+ Meer informatie

Een gewaagde onderneming?

9 minuten leestijd

In ons landelijk orgaan de Wekker en in de classicale kerkbladen stond enige tijd geleden de aankondiging te lezen van de voorjaarsconferentie voor ouderlingen, die bij leven en welzijn op 22 april a.s. in Amersfoort zal worden gehouden. Uit diverse reacties heb ik begrepen dat het onderwerp voor deze conferentie „EENHEID IN VERSCHEIDENHEID” (een toetsing van onze eigen binnenkerkelijke situatie, toegespitst op de prediking) nogal de aandacht heeft getrokken en hier en daar zelfs enige verbazing heeft gewekt. Moet dat nu zo nodig? De kerken hebben de generale synode van 1977 op enkele moeilijke punten zonder noemenswaardige averij kunnen passeren. Roept men met een conferentie als nu is gepland de geesten weer niet op? Kennelijk leeft bij velen de vraag welke overwegingen het landelijk comité ter voorbereiding van ouderlingen- en diakenenconferenties er toe hebben gebracht om uitgerekend voor dit onderwerp te kiezen. In de korte toelichting waarvan de aankondiging in de bladen vergezeld ging werd daarover al iets gezegd. Binnen onze kerken — en we hebben daarin niet het alleenvertoningsrecht — bestaat in zaken van geloof en leven verschil in ligging en opvatting. En iedereen weet het, hier en daar nemen de verschillen soms het karakter van tegenstellingen aan, zo sterk, dat ambtsdragers er in hun ambtelijke praktijk moeite van ondervinden. Soms slagen zij erin tegenstellingen te overbruggen, vaak ook niet. Velen vragen zich af waar toch wel de brug ligt waarlangs men bij alle verschil in visie voor elkaar bereikbaar kan blijven.

Dit nummer van Ambtelijk Contact verschijnt in de eerste helft van april, vlak voor de aangekondigde voorjaarsconferentie. Ik meende van de gelegenheid gebruik te moeten maken in dit nummer nog wat meer toelichting te geven op dat wat het comité met de komende conferentie voor ogen staat.

Keuze genoeg.

’t Was niet door gebrek aan andere onderwerpen dat voor het bovengenoemde werd gekozen. De voorhanden zijnde lijst met onderwerpen was bepaald nog niet uitgeput, al blijven suggesties uit de kring van de ambtsdragers altijd welkom. Het comité is ten deze wel eens te veel op eigen vindingrijkheid aangewezen.

Aan de keuze van het aangekondigde onderwerp is een zorgvuldige afweging van voor- en nadelen vooraf gegaan. Is het verstandig voor een onderwerp te kiezen dat toch enigszins controversieel en emotioneel geladen is? Is er bovendien al niet genoeg aandacht aan besteed nadat de generale synode van 1974 de kerken vroeg in classicaal verband een gesprek over de binnenkerkelijke verschillen op gang te brengen? En als die gesprekken over de brede linie niet tot het beoogde doel hebben geleid, kan dan verwacht worden dat op een ééndaagse conferentie „het lek boven water wordt gebracht”? Deze laatste illusie had het comité bepaald niet, maar het meende zich in zijn keuze niet door vrees voor tegenstellingen of verscherping daarvan te moeten laten leiden. Naar het oordeel van het comité mogen we er geen vrede mee hebben dat we met onze binnenkerkelijke situatie niet verder kunnen komen dan hier en daar een gesprek, waarvan het resultaat beperkt blijft tot een inventarisatie van de bestaande verschillen, zonder dat punten van herkenning en wegen tot toenadering worden aangewezen.

Er mee leren leven?

Onze kerken teilen ambtsdragers die de opvatting huldigen dat we met de bestaande situatie maar moeten leren leven. Wie zich de kerkgeschiedenis sinds 1892 te binnen brengt kan niet anders dan vaststellen dat verschillen in visie op zaken van geloof en leven, zoals zich onder ons manifesteren, er in meer of mindere mate altijd zijn geweest en dat het een illusie is te menen dat deze ooit op te heffen zijn. In alle nuchterheid stelt men vast dat onze kerken, zeker in bepaalde delen van ons goede vaderland, de trekken van een „modaliteitenkerk” vertonen en het beste wat onder die omstandigheid kan worden bereikt, is dat men als plaatselijke kerken probeert vredig naast elkaar voort te bestaan. In zaken van algemeen belang kan er van tijd tot tijd nuttig overleg zijn. Dat zal er in bepaalde verbanden trouwens moeten zijn, maar in zaken van meer geestelijke aard kan men beter uit elkaars buurt blijven. Op deze wijze kan elke plaatselijke kerk het kerkelijk leven inrichten naar eigen opvattingen en standpunten en daarin gelukkig zijn. En bij dat alles kan er dan toch nog wel sprake zijn van een zekere aanvaarding van elkaar, omdat alle christelijke gereformeerde kerken op één heel belangrijk punt toch altijd herkenbaar voor elkaar zullen blijven, te weten in het streven om bij alles wat men doet of laat binnen de markering van Schrift en belijdenis te blijven. In elk geval kan daarin voldoende reden gelegen zijn om met elkaar in één kerkverband voort te leven, ook al hanteren we ten opzichte van predikanten van een signatuur waaraan wij ons niet verwant voelen, een soort stille censuur door hen van de Woordbediening in eigen gemeente uit te sluiten.

In gesprek blijven.

De broeders van het comité konden zich in deze redenering niet vinden. Naar ik meen terecht. Het zou de geloofwaardigheid van het Evangelie toch geweld aandoen, wanneer men vrede zou sluiten met een situatie, waarin binnen één kerkgemeenschap uit twee verschillende geestelijke werelden wordt geleefd, van waaruit men niet of nauwelijks tot elkaar kan overkomen. Er mag verschil zijn in aard en aanleg, in opvoeding en geestelijk milieu waarin men altijd heeft verkeerd, in ervaring en intelligentie, maar het is ondenkbaar dat men als christenen blijvend onherkenbaar voor elkaar is wanneer het aankomt op het meest wezenlijke waarom het in het leven van het geloof gaat. Dan moet er òf sprake zijn van hardnekkige misverstanden die historisch zijn gegroeid en die kennelijk moeilijk weg te nemen zijn, òf er is toch sprake van zeer wezenlijke verschillen die vanuit het Woord van God aanwijsbaar zijn en die, naar welke zijde dan ook,om correctie vragen. Welnu, het comité meende dat we als ámbtsdragers moesten proberen daarover nog eens met elkaar in gesprek te komen. De broeders hadden er geen twijfel over dat elke ambtsdrager die de gemeente van Christus een goed hart toedraagt tot dat gesprek van harte bereid zal zijn.

Prediking centraal.

Wat moet er dan op zo’n conferentie wel allemaal boven tafel komen? Ach, men kan misschien beter vragen wat er op zo’n dag allemaal boven tafel zal worden gebracht, want het zal een ieder vrij staan in alle openheid zijn gedachten uit te spreken. De inleidingen en de discussie zullen zich echter vooral richten op de prediking, waarbij als belangrijk element de gemeentebeschouwing naar voren zal komen. Wellicht zal op de conferentie blijken dat de meningen over deze dingen in theorie niet eens zover uiteen lopen, maar dat de verschillen ontstaan wanneer men met deze zaken in het vlak van de praktische geloofsbeleving komt en wanneer het aankomt op de vraag hoe die beschouwing zich uitwerkt in de prediking. Op de conferentie willen we samen zoeken naar een antwoord op de vraag of in de prediking in onze kerken nu werkelijk dingen aanwijsbaar zijn waarvan men kan en mag zeggen dat er aanleiding tot een gescheiden opstelling inzit. Wat is er teveel en wat ontbreekt? Is het bij wat we dan gemakshalve maar de meer „eigentijds” prekende dominees zullen noemen alleen een kwestie van de verpakking en worden wezenlijke dingen als schuldbesef, wedergeboorte, bekering e.d. in de verkondiging wel degelijk grondig aan de orde gesteld? Is de klacht naar de andere kant terecht dat de meer „behoudende” predikers in de prediking vaak de plat getreden paden van een verouderde terminologie gaan en de vragen van vandaag liefst maar uit de weg gaan? Worden de begrippen misschien wel met dezelfde naam aangeduid maar met een verschillende inhoud gevuld? Op deze vragen wil de conferentie zich richten. Niet op kwesties als ritmisch zingen, gezangen, bijbelvertalingen en wat de geesten verder kan bezig houden, maar allereerst en als het even kan alleen op dat wat het hart van onze eredienst vormt.

Drie voorwaarden.

Van een nuttige bezinning op 22 april a.s. zal sprake kunnen zijn wanneer het gesprek wordt gevoerd: a. onder Gods zegen en onder de klem van de Heilige Geest; b. na een goede voorbereiding door de beide inleiders die zich spontaan beschikbaar hebben gesteld en c. door conferentie-gangers die uit het Evangelie hebben geleerd hoe men in de gemeente van Christus met elkaar behoort om te gaan. Om met de juiste instelling aan de komende conferentie deel te nemen kan het nuttig zijn van tevoren Rom. 12, Filippenzen 3, Efeze 4, Hebr. 13 en Thess. 4 te lezen. Deze Schriftgedeelten worden misschien wel veel bepreekt, maar in het algemeen altijd nog te weinig beleefd. Het beeld van de gemeente uit 1 Corinthe 3 is eigenlijk het beeld van de gemeente van Christus van alle tijden. In dat hoofdstuk vallen kwalificaties als vleselijke mensen, onmondigen in Christus, onveranderde mensen die elk zo hun eigen idool er op na houden en die in hun verering van Paulus of Apollos zover gaan dat zij er onderling ruzie over maken. Wanneer dat misschien ook op de kerk van vandaag van toepassing is, is een ontmoeting als van de 22ste april alleen maar nodig.

Van een onbevangen naar elkaar luisteren, van een eerlijke weging van de argumenten van de ander zal alleen sprake kunnen zijn wanneer we bijeen zijn in de Geest van Christus. Deze Christus te kennen en lief te hebben betekent dat we in de onderlinge omgang voor elkaar herkenbaar zijn aan de vruchten oprechtheid. vroomheid, nederigheid en zachtmoedigheid en aan de bereidheid om het met elkaar meer dan één keer te proberen. Als we met deze instelling op 22 april a.s. naar Amersfoort komen is er de garantie dat we over de geestelijke dingen niet op vleselijke wijze bezig zullen zijn. Misschien wordt onder Gods zegen een gewaagde dan tot een geslaagde onderneming.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.