+ Meer informatie

WAT HEBBEN WIJ TEGEN DE PAUS?

14 minuten leestijd

De komst van de paus

Nederland zat niet bepaald op een bezoek van paus Johannes Paulus II te wachten. Zouden de Nederlandse bisschoppen ernaar uitgezien hebben of zou hij zichzelf hebben uitgenodigd? Het lijkt erop dat het laatste het geval is.

Natuurlijk kan Johannes Paulus II zijn komst zonder meer aankondigen. Daar is hij paus voor. Maar als hij niet alleen een zelfbewuste, maar ook een verstandige paus is, let hij wel op diverse reacties.

We mogen aannemen, dat hij goed geïnformeerd is. Hij heeft immers zijn luisterposten. Dan zal het hem niet ontgaan zijn, dat hij met gemengde gevoelens ontvangen wordt. Waarschijnlijk is er nergens ter wereld zoveel verzet tegen zijn handelwijze als in Nederland.

Tal van rooms-katholieken zijn zelf verlegen met dit hoge bezoek. Wanneer de paus 25 jaar geleden een reis naar ons land had willen maken, zou hij met enthousiasme verwelkomd zijn. Het verschil is niet alleen dit, dat het toen Johannes XXIII was en nu JohannesPaulus II. Maar toen was de golf van vernieuwingen nog niet over het Nederlandse katholicisme heengegaan, terwijl nu heel veel op drift geraakt en onzeker geworden is.

Men beklaagt zich in Nederland over de politiek van het Vaticaan. Dat is in deze jaren echter heel wat minder veranderd dan de Nederlandse kerkprovincie zelf.

Tot de rooms-katholieken die protesteren tegen het bezoek van de paus, zou men kunnen zeggen: Wat had u dan van hem verwacht? U beschouwt hem als hoofd van de kerk. Dan mag hij toch ook laten merken dat hij dat is?

Uit het feit dat hij figuren tot bisschop benoemt die men in het bisdom zelf nooit gekozen zou hebben, is af te leiden dat de paus de zaken naar zijn hand wil zetten. Maar niemand kan hem het recht ontzeggen om de bisschoppen aan te wijzen die hij wenst, zolang het kerkelijk recht hem die bevoegdheid toekent.

Het is een voortzetting van het beleid van Rome. Toen De Nieuwe Katechismus in 1966 in opdracht van de Nederlandse bisschoppen verschenen was, heeft men er in Rome de grootste moeite mee gehad. Dat liep uit op een reeks wijzigingen, gedicteerd vanuit Rome: De Katechismus moet leren enz.

Toen er grote spanningen binnen het college van bisschoppen waren, werd er in Rome een bijzondere synode van bisschoppen gehouden, die zo samengesteld was, dat Gijsen van Roermond op steun kon rekenen. Dat gebeurde in 1980.

Als de paus nu laat weten dat hij niet komt om te discussiëren, maar om het geloof te vieren en te verkondigen, is dat alleen maar consequent, al is het de vraag of hij er iets mee bereikt.

Maar wie ertegen protesteert dat hij deze „kerkvisitatie” zo opvat en niets voelt voor een open gesprek, zou moeten protesteren tegen de machtspositie die de paus in zijn kerk heeft en dus tegen het primaat van de paus zelf. En wie niet van de paus wil weten, plaatst zichzelf buiten de door de paus bestuurde kerk!

Het bezoek van de paus brengt heel wat teweeg. Niet alleen in de Rooms-Katholieke Kerk had men zijn houding te bepalen, maar ook in de andere kerken. Konden zij hun opwachting gaan maken bij de paus?

Onze kerken hebben dat om principiële redenen geweigerd. Hetzelfde standpunt is door andere kerken van gereformeerde belijdenis ingenomen.

Maar wat hebben de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland geantwoord? De hervormde synode laat zich vertegenwoordigen, hoewel lang niet alle synodeleden daarmee instemmen. De synode van de Gereformeerde Kerken had echter geen bezwaar om de paus te ontmoeten. De uitnodiging is spontaan aanvaard!

In een interessant artikel in Evangelisch Commentaar van 22 maart 1985 heeft dr. H.J. Kouwenhoven, die praeses was van deze synode, dat willen verduidelijken. Hij noemde het een misverstand als zouden de gereformeerden niet meer staan achter wezenlijke bezwaren tegen het instituut van de paus: het typisch hiërarchische kerkbeeld, de onkwetsbare en ongenaakbare positie van het pausschap, de beschouwingen over paus en kerk en leergezag. Binnen deze kerk verkreeg het gezag van Gods Woord onvoldoende erkenning.

En toch acte de présence geven in Utrecht? Er staat boven het artikel van Kouwenhoven: Naïeve Gereformeerden? Het is m.i. meer dan naïef, als hij schrijft: „Wij wensen daarmee te onderstrepen, dat we ons met de r.k. kerk hier verbonden weten en aan die verbondenheid graag meer vorm en ook nog meer inhoud zouden willen geven”. Verbondenheid? Men zou willen weten, waarom Kouwenhoven niet wil zeggen, om welke redenen wij van de Rooms-Katholieke Kerk gescheiden zijn

In hetzelfde blad komt dr. W. Balke tot de slotsom, dat een bezoek van de paus, waarbij niets teruggenomen wordt van het pretentieuze roomse primaat, geen bijdrage is tot bevordering van de oecumene. „Alleen rondom een vrije en open Bijbel geschiedt het wonder van een echte oecumenische ontmoeting”.

Afwijzing van de pauselijke pretenties

De paus van Rome voert de pretentie, dat hij van God een macht heeft ontvangen zoals niemand anders die heeft. Veelzeggend zijn de titels die hij zich in de loop van de eeuwen heeft toegeëigend. Hier volgen er enkele.

1. Heilige Vader. Dit is de meest gangbare uitdrukking. De eerbied die men al vroeg had voor bisschoppen en die ook uitkomt in het woord „paus”, dat eigenlijk „vader” betekent, werd vooral betoond ten opzichte van de bisschop van Rome. De naam werd op de duur voor hem gereserveerd. Er is maar één heilige vader. Dat is „Zijne heiligheid”, de paus van Rome.

2. De geringste onder de dienaren van God. Dat is een merkwaardige titel, die de pausen zichzelf gaven in de aanhef van gewichtige documenten. De eigenlijke zin ervan is, dat de paus uitmunt in dienstbetoon. Het is een formule geworden, die zeggen wil, dat de paus zichzelf beschouwt als de voornaamste dienaar van God op aarde. Het is dus een aanduiding van het primaat van de paus.

3. Bisschop van de katholieke kerk. De paus is bisschop van de katholieke of ware kerk van Rome. Dat is de oorspronkelijke betekenis van deze naam. Maar toen Paulus VI de besluiten van het laatste concilie ondertekende met „Ik Paulus, bisschop van de katholieke Kerk”, was deze kerk voor hem de universele kerk. Een hiermee corresponderende benaming is die van universeel bisschop.

4. Opperste herder en leraar van de gehele kerk. Zo werd de paus door het Vaticaans concilie van 1870 genoemd, toen het de leer van zijn onfeilbaarheid vaststelde. Door het laatste concilie is dat herhaald. Als opperste leraar van de universele kerk verklaart of beschermt hij dan de leer van het katholieke geloof.

5. Zichtbaar Hoofd van het katholieke geloof. Dat is een naam die voorkomt in de officiële uiteenzetting van de leer van de kerk. In een roomse dogmatiek lezen we in verband met deze naam: Het onzichtbare Hoofd van de kerk is de verhoogde Christus. Hij gaf Petrus de sleutels: symbool van macht en heerschappij. Nu is de gehele kerk onderworpen aan de opvolger van Petrus op de „apostolische stoel”. Daarmee zijn we al bij de volgende titel.

6. Opvolger van Petrus. Met deze benaming is men zeer vertrouwd geraakt. Men denkt daarbij aan een onafgebroken rij van opvolgers van Petrus, aan wie dezelfde bevoegdheid zou zijn overgedragen.

7. Plaatsbekleder van Christus of Stedehouder van Christus. Hiermee gaat men nog weer verder dan met de andere betitelingen. Aanvankelijk kan het woord vicaris (het Latijnse vicarius) wel vertegenwoordiger betekend hebben, maar daar is het niet bij gebleven. In de middeleeuwen werd het een juridisch begrip, waar vooral Innocentius III, die een van de machtigste pausen was, een bepaalde inhoud aan gegeven heeft. Hij deed dat met de woorden: Wij zijn geen plaatsvervangers van Petrus of van een apostel of een mens, maar van Jezus Christus zelf. Het gaat bij deze titel om de macht die door een hoger gezag gedurende een periode van afwezigheid aan de plaatsvervanger wordt overgedragen. Dat gezag is dat van Christus (Congar).

Het woord antipapisme heeft een ongunstige klank gekregen. Maar reformatorische christenen moeten in de letterlijke zin van het woord antipapisten zijn. Zij kunnen de pretenties van de paus nooit aanvaarden.

Van een primaat in de zin van een gezag van Petrus over de andere apostelen is in het Nieuwe Testament geen sprake. De Here Jezus heeft wel eerst tot Petrus gezegd, dat Hij hem de sleutels van het koninkrijk der hemelen zou geven, maar Hij zei daarna in wezen hetzelfde tot de andere apostelen (Mat. 16: 19 en 18: 18). Van een onderwerping van de anderen aan Petrus is geen spoor te bekennen. Paulus heeft zich wel eens openlijk tegen Petrus verzet (Gal. 2: 11-14).

Nergens lezen wij, dat de apostelen hun ambt of hun bevoegdheid hebben overgedragen aan opvolgers. De apostolische successie is een bedenksel van mensen. Wel deden de apostelen kerkfunderend werk, waarop voortgebouwd moest worden. Dat gebeurt, als de kerk en haar ambtsdragers bij de leer van de apostelen blijven volharden (Hand. 2:42).

De paus zou de opperherder van de kerk zijn? Petrus noemt Christus de Opperherder (1 Petr. 5: 4).

De kerk heeft volgens de Schrift maar één Hoofd. De christenheid heeft geen ander Hoofd, kan ook geen ander Hoofd meer hebben dan de enige Zoon van God, Jezus Christus (Luther). Zo belijden wij ook in onze Confessie, dat Hij de enige, algemene Bisschop en het enige Hoofd van de kerk is (artikel 31).

De paus zou de plaatsbekleder van Christus op aarde zijn? Hoe bestaat het dat christenen dat kunnen beweren, terwijl er niets in de Schrift is, dat erop wijst, dat Christus Zich ook maar enigszins laat vervangen! Ook nu Hij in de henel is, regeert Hij zijn kerk zelf. Hij doet dat door zijn Woord en Geest. Hij gebruikt mensen in zijn dienst, aan wie Hij opdrachten geeft, maar dat is geen overdracht van macht!

Het toppunt van de pauselijke macht wordt bereikt in de zogenaamde onfeilbare leeruitspraken die hij kan doen. In 1950 heeft een paus daar gebruik van gemaakt om een nieuw dogma af te kondigen. Dergelijke definities van de paus heten onherroepelijk krachtens hun eigen aard en niet krachtens de instemming van de gelovigen. Ze zijn niet vatbaar voor beroep op enig ander oordeel.

Dat houdt in, dat de paus het laatste woord heeft, als hij met zijn volledige gezag gesproken heeft. Dan kan men zich tegenover hem niet meer beroepen op de Heilige Schrift of op een algemeen concilie.

Om met één woord aan te duiden welke plaats de paus in het geheel van het rooms-katholicisme inneemt, spreekt men van het primaat van de paus.

Nu zijn er wel pogingen gedaan om dat primaat meer aanvaardbaar te maken door het voor te stellen als een pastoraal primaat. Er is voor gepleit, dat de paus zelf van macht zou afzien. Maar zou het daartoe komen?? Een pauselijk primaat in de zin van een oppergezag van de paus is een wezenlijk element van de leer van Rome geworden.

Wij moeten het radicaal afwijzen. Om het primaat van het Woord van God verwerpen wij het primaat van de paus.

Wat stellen wij tegenover het pausdom?

Het pausdom vertoont kenmerken die sterk herinneren aan de middeleeuwen, toen bekwame kerkvorsten er het hunne toe bijdroegen, dat de kerk een monarchie werd met de paus aan het hoofd. Deze monarchie is een hiërarchie, een „heilig bestuur”. Volgens het concilie van Trente is het een door goddelijke ordening ingestelde hiërarchie, die bestaat uit bisschoppen, priesters en diakenen.

Daar stellen wij op bijbelse gronden tegenover, dat de kerk een Christocratie is. Christus regeert. Hij laat de kerkregering niet aan mensen over. Ambtsdragers, kerkeraden en kerkelijke vergaderingen hebben te beseffen, dat zij niets in de plaats van Christus mogen doen, maar alleen in zijn naam dienen te handelen.

Tegenover de hiërarchische inrichting van de kerk staat de presbyteriale kerkorde. Die naam wijst vooral op de eigen verantwoordelijkheid van de ouderlingen. Er schuilt waarheid in het gezegde van Noordmans: „Toen Calvijn op het bord de pion van de ouderling trok, zette hij daarmee de paus schaakmat”.

Terwijl alle belangrijke beslissingen bij een hiërarchische structuur van de kerk aan de top genomen worden en de gemeente onmondig is - het zijn maar „leken” - is een van de principes van de presbyteriale kerkregering, dat wij niet boven elkaar staan of over elkaar heersen. Dat beginsel komt treffend tot uitdrukking in artikel 85 van onze kerkorde: Geen kerk zal over andere kerken, geen dienaar over andere dienaren, geen ouderling of diaken over andere ouderlingen of diakenen enige heerschappij voeren. Onze eerste synode, die van Emden (1571), had dit zelfs vooropgesteld!

Hoe men een kerkelijke hiërarchie ooit verdedigen kan, is in het licht van Matt. 23: 8–11 een raadsel. Wij lezen daar: Gij zult u niet rabbi laten noemen; want één is uw Meester en gij zijt allen broeders.

Het is opmerkelijk, dat het Nieuwe Testament voor het ambtelijk werk een woord gebruikt dat in het minst niet duidt op een eervolle positie, laat staan op een machtspositie. Het is het woord dienen. Dat is karakteristiek voor onze plaats en onze taak in de kerk van Christus.

Dat sluit niet uit, dat er een gezaghebbend woord gesproken wordt. Er is een sleutelmacht. Maar die bestaat niet daarin dat de een het over de ander te zeggen heeft. „Want Christus heeft deze macht eigenlijk niet aan de mensen gegeven, maar aan zijn Woord, tot welks dienaren Hij de mensen gemaakt heeft” (Calvijn).

De taak van de ouderlingen gaat terug op wat het Nieuwe Testament van de oudsten van de gemeente zegt. Rome heeft van die presbyters of oudsten priesters gemaakt en van de opzieners bisschoppen. Een van die bisschoppen kreeg een eer en macht als geen ander: de paus.

Allen die deel uitmaken van de hiërarchie hebben bij Rome een hogere of lagere wijding. Zo wordt het priesterschap overgedragen door het sacrament van de priesterwijding. Wie priester zegt, zegt offer. Volgens de officiële leer is het de taak van de priesters het offer van Christus tegenwoordig te stellen en toe te passen in het offer van de mis.

Wij hebben op grond van de Heilige Schrift ook een heel andere visie op de eredienst. Voor Rome is het priesterschap en het „hogepriesterschap” van de bisschoppen onder leiding van de paus noodzakelijk voor de bemiddeling van de heilsgoederen.

Maar wij geloven, dat Christus onze enige Hogepriester is en dat wij voor ons heil in het geheel niet afhankelijk zijn van gewijde priesters. De nieuwtestamentische gemeente kent geen apart priesterdom, want zij is zelf een volk van priesters (1 Petr. 2: 5 en 9).

Er is nog iets. Het is voor ons als reformatorische christenen duidelijk genoeg, dat Rome met zijn paus en zijn hiërarchie, zijn priesters en zijn sacramenten tegen het Woord van God ingaat.

Wie van ons zou dan nog zeggen: We moesten ook maar een paus of een bisschop hebben - met minder macht natuurlijk - en we moesten er maar enige vrijheid in het kerkelijk leven voor opgeven?

Maar wanneer we leden van de Rooms-Katholieke Kerk ontmoeten, bemerken we, dat wij met een beroep op de Heilige Schrift bij hen zo weinig bereiken.

Dat hangt samen met het feit, dat Rome niet wil laten gelden dat de Schrift alleen de norm voor ons geloof en ons leven is. De Heilige Schrift heeft er wel gezag, maar altijd samen met de traditie en met het leraarsambt. Dat is door het laatste concilie nog als volgt geformuleerd: De heilige overlevering, de Heilige Schrift en het leraarsambt van de kerk blijken derhalve zo met elkaar verbonden en verenigd te zijn, dat het een zonder het ander geen stand houdt.

De kerk plaatst zich hier met haar leergezag naast de Schrift. Zij staat niet onder de Schrift. Misschien staat ze er wel boven!

Nu zijn we bij de kern van de kwestie. Wij zeggen met Luther, dat de kerk een schepping van het Woord is. En er is geen andere wijze om naar behoren in de kerk te leren dan naar het voorschrift en de regel van het Woord (Calvijn).

We moeten niet blijven staan bij het nogal omstreden optreden van paus Johannes Paulus II. Het gaat om het pausdom als zodanig. Maar met het pausdom is het hele rooms-katholicisme onlosmakelijk verbonden.

Als de paus naar Nederland komt, zou dat moeten leiden tot meer bezinning op de verhouding tot Rome. Wat hebben we tegen Rome te zeggen? Om kerk te zijn moet het zich richten naar het zuivere Woord van God, alle dingen die daarmee in strijd zijn verwerpen en Jezus Christus erkennen als het enige Hoofd.

Maar die woorden hebben wij niet in onze Nederlandse Geloofsbelijdenis staan (art. 29) om ze alleen aan anderen voor te houden en niet aan onszelf. Of zou daar bij ons niets aan ontbreken?

Als ambtsdragers en als kerken, persoonlijk en gemeenschappelijk hebben wij er ook zelf voortdurend ernst mee te maken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.