+ Meer informatie

Bevolking. I.

9 minuten leestijd

De geboorte van de staat Israël kwam, zoals we gezien hebben, niet zonder weeën tot stand, maar al heel spoedig bleek het borelingske een grote levenskracht te bezitten in het oude land. Eeuwenlang bestond de bevolking uit een mengeling van Joden en Arabieren, waarbij we op moeten merken, dat de Arabieren verreweg in de meerderheid waren. En toch werd Israël een zuiver Joodse staat. Dat is wel het verbijsterende, wat de meest verstokte Zionist nooit heeft durven dromen. Daardoor zijn de meeste (let wel: niet alle) Arabieren heengegaan en die vormen nu het tragische probleem der ontheemden. In 1953 had Israël de volgende bevolking:

1.400.000 Joden 120.000 Arabieren 40.000 Christenen 16.000 Drusen 1.576.000 totaal

Wij stellen ons voor, deze groepen D.V. aan een bespreking te onderweq^en en beginnen dan met de grootste en belangrijkste groep:

DE JODEN.

Volgens de traditie wonen er in Israël nog altijd, Joden, die nog nimmer het land der vaderen verlaten hebben. Hun voorvaderen hebben er steeds hun woonplaatsen gehad. Dit zou zelfs hele geslachten betreffen, een onafgebroken rij van families. Zulk een bevolking zou b.v. ten noorden van Akko wonen.

Bewijzen voor deze theorie zijn er niet, tenminste geen steekhoudende bewijzen al is het dan waar, dat reizigers uit alle eeuwen in die gebieden zonder onderbreking melding maken van Joden in Palestina.

Toch is het wel mogelijk en zelfs de Bijbel verzet er zich niet tegen. Immers tijdens de ballingschap zijn er nog zekere groepen van de oude bevolking in het land der vaderen achtergebleven en dat zouden dan de voorouders van deze groep zijn, die uiteraard niet groot is. Maar nogmaals: deze traditie berust niet op historische gronden.

Gedurende vele eeuwen hebben grote scharen Joden na de val van Jeruzalem in het buitenland gewoond en gezworven (de Joden in de verstrooiing). Toch is de warme liefde tot Zion bij hen nooit uitgeblust geweest. Bij de grote feesten tijdens het Nieuwe Testament kwamen ze in grote aantallen naar Jeruzalem. Men zie slechts Handelingen 2. Ook later bleef de gedachte leven, dat er eenmaal een tijd zou aanlichten, waarin de Messias komt; dan zal de heilstijd aanbreken voor het land der vaderen en voor Jeruzalem (J. van Nes: Het Jodendom).

De vrome Joden baden: „Keer naar Jeruzalem, Uw stad, in barmhartigheid terug, en neem Uw wonnig daarin, gelijk Gij beloofd hebt, en bouw het spoedig in onze dagen tot een eeuwige bouw en wil spoedig de troon van David in haar oprichten. Geloofd zijt Gij, Heer, Die Jeruzalem bouwt en mogen de vromen zich verheugen over de bouw van Uw stad en de herstelling Uws tempels." Middeleeuwse prenten stelden de terugkeer van het volk gelijktijdig met de komst van de Messias.

In Joodse geschriften leest men: „Het is beter te wonen in de woestijnen van Palestina, dan in de paleizen daarbuiten. Het verdienstelijke van in Palestina te wonen evenaart de vervulling van de geboden van de goddelijke wet. God zegt: Liever is mij een kleine groep studenten in Palestina dan een groot Sanhedrin daarbuiten." En wanneer men Paasfeest vierde, riep men elkaar op het hoogtepunt van het feest toe: „Het volgend jaar in Jeruzalem".

De Nederlands-Joodse dichter Jacob Israël de Haan zingt in zijn gedicht: „Het Wekenfeest":

Als bonte bloemen zullen wij herbloeien In Jeruzalem voor de Heilige Ark. Ons leven wordt een fabelachtig park Van myrthen, die geuren. Rozen, (die gloeien.

En in een ander gedicht van hem:

Aanbiddend hoorde ik een kalme stem, Zag een zonnige stad, een tempel heilig, Dus weet ik weer verheugd, dat wij (eens weer veilig Vorstelijk wonen te Jeruzalem.

Dus steeds weer dat verlangend uitzien naar het land van vroeger, een Messiaanse verwachting over een nieuwe eeuw, waarover het recht zegeviert.

Emancipatie.

Van grote invloed op het Jodendom was de emancipatie. Voor dit begrip moeten we terug naar dè franse revolutie, die gelijkheid van rechten voor alle burgers proclameerde. Onder invloed hiervan werden in verschillende landen aan de Joden dezelfde rechten toegekend als aan de andere staatsburgers. Dat was b.v. het geval in Nederland. Daardoor konden ze zich hier volledig ontwikkelen in de veelzijdige vertakkingen van het staatkundige en maatschappelijke leven, op het gebied van wetenschap en kunst, naar hun vermogen bijdragen tot de ontwikkeling, tot de bloei „van het ons allen dierbaar Vaderland". (Jac. Zwarts: Hoofdstukken uit de geschiedenis der Joden in Nederland).

Reformjoden — Traditionele Joden.

In andere landen, waar de Joden ook de voorrechten van de emancipatie genoten, vonden zij op het sociale terrein soms moeilijk toegang tot verschillende kringen. Dit dreef hen er toe, zich zoveel mogelijk aan te passen aan hun omgeving, om zoveel mogelijk te gelijken op het volk, waartussen zij woonden. Zij trachtten het meest typisch Joodse te camoufleren, zij schaamden zich er voor. Vooral in Duitsland was dit streven sterk. Daar waren zij omringd door organisatie en macht en bezeten door een gevoel van minderwaardigheid, dat hen preste zichzelf te verloochenen en zich over hun erfdeel te schamen. Ze stelden zich dus ten doel zich aan te passen aan de nieuwe omstandigheden, dus door het Jodendom te hervormen. Dit waren de Reformjoden. Men geloofde op die manier geheel samen te groeien met andere volken en daardoor een betere toekomst te verwerven. En wanneer het omringende volk minder vriendelijk gezind was, dan kwam dat, doordat zij de deugdelijke eigenschappen der Joden niet kenden. Dan moesten zij daarop attent gemaakt worden.

Het godsdienstig leven van dit Reformjodendom?

„Zij maakten de synagoge tot een kerk zonder kruis en noemden ze tempel. Zij verbanden het hebreeuws dat zij niet meer verstonden, uit hun gebedenboek, en schrapten uit de gebeden iedere heenwijzing naar de Messias, en naar een terugkeer eens in het oude vaderland. Het Reformjodendom brak bewust met het historische Jodendom" (Van Nes).

Zoals we schreven, was dit streven vooral sterk in Duitsland. De Duitse Joden gaven al hun energie aan de opbouw van de industrie en het herstel van de politieke positie van het land. Wel ga-

ven ze toe, dat er soms moeilijkheden waren, maar ze meenden, dat die van voorbijgaande aard waren. Zij waren zo verblind, dat ze er geen idee van hadden, dat ze op een vulkaan leefden. Zij hebben het teken aan de wand niet begrepen en hun illusie werd een droeve waan. (v. Deursen).

Lijnrecht tegenover de Reform joden staan de traditionele Joden. Zij houden vast aan de tradities, aan de Thora (vijf boeken van Mozes) en aan de rabbijnse instellingen. Ze zijn zeer gekant tegen het streven van de Reformjoden. Ze willen voor hun volk een zelfstandige, godsdienstige, ongemengde gemeenschap.

En die heerlijke toekomst zal eenmaal dagen. Daar zijn ze van overtuigd. En die schone toekomst hangt samen met hun Messiasgedachte. Hun twaalfde geloofsartikel luidt: „Ik geloof met volle overtuiging in de komst van de Messias, en ofschoon Hij talmt, zo wacht ik nochtans elke dag Zijn komst af".

Zionisme.

Naast dit traditionele Jodendom en ook daaruit ontstond weer een nieuwe beweging, die redeneerde: Laten we toch maar niet steeds blijven wachten op de vervulling van de oude Messiasverwachting, zoals de orthodoxen, laten we ook geen heil venvachten van de assimilatie met andere volken zoals de Reformjoden, maar laat het jodendom zichzelf helpen.

Deze beweging heet het Zionisme. Dit is „het onuitroeibaar verlangen van de Joden naar een eigen huis, een nationaal centrum, een nationaal tehuis met een joods nationaal leven". (Weizmann).

Onderbewust kwam hierbij de wens tot bevrijding van de minderwaardigheidsgevoelens en het veilig geborgen zijn. We hopen in een volgend artikel D.V. uitvoerig op dit Zionisme terug te komen. Vandaar dat we over deze beweging hier verder zwijgen, maar nog wel iets zullen vertellen over het ontstaan van het Zionisme.

Voorgeschiedenis van het Zionisme.

Eens stond de Zaligmaker voor het tierende Joodse volk voor het rechthuis van Pilatus. Aangehitst door eigen leidslieden, brulde dit volk: „Neem weg, neem weg, kruis Hem". En even daarna het vreselijke vonnis: „Zijn bloed kome over ons en onze kinderen". Hiermede grepen de joden naar de wraak van de wrekende gerechtigheid Gods. En in wezen ligt hier de grondslag voor de haat, die over het oude volk gekomen is. Dit antisemietisme heeft ontzettend veel bijgedragen tot verlevendiging en versterking van het Zionisme. Ondanks de emancipatie werden de joden vaak niet als gelijkwaardig erkend. Zo kon een Oostenrijkse joodse geleerde niet verder komen, omdat de minister gezegd had: „Jude hat keine Wissenschaft". (Steinmetz: Kultuurwaarde en toekomst der Joden). Er verscheen een Anti-semietencatechismus, waarin vraag 12 luidde: Zijn de Joden ook mensen? Antwoord: „Mensen zijn ze wel, doch niet zulke als wij. Dat de Joden een andere religie hebben, is bijkomstig; van meer belang is evenwel, dat ze een geheel andere mensensoort zijn; tot een geheel ander ras behoren en dientengevolge niet alleen zich door hun lichamelijke kenmerken, maar ook in hun karakter, hun levensbeschouwing, gebruiken en zedelijke begrippen van ons onderscheiden". (Zollschau: Das Rassenproblem).

Kerll zei: „God heeft de mensen geschapen. En Hij heeft ze zwart, bruin, geel en blank gemaakt; zij zijn alle Zijn schepselen. De Joden zijn echter niet door de goede God geschapen. Ze leven te midden van de door God geschapenen als een uitvaagsel, als een pest. De

Joden zijn door de duivel gemaakt. Men moet de joden bestrijden, waar men ze aantreft. De mensen zullen eerst dan gelukkig zijn, - als zij van de Joden bevrijd zijn". Typisch is, dat op een oude middeleeuwse plaat een jood heet filius diaboli = zoon des duivels.

In de moderne tijd baseerde het antisemietisme zich op de leer van de voortreffelijkheid van het „arische ras" tegenover het minderwaardige Joodse.

De ellende, die het antisemietisme over de Joden gebracht heeft, is ten hemel schreiend geweest en bereikte voor en tijdens de tweede wereldoorlog een diepte, als dit zwaarbeproefde volk uit het Huis van Jakob nog nooit had doorgemaakt.

Wij zaten neer, wij weenden langs [de zomen Van Babvlons wijd uitgebreide stromen; Elk stortte daar zijn bitt're jammerklacht Als hij met smart aan 't heilig Sion dacht Elk, wars van vreugd en vrolijke [gezangen, Liet daar zijn harp aan somb're [wilgen hangen. (Ps. 137 : 1)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.