+ Meer informatie

DE BESPREKING

8 minuten leestijd

Nadat ds. Visser zijn referaat had gehouden, was het tijd voor een uitwisseling van gedachten over het thema.

Ds. Visser had gezorgd voor een aantal discussievragen en stellingen, die als volgt luidden:

1. Geef een eerste reactie op de lezing.

- Wat sprak u aan? Wat sprak u niet aan?

- Waar bent u het mee eens? Waar bent u het niet mee eens?

- Wat hebt u geleerd?

- Wat hebt u niet begrepen?

2. Veel christenen gebruiken de uitdrukking ‘de tekenen der tijden’ anders dan het NT.

- Dat is geen probleem, want iedereen weet wat er met deze uitdrukking wordt bedoeld.

- Dat geeft een verkeerd toekomstbeeld. Daarom doen we er goed aan ons bij het nieuwtestamentisch spraakgebruik aan te sluiten.

3. De eindtijd is begonnen, want…

4. De wetsverachting is in de kerk groter en erger dan in de wereld. Wat vindt u van deze stelling? Waarin bestaat de wetsverachting van christenen?

5. In de CGK is er te weinig aandacht voor de komst van Christus.

- Als u het niet met deze stelling eens bent, waar blijkt de aandacht dan uit?

- Als u het wel met de stelling eens bent, hoe kan de aandacht dan toenemen?

- Hoe moet de aandacht gericht zijn?

- Hoe is dat bij u persoonlijk, en in uw gemeente en kerkenraad?

6. Welke opvattingen komt u in de gemeente tegen over de komst van Christus? Hoe gaat u daarmee om? Is er op dit punt kerkenraadsbeleid (nodig)?

7. Welke aandacht wordt — door u — in het kerkenraadswerk aan de komst van Christus gegeven?

In zes groepen werd direct na het referaat een eerste bespreking gehouden. Na de middagmaaltijd werd dit in plenair verband voortgezet. Daarbij kreeg de inleider de volgende vragen te verwerken:

- Ontbreekt de liefde meer en meer onder ons, gezien het gegeven dat er zoveel onder ons verkeerd gaat? Moet daar niet eens een goed gesprek over komen?

- Het letten op de tekenen der tijden raakte wat ondergesneeuwd; ook de toespitsing op onze tijd ontbrak. Er zit toch progressie in datgene wat we door de tijden heen meemaken? En hoe moet onze houding zijn t.o.v. zogenaamde Maranatha-gemeenten? En wat is de plaats van Israël in dit alles?

- Moeten we als kerken niet meer naar buiten treden en moeten we als kerkenraden niet meer toerusting hiertoe geven?

- In de prediking wordt wel aandacht gegeven aan de wederkomst, maar het klankbord ontbreekt nog wel eens.

- (bijna in tegenstelling tot de vorige vraag:) Hoe komt het dat in onze (en andere) kerken nagenoeg niet gepreekt wordt over en in het pastoraat aandacht besteed wordt aan de toekomstverwachting van Christus’ kerk? Komt dat omdat er weinig concreets over gezegd kan worden?

- Vallen de vernieuwing van hemel en aarde samen met de wederkomst van de Heiland, of spreekt de Schrift daar anders over? En hoe kan de gemeente naar dit alles verlangend gemaakt worden (het leven is vaak nog zo zoet)?

- Kan het zijn dat wij mensen door God worden ingeschakeld, dat wij heenwerken naar het moment van vernieuwing van hemel en aarde, doordat wij via natuurvergiftiging, uitbuiting van grondstoffen enz. de aarde dreigen te vernietigen? Alles raakt volgroeid en krijgt een toespitsing, ook de zonde…

- De tekenen der tijden: is het toch niet zo dat deze heftiger worden naarmate we verder doorschuiven in de tijd?

Ds. Visser reageerde als volgt op dit alles: vooraf het volgende: wij kunnen er onmogelijk een eschatologie op nahouden, in die zin dat wij precies zouden weten hoe het vanaf enig moment tot de wederkomst zal gaan. In de Schriften staat immers dat het zal zijn als in de dagen van Noach: de dingen gaan gewoon hun gang, en dan is het ineens zover. Het gaat om Jezus’ komst en Koninkrijk, en dan mogen wij daar uiteindelijk nog een plekje in hebben. Wij bezien het vaak andersom: de vragen draaien om onszélf in plaats van om het Koninkrijk van Christus.

Als we teveel accent leggen op hen die nog niet tot bekering zijn gekomen en die we nog zo graag toegevoegd willen zien aan de kring van hen die behouden worden, kan de Heiland nooit terugkomen. Dat is dus een verkeerde insteek van de dingen waar het vandaag om gaat, hoe begrijpelijk dat ook is. Over de tekenen der tijden en de toespitsing daarvan op onze tijd staan in het boek Openbaring veel gegevens, die echter onder christenen (ook reformatorische christenen) volstrekt verschillend geïnterpreteerd worden. Dat boek is echter bedoeld als een bemoediging aan de vervolgde christenen in die tijd. Zo mag het ook vandaag gelezen worden. Gods Koninkrijk zal komen; houdt dus moed. We kunnen er geen blauwdruk van de toekomst van maken. Naar de Maranatha-gemeenten toe kan gezegd worden dat we op fundamentele punten verschil van inzicht over de Schrift hebben: doop, visie op Israël enz. Ook intern zien we die verschillen trouwens. We weten één ding: Jezus is overwinnaar en Hij heeft gezegd: laatje niet door de duivel grijpen, waakt en houdt vol.

De vraag naar de plaats van Israël is een moeilijke. Het is het volk van Abraham, dat de Messias mocht voortbrengen. Dat doet ons ademloos naar dat volk kijken, maar nog meer naar de God van dat volk. Dan kunnen niet alle vragen eenduidig worden beantwoord. Misschien moet er eens een aparte conferentie over de inhoud en toepassing van de OT-ische profetieën gehouden worden?

Over de wetsverachting en het naar buiten treden: de christengemeente trad helemaal niet zo naar buiten; ze had de liefde van de Heiland in haar hart en dát was haar aantrekkingskracht. Dat ging als het ware vanzelf, zonder laagdrempelige diensten… Ziet toe dat je elkaar niet bijt en vereet, zo zegt de apostel Paulus. Zou dáár niet iets liggen in ons kerkelijk leven wat ons tot bekering dringt? Men moet in de buurt kunnen zien dat Jezus Christus in ons midden is; dat zal aantrekkingskracht geven.

Of over deze zaken te weinig wordt gepreekt, kan de inleider niet zo overzien. De klacht is er in ieder geval. Zelf maakte hij in dat verband een studie over 1 Thess. 4:13–18 (de kwestie over de opname). Maar als ambtsdragers kunt u het zeggen; u hoort uw eigen predikant uiteindelijk. Als het in het pastoraat te weinig aan de orde komt, is dat een punt dat u zich als ambtsdragers zelf kunt en moet aantrekken!

Over de vernieuwing van hemel en aarde en de wederkomst: laten we niet meer zeggen dan de Schrift zegt; dan mogen bepaalde vragen openblijven. Een toenemend aantal christenen spreekt over gebeurtenissen in twee fasen. Zelf is de inleider niet overtuigd van de kracht van de argumenten die in dat kader genoemd worden en meent hij dat het over een en dezelfde gebeurtenis gaat. Maar… laten in onze onderlinge gesprekken deze vragen niet overheersen; Jezus komt en dat is zo’n geweldige gebeurtenis dat er alle reden is om daarnaar uit te zien. We zullen dan vanzelf zien hoe dat concreet zal zijn. En laat zó het verlangen van de gemeente groeien, temidden van de mooie dingen die oud en jong op deze aarde nog mee mogen maken. Dat moet toch kunnen: het gaat om leven, leven met de Here en dat leven is goed omdat Hij het gegeven heeft; zo mag men ervan genieten, zij het gemengd: de zonde is er ook en alles wat daar aan gebrokenheid uit voortvloeit. Onze eigen verantwoordelijkheid in het toegroeien naar de wederkomst is het bouwen en bewaren van de aarde — het is het werk van Gods handen immers; in ons onvolkomen bezig zijn daarin zal God op een gegeven moment het einde uitroepen; wee ons als we dan ter verantwoording moeten worden geroepen, omdat we onzuiver daarmee omgegaan zijn (wetsverachting…).

De tekenen der tijden lijken inderdaad heftiger te worden; maar hoe komt dat? Omdat we zoveel van deze dingen kunnen waarnemen tegenwoordig via de moderne communicatiemogelijkheden? Het komt er slechts op aan dat we gereed zijn voor het grote moment! Hier ‘beneden’ is het paradijs niet, en komt ook niet op grond van onze menselijke inspanningen. Maran atha en daarom marana tha! Hiermee beëindigde ds. Visser de beantwoorden van de hem gestelde vragen.

Na dit alles was het woord aan de predikant van de plaatselijke gemeente van Nijkerk, ds. H.D. Rietveld. Hij vroeg nog een keer aandacht voor de prediking over de wederkomst. Met name bij avondmaalsvieringen, bij bepaalde zondagen van de catechismus en in de adventstijd zal de roep om de komst van Heiland toch klinken! En dat is van belang, want het is het instrument in Gods hand waardoor Hij het verlangen om die komst bij ons wekt en doet groeien. Zo leert de Geest meer en meer roepen om het aanbreken van de grote dag.

Na dit slotwoord werd deze conferentie beëindigd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.