+ Meer informatie

De nieuwe Ordinantie voor het Diaconaat

10 minuten leestijd

De nieuwe ordinantie voor het Diaconaat wijkt in menig opzicht af van het oorspronkelijk ontwerp. Het oorspronkelijk ontwerp ging uit van de gedachte dat, waar in art. 3 werd bepaald dat de diakenen voorbereiders en uitvoerders zouden zijn van de besluiten van de Kerkeraad, dit ook het geval moest zijn met de Wijkdiakenen in de Wijkkerkeraden in gedecentraliseerde Gemeenten. Dit blijkt o.a. uit art. 9 van ord. 2 (oud) waarin als een der taken van de Wijkkerkeraad werd bepaald: De Diaconale zorg voor de bewoners der wijk, voorzover deze niet wordt overgedragen aan het Centraal Diaconaat. De Wijkkerkeraad kreeg hierin dus de bevoegdheid alle Diaconale zaken zelfstandig te behandelen. Deze bepaling zou dus niet alleen aan de diakenen hun zelfstandigheid ontnemen, maar zou ook tot gevolg hebben dat er in de behandeling van de Diaconale zaken in de Gemeente een grote chaos zou ontstaan, het onderling verband tussen de diakenen zou worden verbroken en alle systemen en eenheid van handelen zou ontbreken.

Zoals bekend hebben vooral de Diaconieën van de middelgrote Gemeenten zich onmiddellijk hiertegen verzet. In drie vergaderingen in Utrecht kwam dit zeer duidelijk tot uiting.

Leest men nu het nieuwe ontwerp dan moet worden erkend dat de Synode in belangrijke mate aan onze bezwaren is tegemoetgekomen. Wel blijven de diakenen, ingevolge art. 3 (nieuw), voorbereiders en uitvoerders van de besluiten van de Kerkeraad, maar dit geldt, blijkens hetgeen in volgende artikelen wordt bepaald, alleen in de kleine, z.g. éénmans gemeenten.

In art. 8 (nieuw) wordt nu bepaald dat aan de Diaconieën van de Wijkgemeenten wordt opgedragen o.a.: „De Diaconale zorg in de Wijkgemeente, voorzover deze niet berust bij de Centrale Diaconie”.

Hierin wordt dus bepaald dat deze zorg ook kan berusten bij de Centrale Diaconie, en of dit laatste al of niet het geval zal zijn wordt niet overgelaten aan het oordeel van de Wijkkerkeraad, maar wordt, krachtens lid 3 van dit artikel bepaald door de Grote Kerkeraad in een plaatselijke regeling.

Enigszins in strijd hiermee blijft echter nog de bepaling in art. 11 van de ord. 2 (nieuw) waarin als een der taken van de Wijkkerkeraad wordt genoemd: „De Diaconale zorg in de Wijkgemeente, voorzover deze niet wordt toevertrouwd aan de Centrale Diaconie”. Uit dit woord toevertrouwd valt te lezen dat de Wijkkerkeraad toch nog de bevoegdheid zou hebben die zorg al of niet aan de Centrale Diaconie toe te vertrouwen. Het lijkt ons niet alleen gewenst maar ook noodzakelijk dat in art. 11 van ord. 2 (nieuw) dezelfde bewoordingen worden gebruikt als in art. 8 van ord. 15 (nieuw), n.l. „voorzover deze niet berust bij de Centrale Diaconie”. Dan is er geen misverstand mogelijk en zal ook hier duidelijk blijken dat het de Grote Kerkeraad is die hierin de beslissing heeft.

In art. 8 (nieuw) wordt voorts in punt 6 bepaald dat aan de Centrale Diaconie in ieder geval wordt opgedragen:

„De zorg voor de algemene Diaconale belangen der Gemeente. Het beheer van de diaconale bezittingen en het voeren van de financiële administratie zowel ten behoeve van de Centrale Diaconie als van de Diaconieën der Wijkgemeenten.”

Hierin vooral komt tot uiting het grote verschil met het oorspronkelijke ontwerp. Op grond van de punten 3 en 6 van art. 8 behoort de door de Grote Kerkeraad vast te stellen plaatselijke regeling dus zo te worden opgemaakt dat in het algemeen de diaconale aangelegenheden wel in de Wijkkerkeraad kunnen worden besproken, maar dat de beslissing berust bij de Centrale Diaconie.

Om deze reden zijn de Leeuwarder Diakenen bereid de nieuwe ordinantie 15 in haar algemene strekking te aanvaarden.

Een enkele opmerking moge hier nog volgen.

In art. 3 wordt in punt 5 bepaald dat de diakenen zich telkens voor een tijdvak van ren hoogste vier jaar een voorzitter kiezen en een administrerend diaken. Dit „ten hoogste” kan dus ook betekenen één jaar of desnoods één maand. Dit is voor ons belangrijk daar wij in Leeuwarden sedert onheugelijke tijden de traditie hebben dat wij allen om de beurt, gedurende telkens 4 weken voorzitter zijn. Deze Voorzitter is dan tevens kassier en boekhouder. Bovendien is een van de andere broeders, telkens voor een jaar, belast met het beheer van de bezittingen. Deze toestand zouden wij gaarne willen bestendigen. Een moeilijkheid ontstaat nu waar in art. 8 in punt 4 wordt bepaald dat de Centrale Diaconie uit haar midden, telkens voor de duur van hun zittingstijd. een voorzitter enz. kiest. Waarom wordt ook hier niet gesproken van ten hoogste voor de duur van hun zittingstijd? Het komt ons voor dat hier een tegenstrijdigheid bestaat tussen de art. 3 en 8, en wij achten het gewenst dat hierin overeenstemming wordt gebracht. Als Diakenen kunnen wij dus dz nieuwe regeling aanvaarden. Wij zijn echter niet alleen Diakenen, wij zijn ook leden van de Kerkeraad, en krijgen in deze functie in de nieuwe Kerkorde nog meer bevoegdheden dan voorheen. Het kan ons dus niet onverschillig laten hoe de Kerkorde er uit zal zien, en hiermee bedoelden wij met name de kwestie van de Decentralisatie, of, zoals het nieuwe ontwerp het nu noemt de Centralisatie.

Bij het verschijnen van het nieuwe ontwerp heeft onze Kerkeraad zich opnieuw hierover beraden, en heeft geconstateerd dat men de vorming van wijkgemeenten nog op straffer wijze wil doorvoeren dan in het oude ontwerp. Bestond in het oude ontwerp nog de mogelijkheid, hoe klein ook, dat voor vijf jaren dispensatie kon worden verleend, thans is deze mogelijkheid vervallen, is althans teruggebracht tot gemeenten met minder dan 4 predikantsplaatsen. Men zie hierover de overgangsbepaling bij art. 16 lid 2 van ord. 2. Voor Gemeenten als Leeuwarden wordt de vorming van Wijkgemeenten met Wijkkcrkeraden dus dwingend voorgeschreven. Merkwaardig is het dat dit artikel 8 van ord. 2 deze vorming niet met zoveel woorden noemt, maar men gaat eenvoudig uit van de gedachte dat er Wijkgemeenten zijn en bouwt hierop de verdere regelingen. De Kerkeraad van Leeuwarden heeft besloten om zich tegen deze plannen te blijven verzetten. Hij heeft hiertoe bij de Classicale Vergadering een voorstel ingediend waarvan de strekking is dat in ord. 2 een nieuw artikel 8 wordt ingevoegd, waarin wordt bepaald dat de Gemeenten de bevoegdheid krijgen om inplaats van Wijkgemeenten met Wijkkerkeraden, alleen maar wijken te stichten, aan het hoofd waarvan een Wijkcollege staat. Dit is een regeling zoals die o.a. in Leeuwarden bestaat en welke uitstekend voldoet. De Kerkeraad wordt hierbij niet uit elkaar gerukt en het bestuur van de Gemeente blijft centraal geschieden. Zou later de wens opkomen om toch nog Wijkgemeenten met Wijkkerkeraden te stichten, dan kunnen de Kerkeraden, die dit het best zelf kunnen beoordelen hierover zelfstandig beslissen. Dit voorstel is in de Classicale Vergadering van 18 Jan. j.l. met grote meerderheid aanvaard, waarbij tevens werd besloten daarvoor de aandacht te vragen van de andere classes en belanghebbende Kerkeraden.

Mocht de Synode alsnog besluiten aan de wens van de Classis Leeuwarden tegemoet te komen, dan zal uiteraard ord. 15 een grondige wijziging moeten ondergaan. Met name zal art. 3 moeten worden herzien.

De Classis Leeuwarden heeft evenwel nog meer gedaan. Hij heeft zich ook beziggehouden met de kwestie van het aantal ambtsdragers. Deze aangelegenheid wordt geregeld in ord. I art. I sub. 4 en in ord. II art. 10 sub. 2. Merkwaardigerwijs is in deze beide lezingen geen eenstemmigheid.

In het ene artikel wordt bepaald dat er in iedere Gemeente minstens drie ouderlingen-Kerkvoogd moeten zijn en in het andere moeten er op iedere Predikant minstens drie zijn.

Voor wij hier verder op doorgaan, maar toch in sterk verband hiermee, moeten wij constateren dat wij in Leeuwarden, en vermoedelijk ook in andere Gemeenten, voor grote moeilijkheden komen te staan. De Gemeentelijke Dienst voor Sociale Zaken heeft n.l. met ingang van 18 Februari j.l. de steunnormen zeer belangrijk verhoogd. Het spreekt vanzelf dat wij hierin niet achter kunnen blijven. Doorvoering van deze maatregel zou evenwel onze uitgaven jaarlijks met ongeveer 10.000 gulden doen stijgen. Dit geld is absoluut niet te vinden. Het is een algemeen verschijnsel dat de opbrengst van de collecten terugloopt. Het is alsof de mensen denken: „Laat de Overheid het nu maar verder doen”. Maar zelfs al zouden de collecten op hetzelfde peil blijven, dan kwamen wij er nog niet! Neen, we zouden, gezien de meerdere uitgaven, vrij aanzienlijk moeten stijgen, en de mogelijkheid daartoe zien we niet. We zullen dus een vrij groot aantal gevallen van vaste wekelijkse uitkeringen naar de dienst van Sociale Zaken moeten overhevelen. We zijn hierover reeds met deze dienst in bespreking. Men moge dit betreuren, maar de feiten liggen er nu eenmaal. We blijven hiermee trouwens geheel in de lijn van het rapport van de Studiecommissie uit de Diaconale Raad. Op blz. 159 van Diakonia (November 1948) zegt de commissie dat zij: „na ampele besprekingen tot de overtuiging is gekomen, dat de Overheid geroepen is om de armen van de gehele burgerij te steunen, maar dat zij het recht en billijk acht om althans de Kerken vrij te laten een alzo gesteund gezin verder te helpen in een omvang en op een wijze zoals dit de Kerk goeddunkt . Hoewel er natuurlijk nog genoeg voor de Diaconieën te doen overblijft in de vorm van leniging van bijzondere noden, is het niet te ontkennen dat ons arbeidsveld inkrimpt, althans zich zo wijzigt dat het onnodig is het aantal Diakenen uit te breiden. Is het nu in dit licht bezien niet dwaas om in de nieuwe Kerkorde het minimum aantal Diakenen te verhogen van 2 op 3 per Predikant? Die 9 nieuwe Diakenen, die er in Leeuwarden zouden bijkomen, zouden bovendien alleen maar zitting hebben in de Wijkkerkeraden, want de Centrale Diaconie zou met het tegenwoordige aantal van 18 al groot genoeg zijn. En we hebben juist gezien dat de Diakenen in de Wijkkerkeraden maar een zeer beperkte taak hebben. Maar wat te denken van de sterke vermeerdering van het aantal Ouderlingen-Kerkvoogd. Dit College zou bij ons moeten worden uitgebreid van 7 op 27, minimum! Men stelle zich dat eens voor. Drie ouderlingen-Kerkvoogd in iedere wijk terwijl er in geen enkele buitenwijk een Kerk is. Wij hebben maar twee kerken in de binnenstad terwijl plannen zijn om in een der buitenwijken de derde kerk te bouwen. Als deze derde kerk er is, is ons vermogen tot verdere kerkbouw voor een reeks van jaren uitgeput. Als wij over 50 of 100 jaar daar wel toe in staat zullen zijn, is het nog tijd genoeg om het aantal ouderlingen-Kerkvoogd in overeenstemming te brengen met de nieuwe behoeften, maar dan is de Kerkeraad heus wel in staat dat zelf te beoordelen. Dit alles overwegende is de Classis Leeuwarden van oordeel dat per Predikant kan worden volstaan met minstens drie ouderlingen, twee diakenen en één ouderling-Kerkvoogd, met dien verstande dat er in iedere Gemeente van iedere categorie minstens drie moeten zijn.

Wij hopen van harte dat een en ander aanleiding moge zijn dat de leiding van onze Kerk dit alles nog eens ernstig overweegt, en dat andere Kerkeraden en Diaconieën die het met ons eens zijn, hiervan blijk zullen geven.

Leeuwarden,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.