+ Meer informatie

De liefelijkheid van Gods huis

3 minuten leestijd

Hoe lieflijk Ileere der zijn Uw woningen, o hcirscharcn. (Ps. 84 : 2)

et is een droevig teken, als er geen beoefte is naar Gods huis. David zegt eran, als hij de openbare instellingen ods mist: „Gelijk een hert schreeuwt a.ni v.e waLoistroiiioii, a.zo schreeuwt ijn ziel tot U, o God. Mijn ziel dorst aar God, naar de levende God; waneer zal ik ingaan en voor Gods aangeef icht verschijnen? " O

e meesten in onze dagen hebben geen st in de dingen van Gods Koninkrijk. aar de Heere wil Zijn Volk verheugen Zijn bedehuis. Door de dwaasheid er prediking wil Hij zalig maken, die eloven. Hoe zouden ze geloven, zonder ie hun predikt? Daarom had David en eeft met hem al het oprechte volk Gods oor alle eeuwen begeerte gekend naar ods huis. Het leeft in hun ziel:

Wat blijdschap smaakt mijn ziel, Wanneer ik voor U kniel in t huis, dat Gij U hebt gesticht.

Gods huis en woningen worden liefelijk, omdat zij daar hun God wel mogen ontmoeten en daar als het ware op de daken gepredikt wordt, wat in de binnenkamer is geschied.

Zij zingen daarvan: „Ik verblijd mij in degenen die tot mij zeggen: wij zullen in het huis des Heeren gaan."

De Heere wil in Zijn huis een verloren volk bekend maken met de éne Naam tot zaligheid. Wie zich als een verlorene kent, heeft begeerte naar Gods huis om daar door de mond van Gods knecht Gods Woord te horen en de sacramenten te gebruiken. In het huis des Heeren hoort dat volk bestraffingen en vertroostingen en wordt door de bediening van Woord en Geest Christus ontdekt aan in zichzelf ontledigde zondaren. Zulke behoeftige kerkgangers hebben het Woord lief, want dat Woord kan hen, ofschoon ze alles missen, door zijn smaak èn hart èn zinnen strelen.

Hoe lieflijk, hoe vól heilgenot, o lieer' der legerscharen God, zijn mij Uw huis en tempelzangen!

Bovenal hebben zij de Ileere van dat huis lief, want die getrouwe Heere hoort hun stem, hun smekingen, hun klagen. Wie waarlijk zo de Heere lief heeft, heeft alles van Hem lief, Zijn huis, Zijn dag, Zijn dienst en Zijn volk.

In het huis Gods werd de tollenaar gered, daar hebben Simeon en Anna de Christus gezien. In dat huis spreekt God naar het hart van Jeruzalem en wandelt de Koning van het huis op de galerijen van Zijn inzettingen. In deze tent der samenkomst ontmoet God Zijn volk en vertroost Hij hen.

En soms is het voor dat volk al een poort des hemels. Wat zal het dan wel zijn in dat huis hierboven, dat huis des Vaders met zijn vele woningen, om daar altijd bij de Heere te zijn. Dan leeft het in het hart van die oprechten: Hoe branden mijn genegenheên, om ~s Heeren voorhof in te treên, mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen, mijn hart roept uit tot God, Die leeft en aan mijn ziel het leven geeft.

Bij het voorrecht van de dorpelwachters in deze woningen valt de ijdele vreugd in de tenten der wereld weg. Zij dorsten naar God, naar de levende God en de vraag leeft in hun hart: wanneer zal ik

ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen?

Wat stond tegenover de armoede van de wereld toch het leven des geloofs, waardoor de dienst des Heeren een liefde-dienst is.

En voor jong en oud is het ten allen tijde waar:

„Wat vree heeft elk, die Uwe wet [bemint, zij zullen aan geen hinderpaal zich [stoten. Ik Heer, die al mijn blijdschap in U [vind, hoop o]) Uw heil, met al Uw [gunstgenoten, 'k doe Uw geboön oprecht en [ welgezind, Uw liededienst heeft mij nog nooit [ verdroten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.