+ Meer informatie

Ter overweging

9 minuten leestijd

C. Stam e.a. (red.), Belijnd verleden. Honderd jaar Groninger Kerkbode nader bekeken. Uitg. Jan Haan b.v., Groningen, f. 39,75.

„Kerkbodes genieten geen bijzonder aanzien” schrijft de redactiecommissie in het „Woord vooraf”, maar wie dit boek (344 blz.) leest ontdekt wel dat wat aan aanzien ontbreekt, ruimschoots gecompenseerd wordt door de waarde van het historisch mate¬riaal dat in kerkbodes opgeslagen ligt, in die honderd jaargangen tenminste van de Gro¬ninger Kerkbode. Dat wil niet zeggen dat elk hoofdstuk die waarde duidelijk doet uit¬komen. Het derde hoofdstuk bijv. waarin drs. A. Zeijlmaker de „sociaal-economische (onder-)ontwikkeling van een perifeer gewest” (nl. Groningen 1888- 1988) beschrijft, noemt nauwelijks de Kerkbode. Hoe de kerk zich in die ontwikkeling - waarin immers ook haar leden betrokken waren - opstelde, komt pas in het volgende hoofdstuk min of meer aan de orde, wanneer de „politiek vanuit de kerkbode bekeken” wordt (door A. Dijkstra en J.F. Oldenhuis). Bijna honderd bladzijden gaan over deze aspecten. De kerkhistorische achtergrondverkenningen (een uitstekend artikel van prof. Knetsch) en de geschiedenis van de doleantie in de stad Groningen (beschreven door W. Plas) krijgen ongeveer de helft daarvan toebedeeld. Het resterende deel (bijna tweehonderd pagina’s) informeert over „Kerken, dominees en kerkmensen” (S. Broekema), „De Groninger Kerkbode en de christelijke pers in stad en ommeland” (B.van der Ros - dat er sinds 1920 ook een Chr.Geref. Kerkbode voor Groningen en omstreken heeft bestaan, is deze schrijver ontgaan), „De vrijmaking in de stad Groningen” (dr. W.G. de Vries) en „Het geding om de Schrift” (drs. C. Stam). In het laatste hoofdstuk komt ook de „her¬eniging met de Christelijke Gereformeerden” enkele keren ter sprake. De interessante discussie die de bekende ds. D. van Dijk in de Groninger Kerkbode voerde met prof. Hovius (1935) wordt niet gememoreerd; trouwens de Chr.Geref. Kerken na ’92 komen nauwelijks binnen het vizier. Al met al een boeiend boek van meer dan regionaal be¬lang. Uit een onlangs onder ons gehouden enquête is gebleken dat lang niet alle kerk¬bladen en kerkbodes in de kerkelijke archieven een plaats vonden en vinden (bovenge¬noemde ruim twintig jaar verschenen Chr.Geref. Kerkbode voor Groningen e.o. wel?). Dit boek laat zien dat het zeker de moeite waard is in dezen attent te zijn.

Drs. C. B/enk, Kerk- en wereldgeschiedenis van de 20eeeuw. Uitg. Kok, Kampen, f.39,50. Geschiedenis is evenals het leven zelf uitermate gecompliceerd; alles hangt met alles sa¬men. Meer dan doorgaans gebruikelijk is legt dit kerkgeschiedenisboek daarop nadruk door telkens weer de wereldgeschiedenis, waarbij dan vooral aan de politieke geschie¬denis wordt gedacht, erbij te betrekken. Binnen het bestek van ruim 200 bladzijden is het niet mogelijk meer dan enkele dwarsverbindingen na te gaan: hoe de kerken zich opstelden in en reageerden op de Eerste Wereldoorlog; wat de Volkenbond en de Sow-jet-Unie voor de kerken betekende; ontwakend Azië en de zending; Hitler-Duitsland en de Tweede Wereldoorlog; de „Koude Oorlog”; dekolonisatie in Azië en Afrika; Noord- en Zuid-Amerika; Israël…., kerk en theologie waren er op de een of andere ma¬nier bij betrokken. De kerk staat midden in deze wereld en de „wereld” laat de kerk niet los, zelfs niet als kerkmensen zich in zichzelf terugtrekken als in een zelf geculti¬veerd klooster. Drs. Blenk verschaft als historicus èn theoloog visie - uiteraard op eigen wijze en zonder volledigheid te pretenderen - op de relatie tussen kerk- en wereldge¬schiedenis. Een leerzaam en leesbaar boek!

J.D. Kraan, Bijbel en andersgelovigen. Naar een bijbelse basis voor de ontmoeting met andersgelovigen. Uitg. Kok, Kampen, f. 29,50.

Een merkwaardig boek (217 blz.), niet omdat er geen passages in staan die te waarderen zijn, zelfs „bijbels” genoemd kunnen worden, maar om het vooropgezette uitgangs¬punt, waardoor dit boek iets tweeslachtigs krijgt. De zaak waarom het gaat, is belang¬rijk genoeg. In onze de laatste decennia multireligieus geworden samenleving komt de ontmoeting met „andersgelovigen” steeds meer aan de orde. In navolging van de Raad van Kerken worden met „andersgelovigen” islamieten, boeddhisten enz. bedoeld (aan¬hangers van de zogeheten natuurreligies of primitieve godsdiensten worden nergens ge¬noemd of zelfs aangeduid), die op drie manieren te benaderen zijn: met oproepen tot bekering, met uitnodiging tot dialoog of door „samen als pelgrims onderweg” te zijn (blz. 20v.).

Drs. Kraan kiest nu zijn uitgangspunt vooral in de tweede manier niet zonder neiging naar de derde manier. De eerste manier, die van de zending, wordt dan geladen met al wat laakbaar is: antithetisch, agressief (123), schrijft de ander af (78), miskent hem (126), het doel heiligt de middelen (118). Bij de dialoog daarentegen is openheid, re¬spect voor de ander, geen bij voorbaat uitgaan van eigen gelijk enz. (126,180). Moslims, boeddhisten enz. worden als gelovigen beschouwd (126): „Christus werkt door Zijn Geest aan en in andersgelovigen” (136). Toch is „getuigen” onopgeefbaar (113,166), zijn geloof en bekering „centrale bijbelse noties” (114): „Nog steeds roept Hij, mede door het getuigenis van mensen, allen tot geloof en bekering” (165), maar een bladzijde verder wordt gesteld dat „als er heil opbloeit in het leven van andersgelovigen”, dat niet los is te zien van „het scheppend en verlossend werk van Gods Geest die put uit de schatten van Christus”. Geen wonder dan dat wat „exclusieve teksten” worden genoemd als Hand. 4 :12, Joh. 14:6 enz. reeds in het begin van het boek worden wegverklaard en dat andere teksten pasklaar worden gemaakt, zodat bijv. met „heidenen” alleen mensen in bijbelse tijden worden aangeduid die niet in Israëls God geloofden (180), alsmede dat de positieve aspecten van andere religies - praktisch met negatie van de ne¬gatieve - enorm naar voren worden gehaald. De vraag of andere religies „gewoon andere wegen tot God” zijn, het „werk van God” zijn en „binnen Gods heilsplan” passen (21), wordt positief beantwoord: „Er bloeit in de religies heil op daar waar God en de naaste tot hun recht komen” (166). Na tussen zending en dialoog een valse tegenstelling ge¬construeerd te hebben („vals”, want ook een dialoog kan antithetisch, agressief enz. ge¬voerd worden), lijkt het hele betoog concreet te bedoelen dat we in onze multireligieus geworden samenleving die „andersgelovigen” moeten beschouwen als medepelgrims met wie we samen onderweg zijn naar het rijk van God. Dan zijn zending inderdaad en de dialoog in wezen ook overbodig en, als we er agressief mee bezig zijn, zelfs laakbaar, want „pelgrims” op weg naar het heilige doel gaan elkaar toch niet te lijf met agressie? Laten ze elkaar met alle verschuldigde respect dienen met informatie en oriëntatie in¬zake de reis in gesprek of geschrift, voor zover men er althans van gediend is. En voor de rest: laat elkaar met rust, voor het reisdoel maakt het geen verschil! Is „een bijbelse basis” dan eigenlijk nog ter zake?

Dr. J.C. de Moor, Gods macht en liefde, probleem? of uitdaging! God en mens in bijbels theologisch perspectief. 250 blz. f. 34,90. Kampen 1988.

De auteur wil een antwoord geven op de vraag naar de verhouding van Gods macht en liefde. Zoals bekend worden deze twee tegenwoordig maar moeilijk binnen een verband samengehouden. De schrijver verwijt de orthodoxe (dus ook gereformeerde) theologie een dualisme in de verhouding van God en mens. God en mens zouden als twee aan el¬kaar tegenovergestelde, elkaar logischerwijze uitsluitende polen zijn gedacht (blz. 55). Dat is een erfenis van de Griekse wijsbegeerte, meent de schrijver (blz. 54). Deze - door de schrijver genoemde polaire denkwijze - is niet alleen onlogisch, maar ook zondig. Alsof de mens een zelfstandige, onafhankelijke positie tegenover God zou kunnen in¬nemen. Dat suggereert nu juist de duivel, zegt de schrijver op bladzijde 58.

De oplossing voor de schrijver ligt hierin dat het Gods welbehagen is om ’s mensen vrij¬heid en verantwoordelijkheid niet uit te sluiten, maar op te roepen. Dat welbehagen vinden we al op de eerste bladzijde van de Bijbel (blz. 66-68). Dat is dus al voor de zondeval. De oplossing ligt voor de schrijver hierin dat God van de mens blijft verwach¬ten, dat hij alsnog doet wat hij had moeten doen. Dit komt erop neer dat reddingen verlossing ten diepste van de mens zelf afhankelijk zijn. Ze liggen in zijn handen, zo ook die van de wereld. Ik noem een aantal bladzijden waar dit duidelijk wordt uitge¬sproken: 74,142,154,161,162,171,188,194 en 203. Dat ik zoveel plaatsen noem, wijst erop dat het boek eentonig is. De schrijver had naar mijn gedachte de helft van het boek kunnen weglaten. Dan had hij niets minder gezegd. Natuurlijk is Christus wel nodig, maar als voorbeeld en stimulans. „In het licht van het evangelie brengen wij de wereldgeschiedenis nu zeer spoedig tot haar voleinding”. Het gaat erom deze visie ons eigen te maken en in praktijk te brengen. „Dan zouden we tegenover elkaar geen ge¬zichtsverlies hoeven te lijden en samen het gezichtsverlies dat Christus eeuwenlang gele¬den heeft, ongedaan kunnen maken” (blz. 203). Dit te erkennen zal voor theologen van professie moeilijk zijn, maar is de moeite waard. Het is goed en noodzakelijk. De lezer zal begrijpen dat deze boodschap van zelfverlossing radicaal in strijd is met de Schrift.

Hoe kon de schrijver zulke verwijten doen en zo’n andere oplossing voorstellen? Hij heeft de orthodoxe positie eerst vertekend. Hij laat haar notabene samenvallen met wat de satan de vrouw voorhoudt. Juist hiertegen heeft de gereformeerde belijdenis altijd positie gekozen. De schrijver toont voor de leer van de Heilige Geest (de pneumatologie van de Reformatie) geen enkel begrip te hebben. De positie van de schrijver herinnert in veel opzichten aan die van Herman Wiersinga. Hij is echter veel optimistischer ten aanzien van wat wij kunnen. Dat is een boodschap die mij doet denken aan de woorden die Paulus in Galaten 1 : 9 spreekt: een ander evangelie!

Dr.C. Houtman, Exodus 1. Een praktische bijbelverklaring. J.H. Kok, Kampen 1988. Een nieuw deel (130 blz.) in de serie, die de plaats van de Korte Verklaring wil gaan in¬nemen. De schrijver zegt zelf dat deze praktische bijbelverklaring rust op zijn grote commentaar op Exodus, waarvan het eerste deel ook bij Kok is verschenen.

Hoe meer ik van deze methode kennis neem, hoe minder enthousiast ik erover word. De hoofdstukken of perikopen worden globaal besproken en toegelicht. Met name in dit deel accentueert de auteur heel sterk welke indruk de lezers krijgen als ze het Bijbel¬gedeelte lezen. Hij probeert eigenlijk hun indruk te verklaren en wat bij te sturen! Het Schriftwoord zelf komt veel minder aan de orde. De auteur maakt een matig gebruik van de historisch-kritische methode die veel oudtestamentici zo intensief gebruiken. Men kan stellig zijn winst doen met deze verklaring. Toch meen ik dat er, ook voor de eenvoudige Bijbellezer, meer nodig is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.