. Daarom dient goed bedacht te worden, wat met dit wetsontwerp alle- maal gemoeid is.

Willen wij dan van onze kant discrimineren? Ik meen te mogen zeggen, dat juist de ouderlingenconferentie in oktober 1981 duidelijk gemaakt heeft, dat het allerminst onze bedoeling is mensen af te schrijven of hen in een hoek te zetten of hen aan hun lot over te laten. We hebben getracht in die conferentie - en dat geldt van allen die daar het woord voerden - om mensen te verstaan en te helpen. Dit verlangen kan echter niet betekenen dat we onze instemming betuigen met wat door de Schrift wordt verboden. We mogen van de overheid verwachten dat ze ons niet dwingt tot een handelwijze, die ons om der wille van het Evangelie niet mogelijk is.

De eerste fase is afgesloten. 1 februari is de datum waarop het indienen van reacties niet meer mogelijk is. We moeten afwachten hoe de regering - en daarbij speien ambtenaren van het ministerie een niet onbelangrijke rol - de reacties verwerkt. Intussen blijft het nodig politici het onrecht dat met dit voorontwerp aan een bepaalde groep in onze samenleving wordt aangedaan, onder het oog te brengen. Dat onrecht bestaat in het ontnemen van de vrijheid om bij benoemingen naar innerlijke overtuiging te handelen.

Niet minder belangrijk is de voorbede van de kerk. Daarin ligt elke zondag opnieuw een taak voor de gemeente. Zij wordt dringender dan ooit tevoren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.