+ Meer informatie

WAT IS DE JUISTE VISIE OP HET VERBOND?

14 minuten leestijd

Leeruitspraken van de Gereformeerde Kerken

Het bekende bezwaarschrift tegen de vereniging van 1892 spreekt van een overwegend bezwaar: voor gereformeerd te erkennen wat door voorgangers van de dolerende kerken in de laatste tijd in het publiek is uitgesproken en geleerd omtrent de wedergeboorte en de heilige doop. Daarmee wordt gedoeld op stellingen van dr. A. Kuyper en zijn geestverwanten, die alles te maken hadden met hun visie op het genadeverbond.

De eeuwige raad van God was het uitgangspunt van Kuyper. Men moet het verbond in het licht van de verkiezing zien. Wie niet uitverkoren is, is in schijn een bondgenoot en zijn doop is maar een schijndoop. Bij de doop, die als teken en zegel bij het verbond hoort, gaat het om de uitverkorenen, wier geloofsvermogen erdoor versterkt wordt. Men moet aannemen, dat zij al wedergeboren zijn, maar er rekening mee houden, dat de wedergeboorte nog lang sluimeren kan.

Kuyper was zo overtuigd van de juistheid van zijn leer, dat hij in zijn verklaring van de Heidelbergse Catechismus kon schrijven: “Maar volhardt iemand desniettemin in de opinie, dat een kind zou mogen gedoopt, zonder dat daarbij zijn uitverkiezing ondersteld wierd, en alsof eerst in den volwassene net genadewerk Gods kon beginnen, dien zeggen we aan dat hij met geen eerlijke consciëntie in de gereformeerde kerken blijven kan”. De praktische consequentie is: “Ge hebt dus van kindsbeen af, in huis en op school, ook al merkt ge van uw wedergeboorte nog niets, u voor uzelven te beschouwen als een kind, waarin die wonderdaad Gods geschied is” (E Voto, III, 1894, blz. 54 en 76).

Ook na 1892 is hier veel over te doen geweest. Wat de synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland er in 1905 over gezegd heeft, draagt het karakter van een compromis. Het verhaal over 1905 is te lang om het nu te verteilen, maar de kern van de zaak is, dat volgens de belijdenis het zaad des verbonds krachtens de belofte Gods te houden is voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat bij het opwassen uit hun wandel of leer het tegendeel blijkt (Acta, art. 158).

Wie studie maakt van de gehele synodale verklaring, zal daarin verschillende elementen opmerken, waartussen een duidelijke spanning bestaat. Zo is de synode ook van mening, dat elk uitverkoren kind daarom reeds vóór de doop metterdaad wedergeboren zou zijn, noch op grand van de Schrift noch op grand van de belijdenis te bewijzen is. Maar ook bij deze reserve ligt erin opgesloten, dat de verbondsgemeente als de uitverkoren gemeente gezien wordt.

Prof. J.J. van der Schuit paste eens een beeld van Spurgeon toe op het compromis van 1905. In een advertentie werden jassen aangeboden die men van twee zijden kon dragen. In 1905 hebben de voormannen aan de weefstoel gezeten en de stof gevonden en kundig verwerkt voor een jas waarmee de man van 1834, maar ook die van 1886 tevreden is. Ze keren het kledingstuk naar beider believen om en zeggen, dat het toch een prachtig jasje is en dat het goed in elkaar zit (Na vijf en twintig jaren, 1919, blz. 163).

Dr. Abraham Kuyper heeft een geweldige invloed gehad. Van zijn zienswijze is niet alles, maar wel veel in de verklaring van 1905 terug te vinden. De ontwikkeling ging door en de gedachte, dat men in de verbondsleer van de eeuwige verkiezing moet uitgaan, werd dominerend. Er bestanden wel andere opvattingen, maar in 1942 heeft de synode de belangrijkste zinsnede van de vroegere uitspraak herhaald. Zij meende daar redenen voor te hebben. Vanwege de bestrijding ervan door dr. K. Schilder, dr. S. Greijdanus en anderen is later bepaald, dat de classes zich er bij de examens van moesten vergewissen, dat de kandidaten met de leeruitspraken instemden. Uit diverse stukken blijkt, dat de verbondsleer van de Gereformeerde Kerken in die jaren gedragen werd door een theologie, die herkenbaar was aan schema’s en constructies als die van een onvoorwaardelijke heilsbelofte aan de uitverkorenen, die de speciale inhoud van verbond en sacrament vormt, met daarnaast een voorwaardelijke belofte of aanbieding van het heil, die tot allen komt. In de periode waarin de “vervangingsformule” bindend gezag had (1946-1959), was het in wezen niet anders, al werden andere uitdrukkingen gebruikt. In de geschriften van de voorstanders van de besluiten van de synode speelt een beroep op Jeremia 31-34 een grate rol.

Volgens het rapport dat in 1937 op de synode van onze kerken diende (zie Ambtelijk Contact, nov. 1993, blz. 281), is de leer van de veronderstelde wedergeboorte, zoals zij door Kuyper is voorgedragen èn zoals zij in 1905 is voorgesteld, niet bijbels. Er is sprake van een onschriftuurlijke verbondsleer, waarvan de gevolgen ernstig zijn: geestelijke oppervlakkigheid, valse gerustheid en zorgeloosheid.

In het rapport van 1937 valt dit laatste onder de bezwaren die betrekking hebben op het praktische leven. Het hoofdbezwaar is van confessionele aard. Het is niet alleen het goed recht, maar ook de roeping van een synode om zo sterk de nadruk te leggen op de confessie.

Terwijl de synode van de Gereformeerde Kerken in 1905 en later voor haar leer van het verbond en voor haar beschouwing van de kinderen van het verbond steun dacht te vinden in de belijdenis, moet ervan gezegd worden, dat zij juist niet in overeenstemming is met de Heilige Schrift en met de gereformeerde belijdenis.

De verbondsleer van de Gereformeerde Gemeenten

1905 was in de Gereformeerde Kerken een belangrijk jaartal en 1931 was het in de Gereformeerde Gemeenten. Hier waren het geen interne spanningen of conflicten over de leer die de synode aanleiding gaven om een zestal leeruitspraken te doen over het verbond. Er is veeleer verband met de polemiek van ds. G.H. Kersten, die ds. J. Jongeleen en prof. J.J. van der Schuit was gaan bestrijden. Een afbakening scheen nodig te zijn.

Volgens de eerste stelling van 1931 staat net verbond der genade onder de beheersmg van de uitverkiezing ter zaligheid. Verder wordt met een beroep op Romeinen 5 geleerd, dat Christus net Hoofd van het genadeverbond is, zoals Adam het hoofd van het werkverbond was.

Ds. Kersten heeft zowel organisatorisch als theologisch een Stempel gezet op de Gereformeerde Gemeenten. Hij is wel eens met dr. Kuyper vergeleken. Er zijn inderdaad parallellen. Bij beiden treffen we een supralapsarisch voorstelling van de uitverkiezing aan.

Bij Kersten hebben alleen de uitverkorenen recht op de weldaden van het verbond en zijn de beloften uitsluitend voor hen. Wie het zoals Jongeleen en Van der Schuit anders stellen, zijn van “praktisch remonstrantisme” te verdenken. Zij beroven het verbond van alle zaligmakende kracht.

We moeten niet uit het oog verliezen, dat de synode van 1931 ook sprak over een bediening of openbaringsvorm van het genadeverbond, die niet alleen de uitverkorenen omvat, maar ook anderen. Tot hen komt de ernstige aanbieding van Christus en de verbondsweldaden in het evangelie. Daar worden teksten bij genoemd als Ezechiël 33:11 en Openbaring 22:17.

Sommigen waren niet gelukkig met de uitspraken van de synode, maar konden er toch mee leven, omdat zij de bediening van het verbond en de aanbieding in het evangelie mochten beklemtonen. De meesten konden zich geheel verenigen met de dogmatische inzichten van Kersten en dus ook met diens leer van de uitverkiezing en van de subjectieve oprichting van het verbond met de uitverkorenen, doordat zij door wedergeboorte en geloof in het verbond ingelijfd worden.

Het gevolg is, dat de nadruk op de beleving van het verbond valt en dat de wedergeboorte sterk naar voren komt met de kenmerken ervan, waaraan ieder zich te toetsen heeft, zoals Kersten in zijn dogmatiek zegt.

Nadat dr. C. Steenblok uit de Gereformeerde Kerken overgekomen was en docent geworden was aan de Theologische School in Rotterdam, zijn de Gereformeerde Gemeenten nog verder gegaan op de ingeslagen weg. De schorsing van ds. R. Kok te Veenendaal, waartoe het in 1950 kwam, is daarvan een bewijs. Hij werd aangeklaagd wegens vereenzelviging van aanbieding en belofte der zaligheid, verwarde voorstelling inzake het gebruik van wet en evangelie en een verwarde verbondsbeschouwing. In feite wordt de toezegging aan alle gedoopten gedaan. De synode wilde niet weten van deze “vereenzelviging van de beloften met het aanbod der genade”. Op haar standpunt zijn de beloften van het verbond geen beloften voor de gehele gemeente, maar alleen voor de uitverkorenen.

De naam van dr. Steenblok werd al genoemd. Hij was een van de grootste tegenstanders van ds. Kok. Het is opmerkelijk, dat ook hij buiten de Gereformeerde Gemeenten kwam te staan. Dat gebeurde in 1953, toen de synode vond, dat hij geen docent kon blijven, en dat niet wegens onrechtzinnigheid in de leer, maar wegens eenzijdigheid in zijn onderwijs. Steenblok onttrok zich daarop aan het kerkverband, gevolgd door een aantal ambtsdragers en gemeenteleden. Zo ontstonden de Gereformeerde Gemeenten in Nederland.

Van wat in 1931 geleerd werd over de bediening van het verbond en de aanbieding van Christus en de verbondsweldaden in het evangelie, blijft bij Steenblok en zijn volgelingen weinig of niets over. De bediening van het verbond bevat bij hen geen nodiging meer. Alleen die prediking wordt schriftuurlijk geacht die de wet als kenbron van de eilende vooropstelt. Men mag de kostbare belofte niet “te grabbel” gooien.

Hoe staan wij ertegenover?

Wie de verkiezing en het verbond in één lijn ziet liggen, kan bij de verkiezing beginnen en zeggen: God richt zijn verbond alleen met de uitverkorenen op. Waar de verkiezing is, is het verbond. Men mag dan niet leren dat Gods beloften een pleitgrond zijn voor de gehele gemeente, zowel voor de gelovigen als voor hun kinderen, want de beloften van Gods verbond zijn alleen bestemd voor het uitverkoren deel. Het gaat erom te weten te komen, dat men daartoe behoort.

Het is ook mogelijk om bij de verbondsgemeente en bij de doop als teken en zegel van Gods verbond te beginnen en te zeggen: Waar het verbond is, is de verkiezing. De verkiezing is daar althans te veronderstellen evenals de wedergeboorte en het geloof. De beloften van het verbond zijn wel degelijk voor de gehele gemeente en wat God belooft, geeft Hij ook. En wat vraagt Hij van ons dan nog meer dan dankbaarheid?

Bij deze tweede voorstelling, die we vooral kennen uit de Gereformeerde Kerken, signaleerde het rapport van 1937 het gevaar van valse gerustheid en zorgeloosheid. De eerste voorstelling, die kenmerkend is voor de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika en nog meer voor de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, werkt de lijdelijkheid en onzekerheid in de hand. Wat kan iemand dan nog meer doen dan hopen en wachten?

Dit alles is bedenkelijk genoeg, maar beslissend is wat de Heilige Schrift van het verbond zegt.

Wat de apostel Paulus in Romeinen 5 leert, is van het grootste gewicht. Hij spreekt daar echter niet over het verbond der genade. Het woord “verbond” komt in dit hoofdstuk niet voor. Voor de verbondsleer moeten we allereerst bij het boek Genesis zijn. God richt zijn verbond op met Abraham en zijn nakomelingen om hem en zijn nageslacht tot een God te zijn (Gen. 17:7).

In Romeinen 9 zegt Paulus van Israël: “Hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften” maar ook: “Niet allen die van Israël afstammen, zijn Israël’” (Rom. 9:4 en 6). Daarbij merkt Calvijn in zijn commentaar op, dat de belofte van de zaligheid die aan Abraham gegeven was, zich tot al zijn nakomelingen uitstrekt, omdat zij aan allen zonder uitzondering aangeboden wordt. Maar er zijn er die geloven en er zijn er die niet geloven. Calvijn voegt er daarom aan toe, dat zij in wie de kracht en de uitwerking van de gelofte zich openbaren, in eigenlijke zin kinderen der belofte genoemd worden. Het verschil dat onmiskenbaar is, heeft geen betrekking op de aanbieding van de belofte, maar op de vervulling ervan.

Het nieuwe verbond, waarover het in Jeremia 31:31-34 gaat, is geen ander verbond dan het verbond dat de Here met zijn volk had opgericht. De belofte: “Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn, is de belofte die al in de dagen van Mozes gold (zie Lev. 26:12). God vernieuwt zijn verbond en daardoor wordt het heerlijker dan het was (zie 2 Kor. 3:7-11), maar Hij gaat in de nieuwe verbondsbedeling niet anders met zijn volk om dan eerst. Beloften als die van Jeremia 31 schenkt Hij niet alleen aan hen die tot het eeuwige leven verkoren zijn. Het zijn toezeggingen die in het geloof ontvangen en beantwoord moeten worden.

Er zijn in de Bijbel beloften die profetieën zijn. Ze dragen een onvoorwaardelijk karakter. Zo was de vervulling van de belofte van de komst van de messias er niet van afhankelijk hoe mensen erop reageerden. Binnen het kader van het verbond is de belofte echter geen voorzegging van wat God zeker zal doen, wat het antwoord van de mens ook is, maar een toezegging, waarbij het op het geloof aankomt. De toezegging vraagt om de toeëigening. Met de belofte gaat de eis van het verbond samen. Deze eis van geloof en gehoorzaamheid is een genadige eis, want wat de Here van ons vraagt, wil Hij ons geven door zijn Heilige Geest, die het geloof in onze harten werkt en versterkt. De Heilige Geest doet ons geloven wat God ons in zijn genade heeft willen beloven. Hij eigent ons toe wat wij in Christus hebben: de afwassing van onze zonden en de dagelijkse vernieuwing van ons leven (doopformulier).

Het is onbijbels om de eis en de belofte van God te scheiden, zoals dat gebeurt waar de eis van de bekering aan allen voorbehouden wordt, maar de belofte niet. Hier en daar verandert de eis dan zelfs in een wens, omdat de mens zich toch niet kan bekeren. Mocht God het eens geven… Daarmee wordt afbreuk gedaan aan onze verantwoordelijkheid.

In de vele gesprekken over het genadeverbond en alles wat ermee samenhangt, is er onzerzijds telkens op gewezen, dat het heil ons in de belofte van het verbond niet alleen wordt voorgesteld, maar ook aangeboden en geschonken. Wat God ons in de belofte schenkt, kan alleen door het geloof ons deel worden. De nadruk valt bij deze benadering zowel op de werkelijkheid van de verbondsrelatie als op de onmisbaarheid van de verbondsbeleving, dus zowel op de rijkdom van wat ons toegezegd is als op de noodzakelijkheid van de vervulling van de beloften van God in ons leven. Het gaat om de door de Heilige Geest bewerkte persoonlijke levensgemeenschap met God door de Middelaar van het verbond, onze Here Jezus Christus.

In de leer van het verbond kan de uitverkiezing niet het uitgangspunt zijn, laat staan dat de verbondsleer erdoor beheerst zou kunnen worden. We komen wel bij de verkiezing uit. Het is de vrucht van de verkiezing, dat mensen geloven in Christus en in net beloofde heil delen. Er is een gemeente die tot het eeuwige leven verkoren is.

In het verbond dat Hij in Christus met ons opricht, ontmoeten wij de Vader van onze Here Jezus Christus, die ons, hoewel wij van nature kinderen des tooms zijn (Ef. 2:3), in zijn verkiezende liefde tot zijn kinderen maakt.

Slotopmerkingen

We moeten Kuyper dus niet volgen en Kersten evenmin. Het is wel een feit, dat zij voorlopers hebben gehad en dat er in de oude gereformeerde theologie, zowel in Nederland als in Schotland, aanknopingspunten voor hun beschouwingen te vinden zijn. Niet voor niets werd Voetius door Kuyper geprezen en was Comrie voor Kersten een autoriteit.

Belangrijker dan de geschiedenis van de gereformeerde theologie is de gereformeerde belijdenis. Daarbij staan wij voor het probleem, dat menigeen erin leest wat hij zelf over het verbond leert. De gesprekken die daarover gevoerd zijn, liepen meer dan eens vast, maar ze zijn daarom niet overbodig. Ik meen staande te kunnen houden, dat Kuyper de gereformeerde belijdenis niet aan zijn zijde heeft en Kersten ook niet. Er zijn nog heel andere beschouwingen over het verbond en die kunnen allerminst gereformeerd genoemd worden. We denken dan aan de opvattingen van Barth, Berkhof, Kuitert en anderen. Zij hebben ook invloed!

Hier biedt een gesprek veel minder perspectief, omdat er een principieel verschil bestaat over het gezag van de Schrift. Het beroep op de confessie zegt dan ook al weinig.

Misschien hebben wij de indruk, dat de aandacht zich in deze tijd minder op het verbond richt dan vroeger. Er verandert veel. Men kan aan de vastheid van Gods verbond voorbijgaan en aan eigen ervaring meer betekenis toekennen dan aan de beloften van God. Dat verschijnsel doet zich veel voor, al is het niet nieuw.

Het is zeker niet verblijdend, als de vragen over het verbond door welke oorzaak ook op de achtergrond raken. Het gaat in de kerk ook nu om een bijbelse visie op Gods verbond en vooral om een gelovig leven in de verbondsgemeenschap met de Here, onze God.

Hij heeft aan zijn volk verlossing gezonden,
Hij heeft zijn verbond voor eeuwig verordend;
heilig en geducht is zijn naam (Ps. 111:9)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.