+ Meer informatie

Van de Boekentafel

12 minuten leestijd

Om kerk te blijven door prof. C. Veenhof (1966)

1

Hoewel van dit boek geen recensie-exemplaar voor ,„.Ambtelijk Contact” ontvangen werd, is het goed als er ook in onze kringen kennis van genomen wordt. Wij herinneren ons dat de Generale Synode van 1962 van oordeel was, dat de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt)zich in alles willen slellen op de grondslag van Gods onfeilbaar Woord en de gereformeerde belijdenis als daarop gegrond, en dat het daarom roeping is te staan naar eenheid (Acta, art. 154). Wij herinneren ons eveneens dat de Generale Synode van 1965/66 met teleurstelling constateerde, dat bepaalde gebeurtenissen in de Gereformeerde Kerken belemmeringen in de toenadering tussen deputaten bleken te zijn en verontrusting in onze kerken hebben veroorzaakt (Acta, art. 209).

Juist tegen de achtergrond van de uitspraak van 1962 is de teleurstelling over de verdere ontwikkeling begrijpelijk. Men kan die ontwikkeling trouwens ook in verband brengen met de hantering van het gereformeerd belijden omtrent de kerk, waarover onzerzijds al het een en ander gezegd was. Een schorsing als die van ds. Van der Ziel te Groningen-Zuid hangt samen met een visie op de kerk en een opvatting van het kerkrecht, waarmee wij ons niet verenigen kunnen. In het deputaten-rapport, dat aan onze laatste Synode werd voorgelegd, is sprake van een eenzijdige nadruk die gelegd wordt op het institutaire karakter van de kerk, een daaruit voortvloeiende verheerlijking van de Vrijmaking en een exclusivistische houding ten opzichte van andere kerken (Acta, blz. 153).

Wij zijn de enigen niet, die er bezorgd over zijn. Het boek van prof. Veenhof is, zoals de auteur zelf in een artikel in „Opbouw” zegt, geschreven in diepe zorg over de situatie in de kerken, waartoe hij behoort. Veenhof spreekt van een dodelijk gevaarlijke ontwikkeling en van een ontaarding van het kerkelijk leven. De schorsingen van predikanten en de kerkscheuringen op verschillende plaatsen zijn symptomatisch. Er zijn spanningen en conflicten en er is een geest van wantrouwen.

Sinds prof. Veenhof in boek en blad aan zijn bezorgdheid uiting gaf, is er al weer het een en ander gebeurd in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). De „Open brief” aan de „Tehuis-gemeente”, waarin ds. Van der Ziel voort-gaat, de felle kritiek daarop, de wegzending van een van de ondertekenaars ervan, ds. Schoep, uit de vergadering van de Synode te Amersfoort, de reactie daarop — ook van prof. Veenhof — en het positie kiezen van de Particuliere Synode van Noord-Holland tegen de Generale Synode, de scheuring in de kerk te Kampen, waar prof. Kamphuis op zondag 25 juni voorging in een groep, die door de kerkeraad als schismatiek wordt beschouwd ‖

Nu kan het zijn, dat wij dergelijke berichten lezen en overgaan tot de orde van de dag omdat het onze zaak niet is: „Spanningen en gevaren” zijn onder ons ook wel waargenomen, maar onze kerken hebben weer andere problemen. Toch komt de vraag bij velen van ons op, hoe deze moeilijkheden bij de vrijgemaakten te verklaren zijn. Hoe moet het daar goed komen?

Prof. Veenhof schreef: „Ik geef dit boek in het licht met de vurige bede dat God het hart van alle broeders en zusters door de overmacht van Zijn Geest en Woord tot elkaar moge brengen”.

Wellicht is er ook nog iets in dit boek, waar wij van kunnen leren.

Het boek heeft een titel, die een aanduiding wil zijn van wat de vrijgemaakten in de veertiger jaren dreef en wat ook nu het kerkelijk handelen beheersen moet. „Het is immers zo, dat die Vrijmaking naar haar diepste motief en uiteindelijke bedoeling wilde zijn een trouw blijven aan Christus en Diens vergaderen van Zijn kerk.”

In het eerste hoofdstuk wordt de Vrijmaking zo besproken, dat het accent valt op het trouw blijven aan de gereformeerde confessionaliteit. Het confessionalisme wordt scherp bestreden. Een echte confessionalist was bv. prof. dr. V. Hepp, die het dreigende deformatie noemde wanneer gangbare meningen werden prijsgegeven.

Veenhof tracht als volgt duidelijk te maken waar het de vrijgemaakten om ging: „Zij wilden aan niets gebonden zijn dan aan de oude, goede formulieren van enigheid. En daarom wilden zij hunnerzijds ook niemand aan iets anders binden dan daaraan. Zij vroegen voor zichzelf ,.„ruimte” ten aanzien van wat niet met zoveel woorden in de kerkelijke belijdenis was vastgesteld. En daarom wilden zij die „ruimte” ook aan anderen gunnen. Zij veroordeelden scherp alle schorsingen en afzettingen op grond van wat niet tot de confessie der kerk behoorde. En daarom wilden zij ook hunnerzijds niemand dáárom dat ver-schrikkelijkste van wat met ambtsdragers in Christus” kerk geschieden kan, aandoen” (blz. 90).

De vrijmaking is geen zaak om te verheerlijken en te verabsoluteren. De vrijmaking is als zodanig ook geen norm. Men kan en mag iemands kerkelijke trouw niet bepalen naar zijn beoordeling van de Vrijmaking als kerkhistorisch feit.

De Vrijmaking is evenmin een garantie voo blijvende trouw. Veenhof wijst erop, dat er in de harten van alle leden van de kerk een neiging leeft om zich op een daad, een zegen, een gave van God in het verleden te verhovaardigen en daarop te vertrouwen. Als de kerk in deze zonde verstrikt is, leeft ze in de houding van: God heeft ons in het verleden bijzonder gezegend, wij zijn toen zeer bevoorrecht, we werden toen, in onderscheiding van vele anderen, op het goede spoor gezet. En als we nu maar die daden en gevolgen ervan vasthouden en prijzen, is en blijft het met ons in orde! Wij calvinisten, wij gereformeerden!

Een van de facetten van de Vrijmaking is volgens Veenhof de grote ernst ervan. Wat in de Vrijmaking gezegd en gedaan werd, heeft de kracht van een eed. „Het was óók een eed toen we in en bij de Vrijmaking verzekerden, dat we de oude Geref. Kerken wilden blijven, en dus ook breed en oecumenisch en katholiek door de door Christus aangewezen basis der kerk niet te verbreden noch ook te verengen. In dit laatste concentreerde zich alles waar het in de Vrijmaking om ging” (175/176).

In het tweede hoofdstuk van zijP. boek wijst Veenhof allerlei gevaren aan die het vrijgemaakte kerkelijk leven — en niet alleen dat — bedreigen.

In het eerste hoofdstuk voert hij prof. dr. K. Schilder al dikwijls sprekend in, en in dit tweede hoofdstuk geeft hij woorden van waarschuwing en vermaning door van Schilder en Holwerda, mannen van groot gezag in de kerken van de Vrijmaking.

Niet minder van belang is de schets van wat blijkens de geschiedenis een reformatie kan tegenstaan en verderven (183-190).

Bij een reformatorische beweging sluiten zich ook altijd querulanten aan, die met ieder conflict meedoen, mensen met een sterke geldingsdrang en anderen, die de kerkelijke strijd niet op geestelijke wijze voeren.

Het is een gevaarlijk verschijnsel, dat men zichzelf als de „goeden”, de „trouwen”, de „waren” aandient: des Heren tempel zijn wij!

Een ander euvel is de opvatting dat trouw aan God en Zijn Woord betekent, dat men zich van alle anderen in ieder opzicht moet isoleren en zich in eigen kring moet terugtrekken. Deze introvertie leidt op haar beurt weer spoedig tot een ander kwaad: dat van de onderlinge nijd en twist.

Nog een zorgwekkend veschijnsel: de verenging ten aanzien van de leer, die haar ontstaan meestal te danken heeft aan het zweren bij de ideeën van een groot voorganger. Wie het waagt om daartegen in te gaan, wordt onherroepelijk gediskwalificeerd of zelfs uitgeworpen.

Soms wordt de band aan het verleden zo radikaal mogelijk doorgesneden. Men maakt zich geheel los van de broeders met v/ie men eens verbonden was. Men wil over heel de linie iets nieuws opbouwen.

In een gevaarlijk perfectionisme vergeet men, dat wij zondige mensen blijven, en oordeelt men met weergaloze hardheid over broeders wier fouten men tot misdrijven opblaast.

Tenslotte is er de negativistische tendens. Boven de eigen positieve boodschap domineert dan in eigen kring het antithetisch protest tegen de gemeenschap waardoor men litgestoten werd. Met argusogen volgt men wat daarin geschied. Wat daarin boos is, wordt in geuren en kleuren aan de kaak gesteld, terwijl wat in haar aan goeds openbaar wordt, zorgvuldig wordt verzwegen. Daarbij lijkt het erop, dat men de saambinding in eigen kring ook vooral zoekt in het gemeenschappelijk neen-zeggen tegen die andere gemeenschap. Wat men zelf aan geestelijke kracht mist, wordt gecompenseerd door het overbeklemtonen van het protest tegen de gemeenschap waarvan men vroeger deel uitmaakte. Maar deze stand van zaken is zeer bedenkelijk, omdat het wezen en de kracht van een reformatorische beweging voluit in het positieve ligt.

Veenhof kan zijn betoog illustreren met de geschiedenis van de kerken der Afscheiding na 1834. Er was verdachtmaking en wantrouwen. Conflicten om allerlei kwesties. Vijf scheuringen in dertien jaar!

De schrijver noemt in dit verband ook de Doleantie, maar hij zal toch wel speciaal het oog gehad hebben op zijn eigen kerkverband.

Onder het hoofd „Gevaren” wordt ook de „doorgaande reformatie” besproken. Hier onderstreept Veenhof de waarschuwing van Schilder tegen het zelotisme: het onverdraagzame en blinde ijveren voor eigen ideeën. De zeloten willen dat iedereen precies zo zal denken en doen als zij. Zij verstaan niets van de vrijheid die de kinderen Gods in Christus hebben.

De volgende paragraaf gaat over een ander onderwerp, waar veel over te doen is geweest: de samenspreking met de „gebonden” kerken. Wij denken aan de schorsing en afzetting van ds. Van der Ziel! Veenhof releveert het besluit van de tweede Generale Synode na de Vrijmaking (Groningen 1946) om de samenspreking niet te weigeren. Het moest een samenspreking zijn in kerkelijke stijl. Moeten broeders nu hierom tegenover elkaar staan?

Natuurlijk komt ook de vraag aan de orde, of men eigen kerk voor de ware kerk moet houden. Er zijn predikanten geweest, die beweerden dat de avond-maalstafel in hun kerk daar ter plaatse de enige wettige was, en dat men niet aan de avondmaalsviering mocht deelnemen, als men dat niet geloofde. Veenhof is het daar allerminst mee eens.

Er zou veel meer te noemen zijn. Nog één belangrijk punt: het ethisch conflict. Na de Vrijmaking stelden velen zich op het extreme standpunt, dat in gereformeerde organisaties onder geen beding niet-gereformeerden en vooral geen synodaal-gereformeerden als leden mochten worden toegelaten. Het „ethisch conflict” werd een dominerend motief voor het in het leven roepen van eigen organisaties. Veenhof zegt ervan: „Men besefte niet dat een dergelijk opereren met dat „ethisch conflict” voluit in strijd was met een gelovig leven uit het Evangelie” (298).

In een epiloog tracht de auteur in het kort uiteen te zetten, wat wij van de kerk geloven. Volgens onze belijdenis omvat de kerk van Chrisus alle ware gelovigen.

Men kan zeker niet zeggen, dat hier een eenzijdige nadruk gelegd wordt op het institutaire karakter van de kerk! „Om kerk te blijven” is in de eerste plaats bestemd voor leden van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). En het is te hopen dat naar de stem van prof. Veenhof geluisterd wordt. De gevaren, die hij signaleert, zijn zeer reëel. Er zijn echter tal van ambtsdragers en leden van deze kerken, die anders over de oorzaken van de crisis denken dan prof. Veenhof. Men zal hem verwijten, dat hij de situatie niet goed getekend heeft.

Hier en daar meende ik ook enige eenzijdigheid te bespeuren. In het eerste hoofdstuk is de spits van het betoog gericht tegen een wettische hantering van de belijdenis. Binding aan de belijdenis moet alleen binding zijn aan de duidelijke uitspraken van de confessie en niet aan interpretaties ervan of conclusies, die eruit getrokken worden. Er moet in de kerk ruimte zijn.

Maar in zijn vrees voor overschatting van de belijdenis sluit Veenhof zich aan bij Kuyper, die eens schreef — hij heeft ook andere dingen gezegd — dat hij de belijdenis alleen nodig achtte met het oog op de vijanden.

Tegen deze visie is bezwaar te maken. En men lost er de kwestie-Telder, waarbij functie en inhoud van de belijdenis (Zondag 22) in geding zijn, toch ook niet mee op!

In zijn afkeer van schorsing van ambtsdragers gaat Veenhof m.i. te ver, als hij schrijft (234), dat een kerk, die de pretentie voert ware kerk te zijn, alleen dan tot afsnijding van leden en tot afzeting van ambsdragers op grond van art. 79 en 80 der kerkorde mag overgaan, als het klaar is als de dag dat het daarbij gaat om mensen die zó verdorven en goddeloos, en in hun zonde zó verhard zijn dat er geen zweem van twijfel over bestaat dat ze, als ze eenmaal voor Gods rechterstoel verschijnen, door Hem zullen worden verdoemd.

Het is m.i. wel denkbaar, dat een ambtsdrager om een grove zonde wordt afge-zet zonder dat hij als lid van de gemeente wordt afgesneden. Maar Veenhof heeft wel gelijk, als hij bedoelt dat men zeer voorzichtig moet zijn in het toepassen van de kerkelijke tucht.

Een van de dingen, die wij ook als tot ons gezegd kunnen beschouwen, is de waarschuwing om de enigheid des geloofs niet om te zetten in een eenheid in getrouwheid. Geloof en trouw gaan samen. De kerk is echter geen vergadering van de trouwen of van de trouwsten, zij is de vergadering der gelovigen. Wie met de gedachte getrouwer te zijn over anderen oordeelt, valt maar al te spoedig in de strik van de geestelijke hoogmoed.

Het pleidooi van Veenhof voor de handhaving van de katholiciteit van de kerk zal hopelijk bij alle gereformeerden weerklank vinden. Ook wij moeten ervan doordrongen zijn, dat de kerk, haar doopvont, haar avondmaalstafel en haar kansel geen zaak zijn van smaak of ligging, karakter of stand.

Schilder zei kort na de Vrijmaking — het is een van de sprekende citaten in dit boek: „Wij zweren een dure eed die aldus luidt: Waar ook en wanneer ook wij gaan staan in een kerkformatie, hoe ze ook heet of heten kan: het zal niet aan ons zelf mogen liggen, als er één man of één vrouw of één kind buiten blijft, waarvan God zegt: hij moet er binnen wezen” (177).

Het is aan de kerk eigen om katholiek te zijn in de zin waarin onze Nederlandse Geloofsbelijdenis erover spreekt. De eenheid zal een eenheid in verscheidenheid zijn. De eensgezindheid, die er naar het Woord van God moet zijn, betekent niet dat het een kerk van enkel gelijkgezinden wordt.

Omdat de kerk in wezen een heilige vergadering der ware Christgelovigen is, kunnen wij met Veenhof zeggen, dat het gaat om een leven in en uit en met en voor en om en naar Christus.

Het is zaak om zo kerk te blijven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.