+ Meer informatie

KERKNIEUWS

5 minuten leestijd

SLIEDRECHT-CENTRUM

Ook ontvingen we: Dank en bede, uitgave ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk Sliedrecht-Centrum.

Uit het voorwoord van de kerkeraad nemen we het volgende over:

Onverdiende weldaden en zegeningen heeft de Heere ons in de 75 jaar, die achterliggen, geschonken. Ze te overdenken is bctamelijk. De Heere heeft niet gedaan naar verdienste. Hij heeft de arbeid van Zijn ambtsdragers willen zegenen. Hij was een vergevend en een gevend God. Dat in ons leve: „EbenHaëzer”, tot hiertoe heeft de Heere geholpen. De bede zij ook aanwezig: „Heere, trek verder met onsen onze kinderen op. Laat Uw werk bij den voortduur onder ons zijn tot Uw eer en onze zaligheid”.

Uit het historisch ovezicht blijkt, dat deze kerk oorspronkelijk een Oud-Gereformeerde Gemeente was. Onder Ds. J. van Drunen had de aansluiting bij het verband van Christelijke Gereformeerde Kerken plaats. De gemeente heeft moeilijke tijden doorgemaakt. Er is een tijd geweest, dat er soms niet meer dan 55 kerkgangers waren. Verschillende predikanten hebben na Ds. Van Drunen de gemeente gediend en wel J. D. Barth, J. P. Vreugdenhil, T. A. Bakker, J. A. Riekel, C. Smits (driemaal) en E. du Marchie van Voorthuizen. Nu is Ds. M.C. Tanis er predikant. De gemeente is thans één van de grootste van het kerkverband. De bearbeiding is niet zonder zegen geweest.

Het boekje bevat ook de preek, die Ds. Tanis op zondag 21 september 1969 ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan hield over Psalm 48 : 10 en Habakuk 3 : 2m.

Ds. Tanis zei o.a.: We lezen in de notulen, dat men vanwege het beginsel Christ. Geref. Kerk is geworden. De overgang is dus een beginselkwestie geweest. Dit beginsel is een konfessioneel beginsel. Dit beginsel is een bijbels beginsel. Immers, wat is het principe van 1834? Dat in de prediking doorklinkt de boodschap Gods. De boodschap, die vervat ligt in de tekst. Dus er moet zijn een verklaring van de tekst en een toepassing van de tekst. Samengevat komen we tot dit woord: er moet zijn een schriftuurlijke-bevindelijke prediking. Het beginsel van 1834 is, dat niet alleen uiteengezet wordt het werk van God voor de zondaar, maar ook dat verduidelijkt wordt het werk van God in de zondaar. Wie het heil verworven heeft en hoe de Heere plaats maakt voor dat heil in het hart van de zondaar. In welke weg dat heil wordt toegepast. Het beginsel van 1834 is ook dit, dat zuiver gesteld wordt wat God leert aangaande Zijn kerk. Dat er is een schriftuurlijke visie op Gods verbond en de Sakramenten.

We willen nog iets uit deze preek aanhalen:

Zijn er vandaag ook geen ontzettende gevaren? Dreigende gevaren? Neemt de sekularisatie niet hand over hand toe? Worden de grenzen, die er zijn tussen kerk en wereld, niet al meer uitgewist? Wat jaren voor vast en bondig werd gehouden, dat is nu traditie. En van traditie moeten we algeheel af! Vandaar dat in menig gezin een wereldse geest heerst. Wat het ethische leven betreft wordt een ruim, een zeer ruim standpunt ingenomen. De Schrift is in het geding. Het disputabel stellen van de grondwaarheden van de Heilige Schrift. De Schriftkritiek is niet van de lucht. De wetenschap dringt zich op en de wetenschappelijke mens zal gaan uitmaken wat voor Woord Gods gehouden moet worden en hoe bepaalde Schriftgedeelten gezien en verklaard moeten worden. De evolutie-theorie verslaat zijn duizenden. Men ziet ook de verhorizontalisering der dingen. Veel wordt getrokken in het menselijke vlak. De vertikale lijn vervaagt of verdwijnt.

We bedoelen daarmee wat God moet doen in een zondaar tot zaligheid. Daardoor verdwijnt de noodzakelijkheid van wedergeboorte, bekering en geloof. Benadrukt wordt de medemenselijkheid. Daarop alleen moeten we ons richten in 1969. De relatie God en de mens is in orde We komen allen in de hemel, of het nu via christendom is of de Islam, of Hindoeïsme; allen bereiken de hemelpoort en gaan er zeker door. Er is een valse oecumene. Het heengroeien, het heenwerken naar een wereldkerk, met aan het hoofd de anti-christ. Men heeft een andere visie op reformatie en afscheiding. We moeten ons niet meer zo verdiepen in het verleden, maar leven bij het heden. Niet meer zo spreken over wat scheidt, maar wat bindt. We zouden zo nog wel door kunnen gaan. We hebben maar even enkele kernzaken aangestipt.

Wanneer we ons tijdsbeeld overzien, dan is er reden om verontrust te zijn. In welke tijd staan we niet met onze kinderen. Hebben we daar een oog voor, belijden we met Habakuk: „Uw werk, o Heere, behoud dat in het leven in het midden der jaren”? Want de satan pleegt geen aanslag op de wereld, maar op de kerk Gods. Op de jeugd der kerk. De jeugd, die de toekomst van de kerk vormt. Gebed moet er zijn voor de jeugd, opdat zij bij de kerk blijft en onze jongeren niet openbaar komen als verachters van het Woord, loslaters van het Woord van God. Zij in de wereldzee niet ondergaan. Dat de jeugd bedeeld worde met Gods genade, zodat zij allen staan in de vreze des Heeren. Uw werk, o Heere, behoud dat in het leven in het midden der jaren. Van beneden kan er geen verwachting zijn.

We geven deze ernstige woorden gaarne door aan anderen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.